Interprofessioneel akkoord (IPA) 2019 - 2020 - Het ontslagpakket tegen 30 september 2019

Geschreven door Lexalert
Foto: Newtown grafitti  

In de Kamer legden MR en CD&V het wetsvoorstel tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2019 – 2020 neer. Het wetsvoorstel wijzigt o.a. de bepalingen met betrekking tot het ontslagpakket. De datum van 30 september 2019 wordt als nieuwe deadline naar voor geschoven.  

Bevorderen van de inzetbaarheid

Artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat werd ingevoegd door Wet Eenheidsstatuut van 26 december 2013, legt elk paritair comité of subcomité op om uiterlijk tegen 1 januari 2019 in een cao te bepalen dat werknemers die worden ontslagen met een zekere opzeggingstermijn of met een opzeggingsvergoeding van minstens 30 weken, recht hebben op een ontslagpakket.

Dat ontslagpakket moet bestaan uit enerzijds een opzeggingstermijn of opzeggingsvergoeding ten belope van 2/3de van het wettelijke ontslagpakket, en anderzijds 1/3de maatregelen die de inzetbaarheid van de ontslagen werknemer op de arbeidsmarkt verhogen. De ingevoerde regeling mag evenwel in geen geval tot gevolg hebben dat de opzeggingstermijn of -vergoeding lager wordt dan 26 weken.

Aan de toepassing van artikel 39ter is door de Wet Eenheidsstatuut een bepaalde financiële sanctie gekoppeld, die is neergelegd in artikel 38, § 3quaterdecies van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Op grond van dat laatste artikel is een bijzondere bijdrage verschuldigd van 1% ten laste van de werknemer en 3% ten laste van de werkgever ingeval een werknemer die is ontslagen en “die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een ontslagpakket dat inzetbaarheidsverhogende maatregelen omvat zoals bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten”, toch het hele ontslagpakket als opzeggingstermijn presteert of een opzeggingsvergoeding betaald krijgt voor het geheel.

► Lees ook CAO nr. 109 : het recht op schadevergoeding in geval van kennelijk onredelijk ontslag

Omdat de maatregel van artikel 39ter tot nu toe niet het verhoopte succes heeft gekend wegens gebrek aan sectorale cao’s, hebben de sociale partners in hun interprofessioneel akkoord 2019-2020 afgesproken om tegen 30 september 2019 een interprofessionele regeling uit te werken teneinde een alternatieve oplossing te vinden voor het aanwenden van een deel van de ontslagvergoeding, zoals voorzien in artikel 39ter van de arbeidsovereenkomstenwet.

Om die reden wordt de datum van 1 januari 2019 die is bepaald in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gewijzigd in 30 september 2019 in Hoofdstuk 2. Aan de Koning wordt de bevoegdheid gegeven om bij in Ministerraad overlegd besluit eventueel een latere datum te bepalen die evenwel niet verder mag liggen dan 1 januari 2021.

Per bedrijfstak dient tegen uiterlijk 30 september 2019 in het paritair comité of paritair subcomité een collectieve arbeidsovereenkomst erin te voorzien dat een werknemer recht heeft op een ontslagpakket bestaande uit een te presteren opzeggingstermijn of een opzeggingsvergoeding, overeenstemmende met de opzeggingstermijn die twee derden van het ontslagpakket beloopt en, voor het resterende derde, maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt verhogen. De modaliteiten staan in het wetsontwerp.

Wanneer na 30 september 2019 een werknemer die is ontslagen en die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een ontslagpakket dat inzetbaarheidsverhogende maatregelen omvat zoals bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, het hele ontslagpakket als opzeggingstermijn presteert of een opzeggingsvergoeding krijgt uitbetaald voor het geheel van die opzeggingstermijn of het nog te lopen deel na onmiddellijke beëindiging tijdens de duurtijd van de opzeggingstermijn, is op het loon betaald tijdens het deel van de opzeggingstermijn dat één derde van het ontslagpakket vertegenwoordigt en dat alleszins 26 weken overschrijdt of op het corresponderende deel van de vervangende opzeggingsvergoeding een bijzondere bijdrage verschuldigd van 1% ten laste van de werknemer en 3% ten laste van de werkgever.

Eenzelfde wijziging wordt ook doorgevoerd in artikel 38, § 3quaterdecies van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, teneinde dit artikel in overeenstemming te houden met het gewijzigde artikel 39ter.

Verlenging van de innovatiepremies

Met de verlenging van de innovatiepremies hoopt de wetgever, voor de periode 2019 – 2020 de innovatiepremie die afliep op 1 januari 2019 te verlengen teneinde het recent sociaal akkoord uit te voeren. Sedert de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg kon de werknemer een eenmalige innovatiepremie worden toegekend die voor de berekening van de sociale bijdragen niet als loon wordt beschouwd en die vrijgesteld is van inkomstenbelastingen, voor zover cumulatief voldaan is aan de voorwaarden opgesomd in artikel 28 van die wet.

De verlenging duurt tot 1 januari 2019.

Activering van de inspanningen ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen

Gezien de regering in lopende zaken is, is het aangewezen geacht om het activeren van de wetgeving inzake de risicogroepen voor de periode 2019-2020 door het parlement te laten goedkeuren door de invoering van een tijdelijke afwijkingsbepaling in het artikel 195 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I). Dit wordt geregeld in hoofdstuk 3 van het wetsontwerp.

In afwijking van de bepalingen betreffende de verlenging van de innovatiepremies, gelden de bepalingen inzake de inspanning ten voordele van de personen die behoren tot de risicogroepen in de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020.

Lees hier het volledige wetsvoorstel tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2019-2020.