Kaaimantaks onder revisie !

Geschreven door Mr. Gerd D. Goyvaerts, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: Radek Vitoul  

Voorontwerp van wet - Kaaimantaks revisie

Via een gunstige wind dwarrelde op kantoor een tekst neder die bleek als voorwerp te hebben een volledige revisie van wat wij genoegzaam “de kaaimantaks” noemen. Aangezien het becommentariëren van voorontwerpen die nog niet de zegen hebben gehad van de Ministerraad op zich al een delicate zaak is, beperken we ons hierna tot een loutere opsomming van de suggesties die blijken uit de tekst. Voor commentaar, lof dan wel kritiek, eens de Ministerraad de tekst zal hebben goedgekeurd, zal later nog tijd en ruimte zijn.

Samengevat vinden we de volgende wijzigingen c.q. aanpassingen in de tekst terug :
 

  • De uitzondering van het uitoefenen van een daadwerkelijke economische activiteit (de zogenaamde substance uitsluiting) wordt beperkt tot die activiteiten die géén verband houden met het beheer van het privévermogen van de oprichter.
  • Bij de zogenaamde dubbelstructuren waarbij in het vermogen van de ene juridische constructie aandelen dan wel economische rechte van een andere juridische constructie zijn opgenomen, wordt een vorm van fiscale consolidatie ingevoerd wat de toerekening van de inkomsten aan de oprichter betreft. Merk op dat hier een andere methode wordt gehanteerd dan zoals voorgesteld in het hangende wetsvoorstel dd. 18 april 2017 (DOC 54/2419/001)
  • Er wordt een juridische constructie Type 3 gecreëerd waarbij de overdracht van de aandelen van of activa van een juridische constructie Type 1 of 2 in het kader van een overeenkomst, al dan niet in de vorm van een verzekeringspremie, tevens onder de kaaimantaks wordt gebracht.
  • In het zog daarvan wordt een “oprichter categorie 5” in het leven geroepen, zijnde de persoon die de betreffende rechtshandeling t.a.v. de juridische constructie Type 3 heeft gesteld.
  • Het onderscheid qua belastbaarheid van de uitkeringen tussen een juridische constructie van Type 1 (trusts) en Type 2 (vennootschappen en stichtingen) wordt opgeheven, waardoor alle uitkeringen uit enige juridische constructie als dividend worden gekwalificeerd.
  • In het zog daarvan wordt de fiscale categorie van de “derde begunstigden” opgeheven waardoor de toepassing van de fiscale transparantie wordt beperkt tot de oprichters.
  • Wat de effectieve uitkeringen betreft wordt er een anciënniteitsregel ingevoerd waarbij de oudste door de juridische constructie verkregen inkomsten, zijnde de historische reserves, geacht worden het eerst te zijn uitgekeerd. Deze anciënniteitsregel geldt ook bij toepassing van de fiscale consolidatie inzake de ‘dubbelstructuren’.
  • De regel ter vermijding van dubbele belasting bij uitkeringen wordt aangepast aan zowel de regeling terzake de dubbelstructuren als aan de anciënniteitsregel.
  • Er wordt een specifieke anti-misbruikmaatregel ingevoerd op grond waarvan de verplaatsing van de zetel dan wel de activa naar een land waarmee géén overeenkomst tot informatie-uitwisseling bestaat geacht wordt gelijk te staan aan de fiscale liquidatie van de juridische constructie.
  • Rechtshandelingen door een juridische constructie worden voor de toepassing van de algemene antimisbruikmaatregel van art. 344 §1 WIB toegerekend aan de oprichter.
  • Terzake diegenen die gemachtigd zijn namens verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid buitenlandse bankrekeningen te beheren waarop door een juridische constructie uitkeringen worden betaald, ontstaat belastbaarheid voor de effectief ontvangen en uitgekeerde bedragen. Om aan deze regel te ontsnappen kunnen de betreffende verenigingen opteren voor de toepassing van de rechtspersonenbelasting. In globo kan men stellen dat de voorgestelde wijzigingen aangaande feitelijke verenigingen minder verregaand zijn dan het hangende wetsvoorstel dd. 15 juni 2017 (DOC 54/2535/001).

Dit is uiteraard slechts een eenvoudige en bondige samenvattende opsomming van de diverse gesuggereerde aanpassingen. Het dient benadrukt dat hierover naar onze kennis nog géén akkoord bestaat, en het geheel nog in onderhandeling is.

Wat de inwerkingtreding betreft is het nog onduidelijk of de regering opteert voor inkomsten vanaf 1 januari 2018 dan wel opteert voor een retroactieve werking per 1 januari 2017.

Uit de lezing van het voorontwerp blijkt dan men blijft aanknopen bij het idee dat de kaaimantaks werd gecreëerd om het ‘kunstmatig afscheiden’ van vermogens door rijksinwoners fiscaal te neutraliseren. Er wordt dus nog steeds géén onderscheid gemaakt voor structuren die volstrekt bona fide werden opgezet voor vermogensbeheer, al dan niet door personen die hun roots in de Angelsaksische rechtscultuur hebben. Verder worden de regels die eigen zijn aan buitenlandse rechtsfiguren en die toepasbaar zijn op grond van het internationaal privaatrecht in fiscalibus nu finaal met de voeten getreden. De consequente toepassing van de fiscale transparantie wordt opgeofferd voor een doorgedreven fiscale kwalificatie als dividend bij effectieve uitkering dan wel bij fictieve liquidatie.

Indien deze nieuwe regels wet worden, zal uiteraard dienen te worden nagegaan wat in de diverse concrete gevallen daar de impact van zal zijn. Zonder te willen vooruitlopen op de zaken kunnen we ons echter niet van de indruk ontdoen dat de toepassing van deze regels zo mogelijk nog complexer en ondoorzichtiger wordt dan de kaaimantaks op heden reeds is. Hiermee zou België dan ook de finale stap zetten naar de status van land dat alvast in fiscalibus voor diegenen die behoren tot de Angelsaksische rechtscultuur “terra incognita et horribilis” is geworden.