Hervorming burgerlijk recht 2016-2017

Geschreven door Lexalert
Foto: Kat Grigg  

De beleidsbrief 2016-17 van minister Koen Geens voorziet in een hervorming van het burgerlijk recht.

Belangrijke delen van het burgerlijk recht zijn verouderd en onoverzichtelijk geworden. Heel wat bepalingen van het Burgerlijk Wetboek werden sinds 1804 niet meer gewijzigd. Er vonden heel wat ontwikkelingen plaats in de rechtspraak. Het is ook belangrijk om een juist evenwicht te vinden tussen de individuele belangen en het algemeen belang, de contractsvrijheid en de bescherming van de zwakke partij en tussen de contracterende partijen en de rol van de rechter. Tegelijk moet rekening gehouden worden met de technologische ontwikkelingen (o.a. in het bewijsrecht) en de nieuwe uitdagingen die eruit voortvloeien (o.a. in het aansprakelijkheidsrecht).

Om die reden worden er verschillende ingrijpende wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek voorbereid die tot doel hebben dit wetboek modern en transparant te maken. Daartoe werden zes werkgroepen opgericht die zijn samengesteld uit experten in de materie. Deze werkgroepen buigen zich respectievelijk over een grondige hervorming van het verbintenissenrecht, het bewijsrecht, het aansprakelijkheidsrecht, het zakenrecht, de lening en de persoonlijke zekerheden. In een tweede tijd zullen de andere dan voormelde contracten worden aangepakt. Deze hervorming moet de centrale plaats van het Burgerlijk Wetboek in het privaatrecht herstellen en bijdragen aan een grotere voorspelbaarheid van juridische geschillen, wat toelaat om overbodige processen te vermijden, zowel in het belang van de rechtszoekende als de openbare overheden.

De grondige hervorming van de Wetboeken zal in de komende maanden in een afzonderlijk beleidsplan verder uitvoerig worden toegelicht.

Familie -en familiaal vermogensrecht
Hervorming van het erfrecht en het relatievermogensrecht
Huur na overlijden
Zorgenkinderen
Levenloos geboren kind
Sociaal ouderschap
Een statuut voor pleegouders
Hervorming van het afstammingsrecht
Objectivering onderhoudsuitkeringen
Transgenders
Informatisering burgerlijke stand
Bijsturing en uitvoering van nieuwe wetgeving
Andere delen van het burgerlijk recht

Familie -en familiaal vermogensrecht

De samenleving is de afgelopen 200 jaar grondig geëvolueerd op meerdere vlakken. Deze evoluties maken wetgevende initiatieven noodzakelijk om werk te maken van een modernisering van het familierecht en een hervorming van het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht.

Het is daarbij belangrijk dat er nieuwe evenwichten worden gevonden en dat verouderde bepalingen worden aangepast aan de huidige samenleving en dit met eerbiediging van de fundamentele rechten.

Naast de modernisering van belangrijke delen van het familieen familiaal vermogensrecht zal ook verder ingezet worden op een goede werking van de familierechtbanken, de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en de uitvoering van de wetgeving inzake de kinderontvoeringen. Tegelijk werden een aantal verbeteringen voorbereid aan het Wetboek Belgische Nationaliteit, het Wetboek van Internationaal Privaatrecht en de adoptiewetgeving en dit op basis van concrete pijnpunten aangeleverd door de praktijk.

Hervorming van het erfrecht en het relatievermogensrecht

De belangrijkste uitdaging in het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht is een nieuw evenwicht te vinden tussen de familiale solidariteit en de beschikkingsvrijheid van het individu zoals ook blijkt uit de studie “Perceptie en verwachtingen over erven en nalaten in België” van de Koning Boudewijnstichting. De hervorming gaat in de richting van meer keuzevrijheid om te bepalen aan wie een erfenis toekomt. Er wordt o.m. de mogelijkheid tot verhoging van het beschikbare deel van de nalatenschap en het afsluiten van erfovereenkomsten onderzocht. Deze hervorming moet toelaten dat een regeling op maat van elke bijzondere gezinssituatie kan getroffen worden zonder dat daartoe een verplichting bestaat.

