Gedaan met de hoge bedragen aan voordelen alle aard bij de woning van de bedrijfsleider?

Geschreven door Mrs. Robin Messiaen - Alain Claes, Sherpa Law, www.sherpalaw.be
Foto: Mathieu Cheviron  

De forfaitaire waarderingsregels voor kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen zijn opgenomen in artikel 18 KB/WIB 1992.

In geval van terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon wordt het voordeel als volgt bepaald:

Geïndexeerd KI x 100/60

Maar in geval van terbeschikkingstelling door een rechtspersoon gelden de volgende berekeningswijzen:

Geïndexeerd KI x 100/60 x 1,25 indien niet-geïndexeerde KI ≤ 745 EUR

Geïndexeerd KI x 100/60 x 3,8 indien niet-geïndexeerde KI > 745 EUR

Het belastbaar voordeel van alle aard wordt dus hoger gewaardeerd als een rechtspersoon het onroerend goed ter beschikking stelt t.o.v. een natuurlijke persoon: het belastbaar voordeel, zoals van toepassing bij terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon, wordt bijkomend vermenigvuldigd met de factor 1,25 of 3,8.

Volg het on demand seminarie Van éénmanszaak naar vennootschap (of omgekeerd) – Het fiscaal omslagpunt met Roel VAN HEMELEN

Rechtspraak volgt wetgever niet

Een tijdje geleden heeft de rechtspraak zich evenwel tegen deze wettekst gekeerd. Zowel het hof van beroep te Gent als het hof van beroep te Antwerpen oordeelden dat het onderscheid tussen terbeschikkingstelling door rechtspersonen en door natuurlijke personen bij de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard woning discriminerend en ongrondwettelijk is in die mate dat het voordeel op een hoger bedrag wordt gewaardeerd als het een rechtspersoon is die het gebouw ter beschikking stelt. Zowel het hof van beroep te Gent als het hof van beroep te Antwerpen oordeelden terecht dat er geen redelijke en objectieve verantwoording is voor dit onderscheid. De btwiste aanslagen werden vernietigd in de mate waarin het voordeel werd belast volgens de regels voorzien in het KB in het geval waarin het onroerend goed werd ter beschikking gesteld door een rechtspersoon.

Ongrondwettig, maar dan….

Hoe moest het wegvallen van deze hogere waarderingsregels nu ingevuld worden Waar de belastingplichtigen vanzelfsprekend de stelling verdedigden dat het voordeel aldus diende gewaardeerd te worden overeenkomstig de algemene, gunstigere, regel uit het KB (zonder vermeerdering met de coëfficiënt), argumenteerde de fiscale administratie dat ingevolge de schending de volledige forfaitaire raming buiten toepassing zou moeten gelaten worden en dat de raming van het voordeel zou dienen te gebeuren volgens de werkelijke waarde in hoofde van de genieter (d.i. de reële huurwaarde van de woningen in kwestie).

Het hof van beroep te Gent heeft nu in een arrest van 20 februari 2018 geoordeeld dat – gelet op de vastgestelde schending van het gelijkheidsbeginsel – wel degelijk de algemene (gunstigere) regel van de forfaitaire vaststelling dient te worden toegepast. De waardering van het voordeel op basis van de werkelijke huurwaarde werd dus afgewezen door het hof.

Lees ook de update: Voordeel alle aard huisvesting: hoger/lager? Wie niet graag gokt, denkt beter even na

Administratie legt zich eindelijk neer bij rechtspraak

Met dit arrest is er dus meer duidelijkheid over de gevolgen van de vastgestelde schending van het gelijkheidsbeginsel. Het arrest is nog niet definitief, maar de berichten in de media doen vermoeden dat de kans klein is dat de administratie alsnog een voorziening in Cassatie zal indienen. In De Tijd is gisteren immers het bericht verschenen dat Minister Van Overtveldt zou beslist hebben “om het onderscheid ongedaan te maken”.

Dit zou niet alleen einde moeten stellen aan de wijze waarop de leemte moet opgevuld worden, maar zou tevens moeten beteken dat in alle betwistingen met de fiscus voortaan wordt rekening gehouden met voormelde rechtspraak. In de praktijk moest men immers vaststellen dat de administratie in betwistingen pertinent weigerde om het standpunt van de rechtspraak te volgen inzake voormeld coëfficiënt.

