Forfaitaire waardering gratis woonst – Hoofdstuk 4: Arrest hof van beroep is “nieuw feit” voor verzoek tot ambtshalve ontheffing

Geschreven door Mrs. Ellen Vandingenen - Vincent Vercauteren, Tiberghien, www.tiberghien.com - Ben Van Vlierden
Foto: Jukka Zitting  

1. Aan het verhaal van de forfaitaire waardering van de gratis woonst lijkt maar geen einde te komen. Na de veelvuldige – uiteindelijk vaste – rechtspraak over het ongrondwettelijk karakter van het onderscheid bij de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een natuurlijke persoon dan wel door een rechtspersoon, gevolgd door de Circulaire 2018/C/57 van 15 mei 2018 en de aanpassing van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 door het KB van 7 december 2018, zijn wij vandaag bij hoofdstuk 4 van de saga beland.

Wat voorafging

2. Laten we beginnen bij het begin. De gratis terbeschikkingstelling van een gebouwd onroerend goed door de werkgever of vennootschap vormt een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van de werknemer of bedrijfsleider die het privé gebruikt (cf. oud art. 18, §3, punt 2 KB/WIB92). Dit voordeel werd forfaitair vastgesteld op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen (hierna “KI”) van dit gebouwd onroerend goed. Indien, echter, de terbeschikkingstelling gebeurt door een rechtspersoon, werd het voordeel forfaitair geraamd op 100/60 van het geïndexeerd KI vermenigvuldigd met 1,25 of 3,8 (afhankelijk van het niet-geïndexeerd KI dat kleiner is dan resp. groter is dan 745 EUR).  

3. De rechtspraak oordeelde de laatste jaren quasi éénduidig dat de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het kosteloos ter beschikking stellen van een onroerend goed (woning) discriminerend was. In concrete gevallen mocht het verhoogde forfait (met aldus de toepassing van de factor 1,25 of 3,8) niet meer worden toegepast.

4. Op 15 mei 2018 publiceerde de FOD Financiën haar Circulaire 2018/C/57 waarbij het voordeel van alle aard moest berekend worden overeenkomstig artikel 18, §3, punt 2, eerste lid KB/WIB92 (en dus zonder de factor 1,25 of 3,8), ongeacht door wie het voordeel van alle aard werd toegekend.

De Circulaire bevestigde daarbij dat de fiscale administratie akkoord kon gaan met de bezwaarschriften en de rechtsprocedures waarbij de berekening conform de rechtspraak werd toegepast.  

Wat betreft de verzoeken tot ambtshalve ontheffing cf. artikel 376, §1 WIB92 stelt de Circulaire echter dat deze vragen moeten afgewezen worden “om reden dat niet voldaan is aan de voorwaarden voorzien in artikel 376, §1 en §2, WIB 92. Art. 376, §2, WIB 92 bepaalt immers dat een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven wordt beschouwd [met verwijzing naar een nog niet-gepubliceerd vonnis van 7 februari 2018 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 17/2259/A]”.

5. Om die verschillende behandeling weg te werken, moest artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 nog wel worden aangepast. Dit is ondertussen gebeurd via het Koninklijk Besluit van 7 december 2018 tot wijziging van het KB/WIB92 op het stuk van de voordelen van alle aard voor de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen (BS 27 december 2018), en van toepassing op de vanaf 1 jaunari 2019 betaalde of toegekende voordelen. Dit KB vervangt het eerste en het tweede lid van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB92 als volgt:

Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/90 van het kadastrale inkomen van ongebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan.   
Voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan wordt het voordeel forfaitair vastgesteld op 100/60 van het kadastrale inkomen, vermenigvuldigd met 2
.”

6. De mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot ambtshalve ontheffing bleef ondertussen nog steeds een twistpunt. Artikel 376, §2 WIB92 bepaalt inderdaad uitdrukkelijk dat een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie niet wordt beschouwd als een “nieuw feit”.

Toch legden veel belastingplichtigen zich niet neer bij het standpunt van de fiscale administratie in haar Circulaire van 15 mei 2018, en zij dienden alsnog een verzoek tot ambtshalve ontheffing in. Als “nieuw feit” werd verwezen naar 1) de verklaring van de Minister van Financiën Van Overtveldt in de media (De Tijd, 7 maart 2018) om de discriminatie definitief ongedaan te maken (“Daardoor worden bedrijfsleiders terug op een realistisch voordeel belast in plaats van op een doorgaans veel te hoog voordeel”), en 2) de uitspraken van de Hoven van Beroep te Gent op 24 mei 2016 en 20 februari 2018 en te Antwerpen op 24 januari 2017 die beiden hebben geoordeeld over de rechtsgeldigheid van een KB, waarvan de toets aan het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geen bevoegdheid is van het Grondwettelijk Hof doch wordt overgelaten aan de rechtbanken en hoven zelf, dit op basis van artikel 159 G.W. (cf. de kwalificatie van een arrest van het Grondwettelijk Hof als een “nieuw feit”).

Echter werden deze verzoeken tot ambtshalve ontheffing niet ingewilligd, waardoor aan belastingplichtigen de keuze werd gelaten om al dan niet een gerechtelijke procedure te starten. En vooralsnog met succes – zo blijkt nu.

Nieuwe wending – invulling van “nieuw feit” voor verzoek ambtshalve ontheffing

7. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft in een recent vonnis van 31 januari 2019 (A.R. 17/3178/A) geoordeeld dat het arrest dd. 24 mei 2016 van het Hof van Beroep te Gent (wat betreft het aspect van de ongrondwettigheid) terecht beschouwd kan worden als een “nieuw feit” dat niet binnen de normale bezwaartermijn kon worden ingeroepen voor de fiscale administratie.

De rechtbank oordeelt immers dat zij wel degelijk rekening dient te houden met een nieuw feit wanneer wettelijke bepalingen ongrondwettig worden verklaard. Dit nieuwe feit valt volgens de rechtbank niet onder de noemer “een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van de jurisprudentie” en kan niet gelijkgesteld worden met een wijziging in de (gewone) rechtspraak. Des te meer omdat een wettelijke bepaling die ongrondwettig wordt verklaard niet kan toegepast worden en aldus moet worden geremedieerd.

8. De beslissing is een bevestiging van een reeds lang bestaand antwoord dd. 12 december 2002 van de Minister van Financiën op een Parlementaire Vraag nr. 807 vanwege de heer Eerdekens: “De administratieve of rechterlijke jurisprudentie waarnaar artikel 376 verwijst, bestaat uit de interpretatie en de toepassing, door de administratieve of gerechtelijke instanties, van de wettelijke bepalingen waarvan de geldigheid niet wordt betwist; […]” (Parl.Vr. nr. 807 vanwege de heer Eerdekens dd. 17 oktober 2001, QRVA 50, 50-2002/2003, 149). A contrario kan een wijziging van de rechtspraak dus wel kwalificeren als een “nieuw feit” indien uitspraak wordt gedaan over de wettigheid van een regelgevende norm.

En wat nu?

9. Uiteraard maakt één zwaluw de lente nog niet. Deze rechtspraak is vooralsnog uniek in zijn soort, en er moet afgewacht worden of de Belgische Staat hiertegen al dan niet hoger beroep zal instellen en/of andere rechtspraak zich ondertussen ontwikkelt.       

10. Belastingplichtigen kunnen dus wel overwegen om nu – met meer slaagkans dan ervoor – een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen.

Voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing moet de belastingplichtige de overbelasting op basis van een “nieuw feit” kenbaar maken aan de administratie binnen 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting gevestigd werd. Aanslagen die gevestigd zijn in 2015 en later komen hiervoor dus mogelijks nog in aanmerking.

Voor de toepassing van een verzoek tot ambtshalve ontheffing mag de aanslag wel niet reeds het voorwerp zijn geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond van de zaak (cf. art. 376, §1, 2° WIB92).