Om deze hervorming voor te bereiden werd een werkgroep opgericht die is samengesteld uit specialisten in deze materie. Deze werkgroep formuleerde in juli van dit jaar concrete aanbevelingen tot hervorming van het erfrecht die op dit ogenblik worden besproken binnen de regering. Deze besprekingen zullen tegen het einde van dit jaar worden afgerond en uitmonden in een wetgevend initiatief zodat er begin 2017 een parlementair debat gevoerd kan worden.

In het raam van deze hervorming wordt, zoals aangegeven, ook aandacht besteed aan een duidelijk kader inzake de patrimoniale rechten en plichten van wettelijk en feitelijk samenwonenden. De nadruk zal daarbij in eerste instantie liggen op een goede informatieverstrekking en een duidelijk evenwicht tussen de rechten en plichten van samenwonenden hetgeen in het bijzonder van belang is bij crisismomenten in de relatie. In het kader van het plan gender mainstreaming liet het instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen een studie uitvoeren over de financiële gevolgen van relatiebreuken met een vergelijking van huwelijk en samenwoonsten vanuit genderperspectief. Met dit advies zal rekening gehouden worden bij de besprekingen. Aan de werkgroep werden verschillende opties voorgelegd die dit najaar worden besproken en zullen uitmonden in concrete aanbevelingen.

Bij deze hervorming wordt de nauwe samenhang van het vraagstuk van het erfrecht van respectievelijk de langstlevende echtgenoot en langstlevende wettelijk samenwonende met het huwelijksvermogensrecht en het relatievermogensrecht niet uit het oog verloren. Een eventuele hervorming van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende zal rekening houden met deze nauwe samenhang.

Op 17 augustus 2015 trad de Europese erfrechtverordening in werking. Om de uitvoering van deze verordening in België te verbeteren, is het wenselijk om het Belgische recht op enkele punten aan te passen. Het ontwerp “potpourri V” dat werd goedgekeurd door de Ministerraad op 20 juli 2016 bevat om die reden een aantal wijzigingen van het Wetboek internationaal privaatrecht teneinde te verwijzen naar de nieuwe bepalingen vastgelegd door de Verordening, het toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheid. Tegelijk werd in dit voorontwerp voorzien dat de verklaring van aanvaarding onder

voorrecht van boedelbeschrijving en de verwerping van de nalatenschap exclusief worden toebedeeld aan het notariaat die vandaag deze bevoegdheid delen met de griffie van de rechtbank van de plaats waar de nalatenschap is opengevallen. De burger kan daarbij rekenen op nabijheid en een goede informatieverstrekking. Het zal bovendien mogelijk worden om een nalatenschap op een eenvoudige en snelle manier voor een notaris af te handelen. Dit zal tevens ook leiden tot een aanzienlijke werklastvermindering voor de griffie van de rechtbank.

Het voorontwerp voorziet ook in de oprichting van een centraal erfrechtregister waar alle akten m.b.t. de verwerping van een nalatenschap of de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving evenals de erfrechtverklaringen bepaald door de Verordening en die de burger toelaten om zijn erfrechten te doen gelden in de verschillende lidstaten van de EU, worden opgenomen. Enkele aanvullende wijzigingen in het licht van de inwerkingtreding van de genoemde Verordening zullen op een later tijdstip wordt doorgevoerd.

Huur na overlijden

Er worden maatregelen getroffen om de terugvordering te versnellen van een goed door de verhuurder in geval van het overlijden van een huurder. Daartoe wordt dit najaar, na advies te hebben ingewonnen bij de stakeholders, samen met de Gewesten onderzocht welke maatregelen het meest passend zijn. Dit kan een wijziging van Gerechtelijk Wetboek inhouden om de terugvordering te versnellen van een goed door de verhuurder in geval van het overlijden van een huurder of een wijziging van het Burgerlijk Wetboek om de huur in beginsel automatisch te laten beëindigen bij het overlijden van de huurder. In ieder geval zal daarbij rekening worden gehouden met het recht van de langstlevende echtgenoot/wettelijk samenwonende om het huurcontract desgewenst verder te zetten. Tevens zal er in een redelijke termijn voorzien worden voor het onderbrengen van de goederen van de overledene.