De weg voorwaarts….

Voor wie zijn voordeel van alle aard nog moet aangeven, zijn er thans voldoende redenen om de algemene forfaitaire formule toe te passen bij de berekening.

Maar ook even terugblikken

Maar wat voor het verleden? Voor de belastingplichtigen die voorlopig nog geen actie ondernomen hebben tegen hun ongrondwettelijk bepaalde voordelen van alle aard, lijkt het ogenblik gekomen om dit zo snel mogelijk te doen.

In dit verband is het ook belangrijk dat het hof van beroep te Antwerpen in het verleden al heeft geoordeeld (arrest van 24 januari 2017) dat het feit dat de bedrijfsleider zelf het voordeel gewaardeerd had zoals voorgeschreven door de bestaande fiscale wetgeving, geen beletsel vormt om deze waardering nadien aan te vechten, in de mate dat hij een dwaling in feite of in rechte kan aantonen. En in casu aanvaardde het hof dat de bedrijfsleider in zijn aangifte een dwaling in rechte heeft begaan door toepassing te maken van een waarderingsregel die ongrondwettelijk is.

Alle bedrijfsleiders die een woning van hun vennootschap privé gebruiken en die tegen bovenvermelde discriminerende regeling willen ageren, hebben er alle belang bij om een bezwaarschrift in te dienen zolang de bezwaartermijn nog loopt voor die aanslagen waarin de voordelen te hoog gewaardeerd werden.

Indien deze termijn al verstreken is, kan ook overwogen worden om een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen. De administratie kan onder bepaalde voorwaarden ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting of uit afdoende bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingplichtige wordt verantwoord door gewettigde redenen.

De slaagkansen van een verzoek tot ambtshalve zijn weliswaar beperkter aangezien artikel 376, §2 WIB 1992 uitdrukkelijk bepaalt dat een wijziging in de rechtspraak geen nieuw feit uitmaakt dat toelaat om (buiten de bezwaartermijn) op eerdere aanslagen terug te komen. Het lijkt ons evenwel verdedigbaar dat het nieuw standpunt van de Minister kan kwalificeren als een nieuw feit in de zin van artikel 376 WIB 1992.

En de verdere toekomst?

Het bovenstaande heeft enkel betrekking op lopende dossiers. Een al even belangrijke maar op heden onder – of zelfs onbelichte vraag is welke impact dit heeft op toekomstige investeringsbeslissingen. De beperkte berichten in de media laten immers vermoeden dat er voor bedrijfsleiders van vennootschappen een algemene verlaging komt van de voordelen van alle aard (tot op het niveau van het “voordeel alle aard-eenmanszaak”). Op het eerste gezicht is dat uiteraard schitterend nieuws voor de liberaal denkende geest maar de vraag is of dit niet wat van het goede te veel is om duurzaam te zijn. De voordelen van alle aard worden daarmee immers soms historisch laag en staan allesbehalve nog in verhouding met een reële huurwaarde in de meeste gevallen. Op korte termijn zal dat de belastingplichtige en zijn adviseur natuurlijk worst wezen. Vastgoedinvesteringen zijn echter investeringen in de lange termijn en het valt niet uit te sluiten – veeleer te verwachten – dat de bakens in de toekomst opnieuw verzet zullen worden, desgevallend in een anders gekleurde legislatuur. Zodoende wordt het wat schizofreen plannen aangezien danig moet rekening worden gehouden met potentiële (negatieve) wijzigingen in de toekomst, die mogelijk een grotere impact zullen hebben op de projecten dan de aangekondigde “goed nieuws-show” op korte termijn. Hoe dit allemaal concreet in de juiste vorm moet gegoten worden, wordt voorlopig met de nodige omzichtigheid benaderd. Om te beginnen is het wachten op een officiële stellingname.

Het team van Sherpa Law heeft over de jaren heen een ruime expertise uitgebouwd in fiscale procedure en planning en kan u derhalve met de nodige raad en daad bijstaan.