Minimumbezoldiging bedrijfsleider: verschillende punten uitgeklaard

Geschreven door Mrs. Katrien Bollen - Koen Van Duyse, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: Seth Tisue  

Sinds 1 januari 2018 is het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting voor KMO’s vervangen door het lineair tarief van 20% op de eerste schijf van 100.00 EUR belastbaar inkomen.

Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de vennootschap aan verschillende voorwaarden voldoen, waaronder de toekenning van een minimumbezoldiging van 45.000 EUR aan één van haar bedrijfsleiders (voorheen 36.000 EUR).

Daarnaast wordt in het nieuwe stelsel voorzien in een (aftrekbare) sanctionerende afzonderlijke aanslag van 5% die zowel voor KMO’s en grote vennootschappen van toepassing is ingeval zij niet een bezoldiging van ten minste 45.000 EUR aan een bedrijfsleider toekennen.

Er waren tot nu toe nog heel wat onduidelijkheden omtrent deze minimumbezoldiging, waarvan er inmiddels een aantal opgehelderd zijn.

Volg het on demand seminarie 2018: Het jaar van het vernieuwde vennootschapsrecht met Philippe MULLIEZ

1. De minimumbezoldigingsvereiste geldt ook voor vennootschappen zonder bedrijfsleiders-natuurlijke personen

Op basis van de wettekst kon men verdedigen dat de minimumbezoldigingsvereiste niet geldt voor een vennootschap die onder haar zaakvoerders of bestuurders enkel rechtspersonen in haar midden heeft, en geen natuurlijke personen.

Intussen is evenwel een wetswijziging gepubliceerd1 waardoor de wet op dit punt werd aangepast, zodat de minimumbezoldigingsvereiste ook geldt voor vennootschappen zonder bedrijfsleiders-natuurlijke personen.

Een vennootschap die onder haar mandatarissen geen natuurlijk persoon heeft en zodoende geen bedrijfsleidersbezoldiging kan toekennen, zal dus sowieso gesanctioneerd worden (geen toepassing van het tarief van 20 % en /of afzonderlijke aanslag van 5 % al naar gelang het al dan niet een KMO betreft).

Vennootschappen waar momenteel enkel rechtspersonen zetelen in de raad van bestuur, dienen dus na te gaan of het al dan niet opportuun is een natuurlijk persoon te benoemen als bezoldigd bestuurder. Dit zal afhangen van de feitelijke omstandigheden, zo onder meer of de vennootschap al dan niet een KMO is, aangezien voor KMO’s het niet respecteren van de minimumbezoldigingsvereiste leidt tot een dubbele sanctionering (verlies van het tarief van 20 % én afzonderlijke aanslag van 5 %), daar waar voor grote vennootschappen er enkel de (aftrekbare) afzonderlijke aanslag van 5 % volgt. De kost in hoofde van de vennootschap kan worden afgewogen tegenover de RSVZ-bijdragen en personenbelasting verschuldigd door de bedrijfsleider.

2. “Escape route” via het attractiebeginsel – ook voor onbezoldigde bedrijfsleiders

Als een bedrijfsleider in dezelfde vennootschap ook als werknemer actief is, telt het loon als werknemer mee in de beoordeling van de minimumbezoldigingsvereiste, vermits alles wat de bedrijfsleider krijgt (dus ook het loon als werknemer) door het ‘attractiebeginsel’ geacht wordt een ‘bezoldiging van een bedrijfsleider’ te zijn.

Bijvoorbeeld indien een persoon als bestuurder een bezoldiging ontvangt van 5.000 EUR, maar daarnaast in dezelfde vennootschap als werknemer een loon krijgt van 90.000 EUR, dan wordt hij geacht een bedrijfsleidersbezoldiging van 95.000 EUR te ontvangen en is er voldaan aan de minimumbezoldigingsvereiste.

Het attractiebeginsel geldt echter enkel indien de bedrijfsleider bezoldigd is, en dus niet indien het mandaat onbezoldigd is.

Voorheen werd evenwel op grond van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof aanvaard dat men voor de minimumbezoldigingsvereiste wel degelijk rekening kan houden met het loon dat men als werknemer ontvangt van een vennootschap waarin men ook onbezoldigdbedrijfsleider is.

De minister van financiën heeft nu uitdrukkelijk bevestigd dat dit ook geldt onder het nieuwe stelsel en dit zowel voor het tarief van 20 % als voor de afzonderlijke aanslag van 5%.

Indien een persoon onbezoldigd bestuurder is, maar daarnaast in dezelfde vennootschap als werknemer een loon krijgt van 90.000 EUR, dan is er dus voldaan aan de minimumbezoldigingsvereiste.

Het kan dus voor ondernemingen interessant zijn om een werknemer (kaderlid) tevens te benoemen als onbezoldigd bestuurder. De onderneming voldoet dan aan de minimumbezoldigingsvereiste en dit zonder dat het vereist is een bestuurdersbezoldiging uit te keren. Wat betreft het sociaal statuut van deze werknemer dient wel aandacht besteed te worden aan het feit het samengaan van deze beide functies vereist dat de beide functies duidelijk onderscheiden activiteiten en verantwoordelijkheden betreffen.

3. Afzonderlijke aanslag van 5 % wordt niet verhoogd naar 10 %

Initieel was voorzien dat de afzonderlijke aanslag van 5 % vanaf aanslagjaar 2021 zou stijgen naar 10%. Deze wijziging werd echter niet weerhouden zodat het tarief van 5% behouden blijft voor de komende aanslagjaren.

Het gegeven dat de afzonderlijke aanslag beperkt blijft tot 5 % dient zeker mee in overweging te worden genomen door de vennootschap bij het uitstippelen van haar bestuurdersbeleid en remuneratiepolitiek.

Het is een goede zaak dat inmiddels enkele punten uitgeklaard zijn en dit voornamelijk in het voordeel van de belastingplichtige. Niettemin rijzen er in de praktijk ook nog andere vragen. Wij kunnen alleen maar hopen dat deze ook snel uitgeklaard worden.

1 30 JULI 2018 — Wet houdende diverse bepalingen inzake inkomstenbelastingen (B.S. 10 augustus 2018).