Zorgenkinderen

Ouders van zorgenkinderen zijn vaak bezorgd over het lot van hun kinderen na hun overlijden. Het is voor hen een belangrijke geruststelling dat zij vooraf een patrimoniale regeling op maat van hun kind kunnen uitwerken zodat de continuïteit in het leven van hun kind ook na hun overlijden blijft gegarandeerd. Om die reden zullen er meer mogelijkheden tot het treffen van een regeling worden gecreëerd zonder dat daarbij geraakt wordt aan de rechten van het kind zoals opgenomen in het VN Verdrag van 13 december 2006 betreffende de rechten van personen met een handicap. Dit zal gerealiseerd worden door enerzijds meer beschikkingsruimte te creëren in het erfrecht (erfovereenkomsten) en anderzijds door de omkadering van constructies waarbij het kind dat niet in staat is om zelf zijn goederen te beheren het genot heeft van goederen die beheerd worden door vertrouwenspersonen aangeduid door de ouders.

Ter uitvoering van het “Actieplan Handicap” zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan het erfrecht van gehandicapte personen. Daarbij zal onderzocht worden hoe het erfrecht maximaal kan rekening houden met de wensen en verlangens van de betrokken persoon en de goede zorg door de omgeving kan stimuleren.

Levenloos geboren kind

Er wordt verder gewerkt aan een nieuwe wetgeving rond de naam en registratie van levenloos geboren kinderen. Daartoe werd een grondige studie uitgevoerd door de administratie met als doel de behoeften op het terrein te meten, de verschillende oplossingspistes in kaart te brengen en de gevolgen van deze oplossingen te onderzoeken. Op 6 mei 2015 werden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd in de commissie voor de Justitie.

De commissie Justitie oordeelde om sneller voortgang te maken met dit dossier en op basis van de neergelegde wetsvoorstellen het debat te openen.

Om het debat in de commissie Justitie opnieuw op te starten, wordt er een voorontwerp voorbereid dat dit najaar zal besproken worden binnen de regering op basis van de wetsvoorstellen hangende in de Kamer. Dit voorontwerp heeft tot doel tegemoet te komen aan de behoeften van sommige ouders in hun rouwverwerking zonder dat er juridische persoonlijkheid wordt toegekend aan een levenloos geboren kind. Het voorontwerp zal ouders van een levenloos geboren kind evenmin bijkomende verplichtingen opleggen.

Sociaal ouderschap

Er zal een denkoefening worden opgestart over de notie van sociaal ouderschap en waarbij onder meer wordt nagaan welke persoonlijke en vermogensrechtelijke, in het bijzonder erfrechtelijke, gevolgen er gehecht kunnen worden aan de band die bestaat tussen een persoon die betrokken is of is geweest bij het onderhoud en de opvoeding van een kind zonder te raken aan de afstamming en de primaire verantwoordelijkheid van de ouders.

Een statuut voor pleegouders

Pleeggezinnen spelen een belangrijke rol in onze samenleving. Om de struikelblokken te verhelpen waarmee zij geconfronteerd worden en die het normale gezinsleven voor het kind in het pleeggezin verstoren, zal er een statuut voor pleegouders worden gecreëerd.

De commissie voor de Justitie besliste om snel voortgang te maken met dit dossier op basis van de ingediende wetsvoorstellen. Over die wetsvoorstellen werden inmiddels hoorzittingen georganiseerd. Daarnaast zijn er adviezen ingewonnen bij de gemeenschappen. Alle gegevens liggen nu op tafel en het debat kan opgestart worden. De minister van Justitie zal deze werkzaamheden ten volle ondersteunen.

Het is belangrijk dat bij de uitwerking van dit statuut rekening wordt gehouden met de primaire verantwoordelijkheid van de ouders en de rol die pleegouders spelen in het leven van het kind. Het statuut zal ook rekening moeten houden met de diverse vormen van pleegzorg waaronder de door de gemeenschappen georganiseerde pleegzorg.

Hervorming van het afstammingsrecht

Rekening houdend met de rechtspraak van de hoogste rechtscolleges wordt het afstammingsrecht gemoderniseerd. De bedoeling is om een evenwicht te creëren tussen het sociaal en het biologische ouderschap. Dit kan zich uiten in een herdenking van enerzijds de rol van het bezit van staat en anderzijds de impact van medisch begeleide voortplanting op de vestiging van een afstammingsband.

Hoewel op het ogenblik van de redactie van deze beleidsnota er nog steeds prejudiciële vragen m.b.t. het afstammingsrecht hangende zijn bij het Grondwettelijk Hof, heeft de administratie reeds een uitgebreid overzicht opgemaakt van alle arresten die werden gewezen en de beleidsvragen die zich daarbij aandienen. Op basis van deze nota zal er tegen begin 2017 een voorontwerp worden voorbereid tot hervorming van het afstammingsrecht.

In samenspraak met de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie wordt bijzondere aandacht besteed aan het fenomeen van de schijnerkenningen en dit met respect voor het familiaal leven en ieders privacy. Vastgesteld kan worden dat de versterking van de strijd tegen schijnhuwelijken en schijn wettelijke samenwoningen tot gevolg heeft gehad dat de misbruiken zich verplaatst hebben naar de erkenning van een kind louter met het oog op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel. Er werd ondertussen een voorontwerp voorbereid dat concrete maatregelen op preventief en repressief vlak bevat en aan de regering werd voorgelegd.

Objectivering onderhoudsuitkeringen

De Commissie voor onderhoudsbijdragen vatte in januari 2016 haar werkzaamheden aan en brengt zo alle actoren rond de vaststelling en uitvoering van onderhoudsuitkeringen samen. Bedoeling van de Commissie is de eenvormigheid van het beleid inzake onderhoudsuitkeringen te vergroten over de jurisdicties en diverse actoren heen.

Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de problematiek van het zich “onvermogend maken” van onderhoudsplichtigen, waardoor onderhoudsgerechtigden in de kou blijven staan. Correcte onderhoudsuitkeringen betekenen voor onze kinderen, die toch de toekomst van onze maatschappij vormen, een belangrijke stap in de strijd tegen armoede. De mogelijkheid krijgen te studeren biedt een garantie op een solide toekomst van werkende Belgen die zo de basis blijven vormen van ons pensioenen sociale zekerheidsstelsel. Deze Commissie heeft de bedoeling hen een stem te geven.

Deze Commissie zal ook een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van het genderbeleid van deze Regering. Het zijn nog steeds vrouwen die de meeste gezinstaken op zich nemen en minder werken om voor het gezin te zorgen. Ook hun toekomst moet verzekerd worden indien het gezin uiteenvalt. Ook hiervoor zal de Commissie voorstellen uitwerken.

Transgenders

Er werd in samenspraak met de staatssecretaris voor gelijke kansen een voorontwerp voorbereid dat ertoe strekt de wet van 10 mei 2007 aan te passen in het licht van de internationale mensenrechtenverplichtingen.

Dit voorontwerp voorziet in de schrapping van de medische voor waarden zoals ook aangegeven in punt 6.2 van de resolutie van de Raad van Europa van 22 april 2015 (2048 (2015)). Een opheffing van de medische voorwaarden zal gepaard moeten gaan met het inschrijven van voldoende garanties tegen misbruik en tegen het lichtzinnig wijzigen van het geslacht zoals ook uit rechtsvergelijkend onderzoek blijkt. Het geslacht blijft immers een element van de staat van de persoon.

Voorts besteedt dit voorontwerp ook aandacht aan de impact van de geslachtswijziging op de afstamming en het recht op eerbied voor het privéleven van de transgender bij het afleveren van afschriften of uittreksels van de burgerlijke stand.

Informatisering burgerlijke stand

De modernisering en informatisering van de burgerlijke stand zal worden voortgezet. De burger moet kunnen rekenen op een toegankelijke en efficiënte burgerlijke stand.

Er werden reeds uniforme modellen van akten opgemaakt voor de voorziene digitalisering van de akten in 2018.

Een juridische werkgroep zal de wijziging van het Burgerlijk Wetboek begeleiden en dit ambitieuze project aldus omzetten op juridisch vlak, uitgaande van het werkdocument dat is voorbereid van de administratie. Andere werkgroepen zullen instaan voor de verschillende onderdelen van het project (technisch, organisatorisch, juridisch, procedureel, enz.).

Vanuit die optiek zal het wetsontwerp houdende de bekrachtiging van Overeenkomst nr. 34 van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand (ICBS) inzake de afgifte van meertalige en gecodeerde uittreksels en attesten van de burgerlijke stand worden ingediend bij het parlement met het oog op een betere uitwisseling van gegevens van de burgerlijke stand op internationaal niveau.

