Loongrenzen bij deeltijdse arbeid

Geschreven door Mevr. Miet Vanhegen, Instituut voor Arbeidsrecht (KULeuven), https://www.law.kuleuven.be/arbeidsrecht
Foto: DE255  

GwH 23 november 2017, nr. 134/2017

Prejudiciële vraag – proefperiode – opgeheven artikel 67 AOW – interpretatie bedrag jaarlijks loon – identieke behandeling voltijdse en deeltijdse betrekking – gelijkheidsbeginsel – schending art. 10 en 11 GW     

In dit arrest moest het Grondwettelijk Hof een interpretatie geven van artikel 67, § 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het reeds opgeheven artikel stipuleert dat “de proeftijd niet minder dan één maand mag duren. Hij mag niet meer belopen dan respectievelijk zes of twaalf maanden naargelang het jaarlijkse loon niet hoger of hoger dan [19.300] euro”. De vraag ter zake is of  de interpretatie dat het bedrag van het jaarlijkse loon, dat als criterium dient om de maximale duur van de proeftijd te bepalen, uniform moet worden toegepast op alle werknemers, ongeacht de werknemer voltijds, dan wel deeltijds werkt, een schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel uit artikelen 10 en 11 GW. Verder werd ook gevraagd of een interpretatie die stelt dat het bedrag van het jaarloon dat in aanmerking moet worden genomen voor een bediende die deeltijds werkt, datgene is van het jaarloon dat die bediende proportioneel zou hebben gehad indien hij voltijds had gewerk, verenigbaar is met art. 10 en 11 GW.

De zaak die aan de oorsprong ligt van dit arrest betrof een bediende die deeltijds (70 pct.) werd aangenomen. Haar arbeidsovereenkomst voorzag in een proeftijd van twaalf maanden. Het maandelijkse brutoloon werd vastgesteld op 3200 euro voor een voltijdse betrekking.  Op de laatste dag van haar proefperiode maakte haar werkgever een einde aan de arbeidsovereenkomst door middel van opzegging van zeven dagen. De bediende was echter van mening dat de proefperiode, rekening houdende met haar deeltijdse loon, niet langer mocht zijn dan zes maanden en zij dus recht had op een opzeggingsvergoeding die overeenstemde met 13 weken loon.

Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de proeftijd onder meer tot doel heeft de bekwaamheid van de werknemer te beoordelen. Door een verschil in behandeling in te voeren bij het bepalen van de maximumduur van de proeftijd, heeft de wetgever een langdurigere beoordeling willen mogelijk maken van de bekwaamheid van bedienden die, doordat zij een hoger loon hebben, in principe belangrijkere of meer technische functies hebben. Dat doel wordt niet bereikt indien enkel het werkelijke loon van deeltijdse bedienden in aanmerking worden genomen. Dit staat immers niet in rechtstreeks verband met het belang van hun functie en heeft een kortere maximumduur van hun proeftijd tot gevolg. Een interpretatie dat het jaarlijks jaarloon overeenstemt met het werkelijke loon, zonder rekening te houden met het feit dat een werknemer deeltijds werkt, is volgens het Hof niet verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel. Naar analogie stelt het Hof vast dat wanneer de bepaling zo geïnterpreteerd wordt dat het bedrag van het jaarloon niet het werkelijk loon is, maar het jaarloon dat die bediende proportioneel zou hebben gehad indien hij voltijds had gewerkt, geen schending uitmaakt van artikelen 10 en 11 GW.