Het vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW) – De krachtlijnen

Geschreven door Lexalert
Foto: ginza_line  

Het wetsontwerp van 31 oktober 2018 voorziet voor werknemers in de mogelijkheid om een vrij aanvullend pensioen op te bouwen in de tweede pijler, het zogenaamde Vrij Aanvullend Pensioen Werknemers (VAPW). Het VAPW wordt gefinancierd via inhoudingen die de werkgever op het loon verricht en waarvan de werkgever, binnen wettelijk vastgelegde grenzen, het bedrag kiest.  

Hieronder komt het volgende aan bod:

  • Welke verplichting voor de werkgever in het VAPW?
  • Biedt het VAPW een rendementsgarantie?
  • Waarover beslist de werknemer? 
  • Wat is het maximum-en minimumbedrag?

Achtergrond

Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee onze pensioenstelsels worden geconfronteerd, moet er immers, naast de hervormingen op het niveau van de eerste pijler, ingezet worden op de verdere uitbreiding van de tweede pijler (aanvullende pensioenen) als aanvulling op het wettelijk pensioen om gepensioneerden in staat te stellen een levensstandaard te behouden die in de lijn ligt van hun levensstandaard van toen ze nog actief waren op de arbeidsmarkt.

Dit ontwerp geeft uitvoering aan één van de maatregelen voorzien in het regeerakkoord om de tweede pensioenpijler te veralgemenen. De bedoeling is immers ervoor te zorgen dat alle werknemers de mogelijkheid hebben om vrijwillig een aanvullend pensioen van de tweede pijler op te bouwen door middel van inhoudingen op het loon uitgevoerd door de werkgever.

Vandaag ligt het initiatief om als werknemer een aanvullend pensioen op te bouwen niet tot bij de werknemer zelf, maar bij zijn werkgever of de sector waarin hij is tewerkgesteld. Dit past dan in een tripartite kader met een inrichter, een pensioeninstelling en de aangeslotene/ de begunstigde die geniet van de pensioentoezegging.

De enige uitzondering die vandaag bestaat voor een werknemer om een aanvullend pensioen op te bouwen op eigen initiatief, is de individuele voortzetting voorzien in artikel 33 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (hierna de WAP).

De bedoeling van dit ontwerp is om de mogelijkheden uit te breiden voor een werknemer om een aanvullend pensioen af te sluiten op eigen initiatief en om een passend wettelijk kader voor dit vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW) te creëren.

Verplichting werkgever

Er werd gekozen voor het creëren van een wettelijk kader dat onderscheiden is van dat van de WAP. In tegenstelling tot een pensioentoezegging die wordt georganiseerd door een inrichter, wordt hier een situatie met slechts twee partijen beoogd: het is de werknemer zelf die beslist een pensioenovereenkomst af te sluiten en die de pensioeninstelling kiest. Hij is ook diegene die de overeengekomen bijdragen betaalt die worden ingehouden op zijn nettoloon. De werkgever heeft slechts één enkele verplichting, met name de bijdragen van de werknemer inhouden en deze storten aan de pensioeninstelling die door de werknemer werd aangeduid in het kader van een overeenkomst afgesloten overeenkomstig dit ontwerp.

►Blijf bij over de actualiteit in verband met HR-recht tijdens onze Up-to-date - HR-recht met Claeys&Engels

Rendementsgarantie

In tegenstelling tot de andere aanvullende pensioenen in de tweede pijler (georganiseerd door sector of onderneming), kent het VAPW in beginsel géén rendementsgarantie.

Binnen het kader van een pensioentoezegging van het type vaste bijdragen onderworpen aan de WAP, verbindt de inrichter zich ertoe de in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vastgestelde bijdragen te storten aan de pensioeninstelling. Het bedrag van de prestatie dat de aangeslotene na afloop zal ontvangen, hangt af van het rendement dat verkregen of toegekend werd door de door de inrichter gekozen pensioeninstelling om de pensioentoezegging te beheren. De aangeslotene draagt dus een rendementsrisico dat hij niet kan beheersen aangezien het de inrichter is die de pensioeninstelling kiest. Bij een slecht financieel beheer, financiële moeilijkheden of faillissement van de pensioeninstelling, kunnen aan de verworven reserves een vrij laag rendement toegekend worden en zelfs aan waarde verliezen. Ter bescherming van de aangeslotene tegen het rendementsrisico werd er door de wetgever een minimale rendementsgarantie ingevoerd ten laste van de inrichter in geval van een pensioentoezegging van het type vaste bijdragen. Wanneer de pensioentoezegging gefinancierd wordt door persoonlijke bijdragen, met andere woorden inhoudingen op het loon van de aangeslotene, heeft de wetgever, voor dezelfde redenen, ook willen voorzien in een bescherming van de aangeslotene tegen het rendementsrisico.

Een dergelijke situatie doet zich niet voor bij een pensioentoezegging van het type vaste prestaties onderworpen aan de WAP gefinancierd door bijdragen van de inrichter. In dit geval, ongeacht de toestand van de financiële markten en de gezondheid van de pensioeninstelling, stemt de inrichter ermee in om, op het einde, met andere woorden op de pensioenleeftijd, de in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vooraf vastgelegde prestatie uit te keren. Indien het verkregen of toegekende rendement lager ligt dan werd voorzien, zal de inrichter hogere bijdragen moeten storten. Het rendementsrisico wordt bijgevolg gedragen door de inrichter en niet door de aangeslotene. In dit geval heeft de WAP dus geen minimale rendementsgarantie voorzien.