Bijsturing en uitvoering van nieuwe wetgeving

De familierechtbanken werden meer dan twee jaren geleden opgericht. De werking ervan wordt voortdurend geëvalueerd door een werkgroep. Deze werkgroep heeft zich het afgelopen jaar gebogen over het hoorrecht van minderjarigen. Een nieuw model van oproepingsbrief dat werd afgetoetst bij de minderjarigen zelf kwam tot stand met behulp van de kinderrechtencommissarissen. Momenteel behandelt deze werkgroep een vraagstuk dat naar aanleiding van de bespreking van het wetsvoorstel tot invoering van een statuut voor pleegzorgers werd opgeworpen, nl. de verhouding tussen een jeugdbeschermingsmaatregel (jeugdrechtbank) en een maatregel die verband houdt met het ouderlijk gezag (familierechtbank). Daarnaast werden een aantal kleine procedurele verbeteringen van de werking van de familierechtbanken voorbereid die werden ingeschreven in het ontwerp van de vijfde potpourriwet dat dit najaar wordt voorgelegd aan het parlement.

De wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid trad net als de wet op de familierechtbank in werking op 1 september 2014. Vanuit de praktijk werden een aantal suggesties geformuleerd om de werking van de wet in het licht van de geest ervan te verbeteren en de overbodige werklast te verminderen. Deze suggesties werden grondig onderzocht en opgenomen in een voorontwerp dat dit najaar aan de regering wordt voorgelegd. Gelijktijdig met deze verbeteringen wordt er een informatisering van de procedure inzake bewindvoering voorbereid. Er wordt een centraal digitaal dossier op een platform opgericht waartoe de verschillende actoren toegang hebben volgens een vastgelegd toegangsbeheer. Het verloop van de procedure zal in de toekomst maximaal op elektronische wijze verlopen. Voorts zal het ook mogelijk worden om elektronisch te communiceren tussen de verschillende actoren op een performante wijze. De website van de FOD justitie werd gebruiksvriendelijker gemaakt en de modellen en een informatiebrochure werden er ter beschikking gesteld. Verder wordt de laatste hand gelegd aan een Koninklijk Besluit houdende een lijst met gezondheidstoestanden (art. 492/5 BW) en een Koninklijk Besluit m.b.t. de kosten en erelonen van de bewindvoerders (art. 497/5 BW) en dit in samenspraak met de betrokken actoren. Daarna zal ook werk gemaakt worden van een Koninklijk Besluit die de uitoefening van de functie van bewindvoerder afhankelijk zal maken van bepaalde voorwaarden (art. 497/1 BW). Ten slotte zal ook de procedure tot ratificatie van het Verdrag van Den Haag van 13 januari 2000 over de internationale bescherming van volwassenen worden opgestart.

Het vraagstuk m.b.t. de naamgeving is steeds een gevoelig onderwerp. Op internationaal vlak rijzen er vaak problemen met de naam van Belgische onderdanen die in een buitenlandse geboorteakte wordt vermeld. De lokale diensten van de burgerlijke stand zouden dikwijls een regel toepassen die niet helemaal overeenkomst met ons recht. Dit zou nog meer het geval zijn sedert de nieuwe naambepalingen werden ingevoerd bij de wet van 8 mei 2014. De bepalingen van het wetboek internationaal privaatrecht verschaffen niet voldoende steun meer om de talrijke problemen op te lossen. Bovendien is het niet aangepast aan de principes zoals die door het Hof in Luxemburg werden uitgesproken. Om die reden werd in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken in het voorontwerp van wet “potpourri V” een aanpassing van het wetboek internationaal privaatrecht voorbereid. Op nationaal vlak vernietigde het Grondwettelijk Hof bij arrest van 14 januari 2016 het nieuwe artikel 335, § 1, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat in geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze het kind de naam van de vader draagt. Er werd in samenspraak met de Staatssecretaris voor gelijke kansen een voorontwerp voorbereid om deze discriminatie weg te werken dat momenteel binnen de regering wordt besproken. Voorts werd er een denkoefening opgestart om de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen te moderniseren en dit o.a. met het oogmerk tergende en herhaalde verzoeken te vermijden en de procedure te vereenvoudigen. In het ontwerp van de vijfde potpourriwet wordt een eerste wetgevende maatregel strekkende tot vereenvoudiging van de procedure inzake voornaamswijzigingen voorgesteld.

Op vraag van de Gemeenschappen bevat het ontwerp van “potpourri V” ook een voorstel tot verbetering van het adoptierecht, in het bijzonder met het oog op de invoering van een voorafgaand geschiktheidsvonnis in de procedure voor binnenlandse adoptie naar analogie met de internationale adoptie. Tegelijk zal deze wet ook zorgen voor duidelijkheid en rechtszekerheid m.b.t. de vraag of een adoptie na Kafala kan uitgesproken worden.

Door de vele wijzigingen van het Wetboek Belgische Nationaliteit wordt de praktijk geconfronteerd met een aantal knelpunten zoals onduidelijkheden en uiteenlopende toepassingen van bepaalde wetsartikelen. Om deze knelpunten aan te pakken werd een voorontwerp voorbereid dat de duidelijkheid en de leesbaarheid van het Wetboek moet verbeteren. Dit voorontwerp zal weldra worden voorgelegd aan de regering. Tegelijk werd er dit najaar een rondetafelgesprek georganiseerd met de Gemeenschappen over het bewijs van maatschappelijke integratie en de impact ervan op de verkrijging van de Belgische nationaliteit en dit met het oog op rechtszekerheid en een gelijke behandeling tussen alle kandidaat-Belgen.

De uitvoering van de grensoverschrijdende maatregelen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van kinderen doet in de praktijk soms problemen rijzen. Het ontwerp “potpourri V” zal de artikelen 1322bis e.v. van het Gerechtelijk Wetboek wijzigen met het oog op een snelle en effectieve uitvoering van de maatregelen die getroffen worden in het kader van een kinderontvoering. Het ontwerp van samenwerkingsakkoord getroffen ter uitvoering van de Verordening 2201/2003 en het Haags Verdrag van 19 oktober 1996 werd besproken met de Gemeenschappen en zal ter politieke bekrachtiging worden voorgelegd op de volgende interministeriële conferentie.

Andere delen van het burgerlijk recht

Ook andere delen van het burgerlijk recht zijn verouderd en onoverzichtelijk geworden. Zo kan onder meer het kooprecht met betrekking tot de roerende goederen het voorwerp uitmaken van vereenvoudiging en uniformisering. Deze delen zullen bijgewerkt worden in het kader van de grote hervorming van de wetboeken, in het bijzonder die van het Burgerlijk Wetboek (zie hoger).

Om het beheer van de mede-eigendommen en de daaraan verbonden kosten op te volgen werd er een werkgroep opgericht samengesteld uit de verschillende actoren uit de sector. Deze werkgroep heeft als opdracht de gevolgen te analyseren van de recente wetswijzigingen, deze amenderen of vervolledigen. Er vonden reeds meerdere vergaderingen plaats. In overleg met de sector werd een lijst met knelpunten opgesteld die punt per punt wordt besproken. De werkgroep zal tegen het einde van dit jaar een aantal concrete beleidsaanbevelingen formuleren. Tegelijk werd er in samenwerking met de minister van Economie, de minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s en de minister van Financiën een Koninklijk Besluit m.b.t. de nadere regels voor de inschrijving van de syndicus in de Kruispuntbank van Ondernemingen voorbereid ter uitvoering van artikel 577-8, § 2/1 van het Burgerlijk Wetboek dat tegen 1 januari in werking zal treden.

De slachtoffers van massaschade veroorzaakt in diverse publieke en private domeinen of door een ramp (zoals bijvoorbeeld een gasexplosie, een treinongeval) moeten minstens kunnen genieten van een eenvoudige toegang tot Justitie waarbij doeltreffendheid, redelijke termijn en eerbied voor de rechten van partijen de drie belangrijkste uitgangspunten moeten zijn. Op dit ogenblik wordt de wet van 28 maart 2014 die in boek XVII van het Wetboek economisch recht “De rechtsvordering tot collectief herstel” heeft ingevoegd, geëvalueerd. Rekening houdende met deze evaluatie wordt de mogelijkheid tot instelling van een gemeenrechtelijke procedure inzake schadeafwikkeling onderzocht.

In dezelfde optiek werd onderzocht of een versnelde procedure van schadeafwikkeling mogelijk is bij bepaalde vormen van foutloze aansprakelijkheid. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot een voorontwerp dat dit najaar zal voorgelegd worden aan de regering