Het "recht op arbeid" van werkwilligen

Geschreven door Mr. Willy van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte, Tacquet en Clesse, www.bellaw.be

Cass. 14 september 2015, S. 13.0030.N 

De titel boven dit stukje wekt ongetwijfeld de verwachting dat het cassatiearrest waarop het betrekking heeft, handelt over het recht van werknemers die niet deelnemen aan een staking, toegang te krijgen tot het bedrijf en die niet belemmerd te zien door stakingsposten. Het gaat nochtans over iets anders.

Wat in het arrest aan bod komt, is het contractuele recht van iedere werknemer, ook een werkwillige, op werkverschaffing door de werkgever. Dat is overigens ook een wettelijk recht, zoals blijkt uit de Arbeidsovereenkomstenwet (art. 20, 1° Arbeidsovereenkomstenwet).

Zoals iedere schuldenaar kan de werkgever zich van zijn verplichting tot werkverschaffing bevrijden door overmacht in te roepen. 

Bij een staking stelde een werkgever werkwillige bedienden niet te werk omwille van de staking. Hij betaalde hen dan ook niet. In de procedure die zij daarop tegen de werkgever inleidden om van hem schadevergoeding te eisen voor het gederfde loon, gaf de werkgever toe dat de bedienden nog wel diverse taken konden uitoefenen. Het arbeidshof leidde daaruit af dat de werkgever erkende dat de uitvoering van de gewone taken van de bedienden niet volledig of geheel onmogelijk was geworden, maar enkel moeilijker. Er was dus geen sprake van overmacht in de ogen van het arbeidshof. De werkgever beging een fout.

De werkgever tekende tegen dat arrest cassatieberoep aan.

De werkgever die zich bevrijd wil zien van zijn verplichtingen aan de werkwilligen werk te verschaffen, zo oordeelt het Hof van Cassatie, moet bewijzen dat de staking voor hem een geval van overmacht was die hem verhinderde zijn verplichtingen na te komen. Hij moet als schuldenaar aantonen dat hij zijn verplichtingen onmogelijk kon nakomen. Dat de werkgever, zoals het arbeidshof besliste, dat bewijs niet levert omdat hij erkent dat de bedienden nog diverse taken konden uitvoeren, is een wettige verantwoording voor de afwijzing van overmacht. Er is dus sprake van een fout van de werkgever.

Lees ook: RSZ-vrije kosten kunnen worden bewezen door een globaal forfait

De conclusie is dat de nakoming van de verplichting van de werkgever zijn werknemers werk te verschaffen, moet worden getoetst aan “de bedongen arbeid”, d.w.z. het takenpakket dat contractueel de functie van de werknemer vormt. De omstandigheid dat de werknemer diverse taken van dat pakket nog kan uitoefenen, impliceert dat de uitoefening van zijn functie niet volledig of geheel onmogelijk is. Er is dan ook geen overmacht.