De werknemer beslist

De situatie waarin de aangeslotene zich bevindt voor wat betreft het VAPW is anders. In het kader van het VAPW, is de werknemer de enige beslisser over zijn VAPW. Hij bezit het initiatief over al haar modaliteiten. Dit is het doel van het wetsontwerp, met name het geven van een initiatiefrecht aan de werknemers om een aanvullend pensioen op te bouwen. In het kader van de WAP, is het de inrichter die de pensioeninstelling en het aanvullend pensioenproduct kiest. De werknemer heeft geen beslissingsbevoegdheid. In het kader van het VAPW is het de werknemer zelf die beslist over zowel de pensioeninstelling als het aanvullend pensioenproduct zelf. De werkgever heeft geen enkele bevoegdheid om tussen te komen, behalve voor de inhouding van de bijdragen op het loon en de storting ervan aan de pensioeninstelling.

De aangeslotene is dus vrij te beslissen over een pensioenproduct dat een interestgarantie biedt (bij een verzekeringsonderneming in een tak 21) of een pensioenproduct dat er geen biedt (bij een verzekeringsonderneming in een tak 23 of bij een IBP) in functie van zijn risicoaversie. De aangeslotene kan eveneens kiezen voor aanvullende pensioenproducten waarbij, hoe ouder de aangeslotene wordt, hoe meer de gestorte bijdragen of zelfs de reeds opgebouwde verworven reserves, geleidelijk en automatisch worden geïnvesteerd in fondsen die alsmaar meer zijn beveiligd.

Twee versus drie partijen

In het kader van de WAP, betreft het een tripartite verhouding. De inrichter (de werkgever of de sector) verbindt zicht ertoe ten opzichte van zijn werknemers om een aanvullend pensioen op te bouwen dat wordt uitgevoerd door een pensioeninstelling. Er is dus sprake van een pensioentoezegging die, zoals reeds vermeld, van het type vaste bijdragen is of van het type vaste prestaties. De WAP voorziet berekeningsregels voor de verworven reserves en de verworven prestaties om de inrichters ertoe te verplichten minimale verworven reserves op te bouwen die overeenkomen met de pensioentoezeggingen die ze bieden.

In het kader van het VAPW, betreft het een bipartite verhouding. De werknemer sluit rechtstreeks een pensioenovereenkomst af met de pensioeninstelling. Er is dus geen sprake van een pensioentoezegging van een derde ten opzichte van hemzelf. Men spreekt dus ook niet van vaste bijdragen, noch van vaste prestaties, noch van minimale verworven reserves. De pensioenovereenkomst zal duidelijk en nauwkeurig moeten aangeven hoe de verworven reserves en eventuele verworven prestaties voortvloeiend uit de verplichting van de pensioeninstelling, worden berekend.

Met betrekking tot de bijdragen van de werknemer in het kader van het VAPW, zijn deze bijdragen noodzakelijkerwijs ten laste van de werknemer en worden dus ingehouden op zijn nettoloon. Onder nettoloon moet worden verstaan het loon van de werknemer na de sociale en fiscale inhoudingen die door de werkgever moeten worden uitgevoerd in het kader van de betaling van het loon.

Dit sluit uiteraard niet uit dat de werkgever – eventueel later – beslist een pensioenstelsel in te voeren in het kader waarvan hij bijdragen ten laste zou nemen die zouden worden gestort aan een pensioeninstelling. In dat geval zal de betaling echter niet (meer) plaatsvinden in het kader van dit ontwerp maar wel in het kader van de WAP. Het gaat dan om een werkgeversbijdrage met het oog op de opbouw van een aanvullend pensioen zoals gedefinieerd door de WAP en er zal voldaan moeten worden aan alle voorwaarden van die wet. In het algemeen is het zo dat overeenkomstig de WAP en de aard zelf van de tweede pensioenpijler ten opzichte van de andere pijlers, van zodra een werkgever stortingen voor zijn rekening neemt met het oog op de opbouw van een aanvullend rusten/of overlevingspensioen als aanvulling op een wettelijk pensioen, de voorwaarden van de WAP noodzakelijkerwijze van toepassing zijn.

Lees ook: Hervorming en uitbreiding 80%-regel in 2019

Maximum- en minimumbedrag

De werknemer bepaalt vrij het bedrag van zijn bijdragen in het kader van het VAPW. De stortingen zijn echter wel beperkt tot een plafondbedrag. De bedoeling van dit ontwerp is inderdaad aan diegenen die nog geen toegang hebben tot opbouw van een aanvullend pensioen of die over een beperkt aanvullend pensioen beschikken de mogelijkheid te geven om zelf het initiatief te nemen om in het kader van hun beroepsactiviteit een aanvulling op te bouwen met het oog op hun pensioen.

Het plafond werd vastgelegd op 3 pct. van het referentieloon rekening houdend met de eventuele pensioenrechten die werden opgebouwd tijdens de referentieperiode in de tweede pensioenpijler als werknemer.

Om rekening te houden met de situatie van de werknemers die genieten van een laag tot gemiddeld verloningsniveau, werd er voorzien rekening te houden met een minimum van 1 600 euro (basisbedrag van 980 euro, geïndexeerd) voor de berekening van de maximale jaarlijkse bijdrage. Van dit bedrag moeten de eventuele pensioenrechten opgebouwd tijdens de referentieperiode in de tweede pijler als werknemer worden afgetrokken.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 31 oktober 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen