Fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven

Geschreven door Lexalert
Foto:   looseid

De FOD Financiën publiceerde op 17 juli 2018 de circulaire 2018/C/89 betreffende het fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven.  

I. Inleiding
II. Wettelijke bepalingen
III. Bespreking

A. Definitie en doel van inschakelingsbedrijven
B. Invoeging van het fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven in het WIB 92

1. Basisvoorwaarden voor de vrijstelling
2. Gedeeltelijke vrijstelling
3. Onverenigbaarheid

IV. Inwerkingtreding

I. Inleiding

1. Deze circulaire bespreekt art. 193quater met betrekking tot het fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven dat werd ingevoegd in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) door art. 26, W 25.12.2017 (1).

(1) Wet van 25.12.2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting (BS 29.12.2017).

II. Wettelijke bepalingen

2. Art. 25, W 25.12.2017, bepaalt:

In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling Ibis ingevoegd, luidende:

ꞌOnderafdeling Ibis. Inschakelingsbedrijven.ꞌ

Art. 26, W 25.12.2017, bepaalt:

In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling Ibis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 25, wordt een artikel 193quater ingevoegd, luidende:

ꞌArt. 193quater. § 1. Voor vennootschappen die op het einde van het belastbare tijdperk op grond van artikel 1, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, door het bevoegde gewest als inschakelingsbedrijf zijn erkend, wordt de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden en die is verwezenlijkt in een belastbaar tijdperk waarvoor zij als inschakelingsbedrijf is erkend onder de hierna gestelde voorwaarden gedeeltelijk vrijgesteld.

Het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde winst dat reeds in dit of een vorig belastbaar tijdperk overeenkomstig artikel 193bis, § 1, eerste lid, is vrijgesteld, komt niet in aanmerking voor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling.

Het in het eerste en tweede lid bedoelde gereserveerde belastbare resultaat dat niet als winst wordt aangemerkt, wordt beperkt tot een bedrag gelijk aan de loonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers die behoren tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 1, § 2, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit van 3 mei 1999, met een minimum van 7 440 euro per in België tewerkgestelde personeelseenheid behorend tot deze doelgroep. Dit minimumbedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast aan de hand van de in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.

§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde vrijstelling van de winst wordt slechts verleend en behouden indien:

1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning;

De in het eerste lid vermelde voorwaarden zijn eveneens van toepassing op winst die overeenkomstig artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals het bestond voor het is opgeheven door artikel 87 van de wet van 25 december 2017 houdende de hervorming van de vennootschapsbelasting, is vrijgesteld.

Indien en in zoverre de in het eerste lid bedoelde voorwaarden in enig belastbaar tijdperk niet langer worden nageleefd, wordt de voorheen vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.

§ 3. Voor een belastbaar tijdperk waarvoor de vennootschap de in dit artikel bedoelde vrijstelling van de winst toepast, zijn de artikelen 67, §§ 1 en 2, 67bis en 67ter, §§ 1 en 2, niet van toepassing.ꞌ.

Art. 27, W 25.12.2017, bepaalt:

ꞌArtikel 193quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 26 van deze wet, wordt opgeheven.ꞌ.

Volg het on demand seminarie Fiscale implicaties van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen met Linda BROSENS

III. Bespreking

A. Definitie en doel van inschakelingsbedrijven

3. Het fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven vloeit voort uit de W 26.03.1999 (2) die verschillende maatregelen voor de sociale economie heeft ingevoerd. Met die maatregelen wou de regering onder meer banen creëren voor werklozen die moeilijk te plaatsen waren.

(2) Wet van 26.03.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (BS 01.04.1999).

Zoals het nieuwe art. 193quater, § 1, WIB 92, verduidelijkt, moeten de vennootschappen, om aanspraak te kunnen maken op het stelsel van de vrijstelling van de winst, erkend zijn als inschakelingsbedrijf overeenkomstig art. 1, § 1, 2°, KB 03.05.1999 (3).

(3) Koninklijk besluit van 03.05.1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen (BS 05.06.1999).

Onder inschakelingsbedrijven moet worden verstaan de ondernemingen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid die als sociaal doel de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van productie van goederen of diensten in zover zij door de minister die Tewerkstelling en Arbeid onder zijn bevoegdheid heeft en de minister die Sociale Economie onder zijn bevoegdheid heeft, worden erkend (4).

(4) Zie art. 1, § 1, 2°, KB 03.05.1999, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 08.07.2005 tot wijziging van het KB 03.05.1999 (KB 08.07.2005, BS 11.08.2005).

B. Invoeging van het fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven in het WIB 92

1. Basisvoorwaarden voor de vrijstelling

4. De voorwaarden die oorspronkelijk waren opgenomen in art. 67, W 26.03.1999, zijn hernomen in het nieuwe art. 193quater, § 2, WIB 92 (zie in die zin Parl. St., Kamer, zitting 2017-2018, DOC 54 2864/001, blz. 56).

De vrijstelling van de winst, die wordt verwezenlijkt tijdens een belastbaar tijdperk waarin de vennootschap is erkend als inschakelingsbedrijf, wordt verleend en behouden indien:

-       die vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;

-       die vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.

5. Indien en in zover de voormelde voorwaarden in enig belastbaar tijdperk niet langer worden nageleefd, wordt de voorheen vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat belastbare tijdperk.

6. De winst die werd vrijgesteld overeenkomstig art. 67, W 26.03.1999 (5), blijft vrijgesteld voor zover de voormelde voorwaarden altijd worden nageleefd.

(5) Art. 67, W 26.03.1999, werd opgeheven door art. 87, W 25.12.2017.

Ander interessant artikel: Fiscaal statuut van de student-zelfstandige

2. Gedeeltelijke vrijstelling

Winst die uitgesloten is van de vrijstelling

7. Zoals elke andere vennootschap kan een inschakelingsbedrijf eveneens, in bepaalde gevallen, fiscale correcties doorvoeren aan de begintoestand van de reserves omwille van het verkrijgen van tewerkstellings- en beroepsoverstappremies zoals bedoeld in art. 193bis, § 1, eerste lid, WIB 92.

8. Vroeger kon het bedoelde inschakelingsbedrijf in dat geval overeenkomstig art. 67, W 26.03.1999, de volledige winst, met inbegrip van de vrijgestelde premies, overboeken naar een vrijgestelde reserve waardoor er geen aangroei was van de belastbare reserves.

9. Door het verkrijgen van die premies was bovendien voor het bedrag ervan een verhoging van de begintoestand van de reserves toegestaan, wat resulteerde in een negatief saldo dat:

-       gecompenseerd kon worden met de verworpen uitgaven of uitgekeerde dividenden van dat belastbare tijdperk, of

-       in voorkomend geval, als compenseerbare verliezen naar volgende belastbare tijdperken kon worden overgedragen (zie in die zin Parl. St., Kamer, zitting 2017-2018, DOC 54 2864/001, blz. 55).

10. Om die dubbele vrijstelling van premies zoals bedoeld in art. 193bis, § 1, eerste lid, WIB 92, te vermijden, zal voortaan het gedeelte van de winst dat bestaat uit premies die op basis van het voormeld artikel zijn vrijgesteld, niet langer in aanmerking komen om via een boeking op een afzonderlijke rekening van het passief vrijgesteld te worden.

Voorbeeld

Een inschakelingsbedrijf realiseert een winst van 30.000 euro, die bestaat uit een operationeel resultaat van 25.000 euro en een tewerkstellingspremie van 5.000 euro. Die 5.000 euro wordt reeds definitief vrijgesteld via een verhoging van de begintoestand van de reserves. De resterende 25.000 euro winst kan worden overgeboekt naar een vrijgestelde reserve.

Beperking van de vrijgestelde winst

11. Het nieuwe art. 193quater, WIB 92, verduidelijkt dat het gereserveerde belastbare resultaat dat wordt vrijgesteld, wordt beperkt tot een bedrag gelijk aan de loonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers die behoren tot de doelgroep (6), met een minimum van 7.440 euro per in België tewerkgestelde personeelseenheid die behoort tot die doelgroep. Dat minimumbedrag wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen aangepast.

(6) Dat begrip wordt gedefinieerd in art. 1, § 2, derde lid, KB 03.05.1999 zoals ingevoegd door het KB 08.07.2005.

12. Worden beschouwd als behorende tot de doelgroep:

-       de werknemers zoals bedoeld in art. 14, KB 16.05.2003 (7);

-       de werknemer die op de dag van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledig werkloze is en uitkeringsgerechtigde volledig werkloze is geweest gedurende ten minste 1.560 dagen gerekend in het zesdagenstelsel gedurende de periode van 72 kalendermaanden daaraan voorafgaand;

-       de werknemer die op de dag van de indiensttreding rechthebbende is op maatschappelijke integratie of op financiële maatschappelijke hulp zoals bedoeld in art. 1, 7° of 8°, KB 16.05.2003.

(7) Koninklijk besluit van 16.05.2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen (BS 06.06.2003).

13. Bijgevolg voorziet de nieuwe bepaling dat de winst van een inschakelingsbedrijf voortaan beperkt wordt vrijgesteld. Er wordt immers een verband gelegd tussen het bedrag van de vrijstelling en het aantal personeelsleden dat behoort tot de doelgroep van moeilijk te plaatsen werklozen.

14. Zoals verduidelijkt in nr. 11, zal de maximaal vrij te stellen winst voortaan jaarlijks worden beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan de brutoloonkosten van de in België tewerkgestelde werknemers die tot die doelgroep behoren, met een minimum van 7.440 euro per tewerkgestelde personeelseenheid (voltijds equivalent) die behoort tot die doelgroep (zie in die zin Parl. St., Kamer, zitting 2017-2018, DOC 54 2864/001, blz. 56).

3. Onverenigbaarheid

15. De nieuwe bepaling verduidelijkt dat de hierna vermelde economische vrijstellingen, tot hun opheffing (8), niet kunnen worden gecombineerd in hetzelfde belastbare tijdperk met de gedeeltelijke vrijstelling van de winst die wordt toegestaan aan inschakelingsbedrijven. Die vrijstellingen zijn de volgende:

-       de vrijstelling voor de bijkomende aanwerving in het kader van uitvoer en integrale kwaliteitszorg (zie art. 67, §§ 1 en 2, WIB 92);

-       de vrijstelling van een gedeelte van de bezoldigingen in geval van stage in de onderneming (zie art. 67bis, WIB 92);

-       de vrijstelling voor bijkomend personeel (zie art. 67ter, WIB 92).

(8) Die bepalingen werden door art. 42, W 25.12.2017, dat een nieuw art. 198ter in het WIB 92, heeft ingevoegd, opgeheven in de vennootschapsbelasting. Die opheffing treedt in werking op 01.01.2020 en is van toepassing vanaf het aj. 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020 (zie art. 86. B2., W 25.12.2017).

IV. Inwerkingtreding

16. Art. 87, W 25.12.2017, is van toepassing vanaf het aj. 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2018 (zie art. 88, eerste lid, W 25.12.2017).

17. De art. 25 en 26, W 25.12.2017, treden in werking op 01.01.2018 en zijn van toepassing vanaf het aj. 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2018 (zie art. 86. A., W 25.12.2017).

18. Art. 27, W 25.12.2017, treedt in werking op 01.01.2020 en is van toepassing vanaf het aj. 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 01.01.2020 (zie art. 86. B2., W 25.12.2017).

19. Om te vermijden dat vennootschappen hun afsluitingsdatum van het boekjaar kunstmatig wijzigen, is er voorzien dat elke wijziging die vanaf 26.07.2017 aan die afsluitingsdatum wordt aangebracht, zonder uitwerking blijft voor de toepassing van:

-       het nieuwe art. 193quater, WIB 92 (zie art. 86. D., W 25.12.2017);

-       art. 87, W 25.12.2017 (zie art. 88, tweede lid, W 25.12.2017).