Hervorming herzieningsprocedure in strafzaken en Europees aanhoudingsbevel

Geschreven door Lexalert

De wet van 11 juli 2018 bevat diverse bepalingen in strafzaken. De meeste beogen de correctie of de verbetering van bestaande bepalingen. Andere beogen meer fundamentele maatregelen. De twee belangrijkste zijn:

  • De hervorming van de herzieningsprocedure in strafzaken
  • Uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel in het Belgisch recht

Zo beoogt de wet een grondige hervorming van de herzieningsprocedure in strafzaken, door de wijziging van de artikelen 443 tot 447bis van het Wetboek van Strafvordering.

De wet wijzigt o.m. de bestaande herzieningsgrond van artikel 443, eerste lid, 3° van het Wetboek van Strafvordering en schaft de mogelijkheid voor de minister van Justitie om een herzieningsaanvraag in te dienen af. Bovendien zal een herzieningsaanvraag voortaan de stukken moeten bevatten waaruit de ingeroepen herzieningsgrond blijkt. Er wordt een belangrijke filter geïntroduceerd  van de ingediende herzieningsaanvragen, met name het onderzoek van het Hof van Cassatie of er mogelijk een herzieningsgrond aanwezig is of niet. Belangrijk ook is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van een nieuw element zal gebeuren door een “Commissie voor herziening in strafzaken”, die nieuw zal worden opgericht.  De uitkomst van dit onderzoek krijgt de vorm van een niet-bindend advies.

De wet beoogt bovendien bepaalde juridische leemten op te vullen inzake de mogelijkheden in het Belgische recht om een Europees aan houdingsbevel uit te vaardigen. In de eerste plaats kan een persoon die in het buitenland gedetineerd is krachtens dit ontwerp zijn eigen proces in België bijwonen. De wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis werd aangepast zodat de recht bank een aanhoudingsbevel kan uitvaardigen tegen een in het buitenland gedetineerde persoon wanneer die persoon uitdrukkelijk uiting heeft gegeven aan de wens om in België in persoon te kunnen verschijnen. Die aanpassing heeft tevens geleid tot een wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel,  zodat het parket een Europees aanhoudingsbevel kan uitvaardigen op grond van het aanhoudingsbevel van de rechtbank met het oogmerk de tijdelijke uitlevering te vragen aan de autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die persoon zich bevindt.

De wet strekt ook ertoe de uitvaardiging mogelijk te maken van een Europees aanhoudingsbevel tegen minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten en tegen wie een voorlopige of definitieve maatregel tot plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling  werd uitgesproken door de jeugdrechter of de jeugdrecht bank. In dat geval vaardigt het parket een Europees aanhoudingsbevel uit n uitvoering van de rechterlijke beslissing. Die bepaling beoogt de Belgische rechterlijke autoriteiten de mogelijkheid te bieden om de uitlevering van die minderjarigen te vragen als zij zich op het grondgebied  bevinden van een lidstaat van de Europese Unie teneinde de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer te kunnen leggen. Thans bestaat die mogelijkheid alleen voor de minderjarigen die vooraf uit handen waren gegeven.

Volg het on demand seminarie Up-to-date straf- en strafprocesrecht met Philip TRAEST

De wet voert  verder een taalkundige verbetering in de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen en de invoeging van een nieuwe Titel VIter betreffende  de samenwerking  met de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo in.

De invoeging van deze nieuwe Titel VIter in de wet van 29 maart 2004 moet een algemeen wettelijk kader verschaffen aan de samenwerking van België met de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, die belast zijn met de vervolging van bepaalde misdaden gepleegd  in Kosovo tussen 1 januari 1998 en 31 december 2000, en de toepassing van de bepalingen van de wet van 29 maart 2004 uitbreiden tot die kamers.

De wet van 25 december 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie organiseert het onaf hankelijke toezicht op het gevangeniswezen en de behandeling van gedetineerden door de Centrale toezichtsraad en de commissies van toezicht. De Centrale toezichtsraad en de commissies van toezicht worden dotatiegerechtigde instellingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De oprichting van deze toezichtsorganen als dotatiegerechtigde instellingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers bij de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie, vergt even wel bijkomende aanpassingen aan de betreffende artikelen van de Basiswet om de overheveling van deze organen bij de Kamer zo vlot mogelijk te doen verlopen. Dit heeft de wet ook tot doel.

De andere voorgestelde wijzigingen aan de Basiswet met betrekking tot de gezondheidszorg van de gedetineerden zijn de eerste stappen naar een integratie van de penitentiaire gezondheidszorg in de reguliere gezondheidszorg. De aanpassingen geven uiting aan het principe  van gelijkwaardigheid  van de penitentiaire gezondheidszorg  aan de reguliere gezondheidszorg. De gelijkwaardigheid geldt op het vlak van de geneeskundige verstrekking, de zorgcontinuïteit en alle waarborgen van gezondheidszorg die ook in de vrije samenleving gelden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de algemene basiswetgeving betreffende de zorg ook van toepassing is op de penitentiaire zorgverstrekking.

De wet beoogt nog de oprichting van transitiehuizen in de context van een gedifferentieerd gevangenisbeleid.

Een transitiehuis is een kleinschalig project waarbij een gedetineerde, die hiervoor geselecteerd wordt op basis van een aantal criteria, prioritair maar niet uitsluitend wat diens veiligheidsprofiel betreft, tegen het einde van zijn te ondergane strafduur de kans krijgt om deze door te brengen in een aangepaste infrastructuur waar gewerkt wordt rond een aantal principes zoals zelfstandig wonen, werk zoeken, relaties aangaan en opnieuw functioneren buiten beveiligde muren.

Tenslotte, voorziet de wet  in de bekrachtiging van vier koninklijke besluiten ter uit voering van de wetgeving over de gerechtskosten, inzonderheid artikel 6 van de programmawet (II) van 27 december 2006, zulks overeenkomstig de Grondwet waarin is bepaald dat de wetgever alle inkomsten en uitgaven van de Staat moet regelen.

Inwerkingtreding

De wet treedt in werking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad. De hervorming van de herzieningsprocedure in strafzaken treedt in werking op een bij KB te bepalen data en uiterlijk op 1 maart 2019

Lees de volledige tekst van de wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken