Fiscaal statuut van de student-zelfstandige

Geschreven door Lexalert

De FOD Financiën publiceerde de circulaire 2018/C/86 over het fiscaal statuut van de student-zelfstandige. Deze circulaire bespreekt het fiscaal statuut van de student-zelfstandige ingevoerd door de W 18.12.2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student-zelfstandige. 

I. Inleiding
II. Wetteksten
III. Definities

A. Student-zelfstandige
B. Leerling in een alternerende opleiding

IV. Berekening van de bestaansmiddelen
V. De student-zelfstandige mag geen bezoldigingen van bedrijfsleiders hebben verkregen ten laste van bepaalde vennootschappen

A. Voorwaarden betreffende de belastingplichtige die de student-zelfstandige ten laste wil nemen
B. Voorwaarden betreffende de bezoldigingen van bedrijfsleiders van de student-zelfstandige
C. Voorbeelden

VI. Belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten
VII. Inwerkingtreding

I. Inleiding

1. Deze circulaire bespreekt de nieuwigheden ingevoerd door de W 18.12.2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student-zelfstandige (BS 30.12.2016).

Op fiscaal vlak gaan die nieuwigheden over:

  • het bedrag van de bestaansmiddelen waar geen rekening mee wordt gehouden om te bepalen of een student-zelfstandige of een leerling in een alternerende opleiding ten laste kan zijn van een belastingplichtige of niet (art. 143, 7°, WIB 92)
  • de uitsluiting uit de personen die in aanmerking komen om ten laste te zijn, van de student-zelfstandigen die onder bepaalde voorwaarden bezoldigingen van bedrijfsleiders verkrijgen (art. 145, WIB 92)
  • de vaststelling van de activiteitsinkomsten die in aanmerking moeten worden genomen om het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten te berekenen (art. 289ter, § 1, tweede lid, 5°, WIB 92).

II. Wetteksten

2. Hierna volgen de bepalingen van het WIB 92, zoals ze door de art. 8 tot 11, W 18.12.2016 zijn gewijzigd (de wijzigingen staan in het vet).

Art. 143, 7°, WIB 92

Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking:

7° bezoldigingen verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en door leerlingen in een alternerende opleiding als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, tot een bedrag van 1.500 euro per jaar.

Art. 145, WIB 92

Als ten laste worden niet aangemerkt de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en:

bezoldigingen genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn;
2° als student-zelfstandige zoals bedoeld in artikel 5quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bezoldigingen van bedrijfsleiders genieten die beroepskosten vormen voor een vennootschap, wanneer aan de twee onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de belastingplichtige oefent controle in de zin van artikel 5 van het Wetboek van vennootschappen uit over de vennootschap;
b) de belastingplichtige is, rechtstreeks of onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider van de vennootschap.

Het eerste lid, 2°, is slechts van toepassing wanneer de beoogde bezoldigingen van bedrijfsleiders meer bedragen dan 2.000 euro en meer dan de helft vormen van de belastbare inkomsten, met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen.

Art. 178, § 5, 3°/1, WIB 92

§ 5. In afwijking van paragraaf 1, worden de volgende bedragen niet geïndexeerd:

3°/1 het in artikel 145, tweede lid, vermelde bedrag;

Art. 289ter, § 1, tweede lid, 5°, WIB 92

§ 1. …

Het bedrag van de activiteitsinkomsten is gelijk aan het nettobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met:

5° de winst, baten en in artikel 30, 2° bedoelde bezoldigingen die voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep of van een student-zelfstandige worden beschouwd.

III. Definities

A. Student-zelfstandige

3. De student-zelfstandige wordt gedefinieerd in art. 5quater (ingevoegd door art. 2, W 18.12.2016), KB nr. 38 van 27.07.1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

Als student-zelfstandige wordt beschouwd: de student die vraagt om te worden onderworpen aan het sociaal statuut van de student-zelfstandige en die voldoet aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden:

1° ten minste 18 en ten hoogste 25 jaar zijn
2° voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak ingeschreven zijn om regelmatig lessen te volgen in een Belgische of buitenlandse onderwijsinstelling, met het oog op het behalen van een diploma dat erkend wordt door een bevoegde overheid in België
3° een beroepsbezigheid uitoefenen waardoor hij krachtens het KB nr. 38 van 27.07.1967 onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen.

4. Verder heeft het KB van 22.12.2016 (1) nog het volgende verduidelijkt:

  • de indieningsmodaliteiten van de aanvraag tot onderwerping aan het sociaal statuut in de hoedanigheid van student-zelfstandige
  • de aanvang en het einde van die onderwerping
  • wat moet worden verstaan onder 'een in hoofdzaak ingeschreven student', onder 'een Belgische of buitenlandse onderwijsinstelling' en onder 'regelmatig lessen volgen'.

(1) KB tot wijziging van het KB 19.12.1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het KB nr. 38 van 27.07.1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (BS 10.01.2017).

5. Er wordt nog aangestipt dat de meewerkende echtgenoten die op sociaal vlak van het 'maxi-statuut' genieten, niet van het specifieke stelsel van de student-zelfstandigen kunnen genieten.

B. Leerling in een alternerende opleiding

6. De leerling in een alternerende opleiding wordt gedefinieerd in art. 1bis, KB 28.11.1969 (2).

(2) KB tot uitvoering van de W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

De opleiding vindt plaats deels op de werkvloer en deels binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling.

7. Voorbeelden van alternerende opleiding zijn het franstalige 'contrat commun d'alternance' en de 'Vlaamse overeenkomst van alternerende opleiding' (Syntra Vlaanderen).

Lees ook: Fiscaal stelsel van inschakelingsbedrijven

IV. Berekening van de bestaansmiddelen

8. Zoals dat al bestond voor de bezoldigingen verkregen door een student bedoeld in titel VII van de W 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bepaalt de W 18.12.2016 dat er voor het vaststellen van het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen om ten laste te zijn van een belastingplichtige, voortaan tot een bedrag van 1.500 euro (basisbedrag) geen rekening moet worden gehouden met:

  • de bezoldigingen verkregen door een leerling in een alternerende opleiding
  • de winst, baten en bezoldigingen van bedrijfsleiders behaald of verkregen door een student-zelfstandige.

Voor de berekening van de bestaansmiddelen worden de leerlingen in een alternerende opleiding en de student-zelfstandigen voortaan dus op dezelfde manier behandeld als de jobstudenten.

9. Wanneer een student zowel inkomsten als jobstudent, inkomsten als leerling in een alternerende opleiding en/of inkomsten als student-zelfstandige verkrijgt, geldt de uitsluiting van de eerste schijf van 1.500 euro (basisbedrag) van de bestaansmiddelen voor de drie soorten inkomsten samen. De niet als bestaansmiddelen in aanmerking te nemen eerste schijf van de inkomsten moet in zo'n geval verhoudingsgewijs worden aangerekend op alle categorieën van inkomsten die onder de toepassing van art 143, 7°, WIB 92, kunnen vallen (Doc. Kamer 54 2143/001, blz. 12).

10. De uitsluiting van de eerste schijf van 1.500 euro (basisbedrag) uit de bestaansmiddelen wordt toegepast op het niveau van het brutobedrag. Om het nettobedrag van de bestaansmiddelen te bepalen, wordt het aldus 'verlaagde' brutobedrag van de bestaansmiddelen nog verminderd:

  • ofwel met de kosten die de student/leerling verantwoordt gedurende het belastbaar tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die bestaansmiddelen te verkrijgen of te behouden
  • ofwel, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, met de kosten vastgesteld op 20 % van het brutobedrag van de bestaansmiddelen. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan uit bezoldigingen van werknemers of uit baten, bedragen de aftrekbare kosten volgens art. 142, WIB 92, ten minste 250 euro (basisbedrag).

11. Rekening houdend met de indexering worden die basisbedragen van 1.500 euro en 250 euro voor aanslagjaar 2018 verhoogd tot, respectievelijk, 2.660 euro en 440 euro.

Voorbeeld

12. In 2017 heeft een student de volgende inkomsten verkregen (na aftrek van de sociale bijdragen):

  • winst als student-zelfstandige: 2.000 euro
  • bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een overeenkomst voor studentenarbeid: 1.000 euro
  • bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een gewone arbeidsovereenkomst: 5.000 euro.

Hij bewijst geen kosten.

*

*     *

Vaststelling van de nettobestaansmiddelen:

  • winst als student-zelfstandige: 2.000 euro

* brutobestaansmiddelen: 2.000 – 2.660 x (2.000/3.000) = 226,67 euro

  • bezoldigingen verkregen ter uitvoering van de overeenkomst voor studentenarbeid: 1.000 euro

* brutobestaansmiddelen: 1.000 – 2.660 x (1.000/3.000) = 113,33 euro

  • bezoldigingen verkregen ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst: 5.000 euro

* brutobestaansmiddelen: 5.000 euro

Totaal van de brutobestaansmiddelen: 226,67 + 113,33 + 5.000 = 5.340 euro

Aftrekbare forfaitaire kosten: 5.340 euro x 20 % = 1.068 euro (de kosten die slaan op de bezoldigingen zijn hoger dan het minimum van 440 euro)

Totaal van de nettobestaansmiddelen: 5.340 euro – 1.068 euro = 4.272 euro.

V. De student-zelfstandige mag geen bezoldigingen van bedrijfsleiders hebben verkregen ten laste van bepaalde vennootschappen

13. Ter herinnering: de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en die bezoldigingen verkrijgen die voor die laatste beroepskosten zijn, kunnen niet als persoon ten laste van die belastingplichtige worden beschouwd.

14. De wetgever heeft beslist om een vergelijkbare regeling in te voeren voor de gevallen waarin een student-zelfstandige bezoldigingen van bedrijfsleiders verkrijgt die beroepskosten zijn voor een vennootschap waarover de belastingplichtige controle uitoefent en waarvan hij bedrijfsleider is.

Daaruit volgt dat, volgens art. 145, eerste lid, 2°, WIB 92, nooit als ten laste van een belastingplichtige kunnen worden beschouwd: de personen die, hoewel ze deel uitmaken van het gezin van die belastingplichtige, als student-zelfstandige bezoldigingen van bedrijfsleiders verkrijgen die beroepskosten zijn voor een vennootschap als gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan.

A. Voorwaarden betreffende de belastingplichtige die de student-zelfstandige ten laste wil nemen

15. De student-zelfstandige kan niet ten laste worden genomen door een belastingplichtige als die laatste:

  • enerzijds, rechtstreeks of onrechtstreeks (bv. via een managementvennootschap), een in art. 32, eerste lid, WIB 92, bedoelde bedrijfsleider van de vennootschap is
  • anderzijds, controle over die vennootschap uitoefent.

16. Bedoeld wordt: de bedrijfsleider die:

  • een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent (categorie 1)
  • een leidende functie of werkzaamheid uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst (categorie 2).

17. Het uitoefenen van controle over de vennootschap moet worden begrepen in de zin van art. 5 van het Wetboek van vennootschappen, d.w.z. de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap of op de oriëntatie van het beleid. Zo is er onder meer sprake van controle in rechte wanneer de belastingplichtige de meerderheid van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan het totaal van de aandelen van de betrokken vennootschap (art. 5, § 2, 1° van het Wetboek van vennootschappen) (Doc. Kamer 54 2143/001, blz. 13).

18. Wanneer voor de belastingplichtige en zijn echtgenoot een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, volstaat het:

  • dat één van beide echtgenoten apart of beide echtgenoten samen controle uitoefen(t/en) over de vennootschap
  • en dat één van beide echtgenoten bedrijfsleider is van die vennootschap

om de student-zelfstandige niet meer als ten laste te beschouwen (Doc. Kamer 54 2143/001, blz. 16).

B. Voorwaarden betreffende de bezoldigingen van bedrijfsleiders van de student-zelfstandige

19. Zelfs al zijn de voormelde voorwaarden vervuld, de student-zelfstandige kan ook niet ten laste worden genomen als zijn eigen bezoldigingen van bedrijfsleiders afkomstig van de vennootschap van zijn ouders meer bedragen dan 2.000 euro (3) en meer dan de helft vormen van de belastbare inkomsten met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen.

(3) Dit bedrag wordt niet geïndexeerd (zie art. 178, § 5, 3°/1, WIB 92, ingevoegd door art. 10, W 18.12.2016).

20. Om te beoordelen of die grenzen overschreden zijn of niet, moet rekening worden gehouden met het brutobedrag van de belastbare inkomsten van alle inkomstencategorieën (onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten), vóór aftrek van kosten of andere aftrekbare bestanddelen.

21. Om te vermijden dat de 'persoonlijke situatie' van de student-zelfstandige een impact zou hebben op het feit dat zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders afkomstig van de vennootschap van de ouders, al dan niet het grootste deel van zijn belastbare inkomsten uitmaken, worden de onderhoudsuitkeringen die een student-zelfstandige ontvangt buiten beschouwing gelaten (Doc. Kamer 54 2143/001, blz. 13).

C. Voorbeelden

Voorbeeld 1

22. Een student maakt op 01.01.2018 deel uit van het gezin met zijn ouders en zijn belastbare inkomsten bestaan uit:

  • bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een gewone arbeidsovereenkomst: 1.500 euro
  • bezoldigingen van bedrijfsleiders verkregen als student-zelfstandige van de vennootschap van de ouders: 2.500 euro.

Aangezien de bezoldigingen van bedrijfsleiders verkregen van de vennootschap van de ouders meer dan 2.000 euro bedragen en meer dan de helft van de belastbare inkomsten vormen, kan de student niet als ten laste van zijn ouders worden beschouwd.

Voorbeeld 2

23. Een student maakt op 01.01.2018 deel uit van het gezin van zijn ouders en zijn belastbare inkomsten bestaan uit:

  • bezoldigingen als jobstudent: 2.600 euro
  • bezoldigingen van bedrijfsleiders verkregen als student-zelfstandige van de vennootschap van de ouders: 2.400 euro.

De bezoldigingen van bedrijfsleiders verkregen van de vennootschap van de ouders bedragen meer dan 2.000 euro maar vormen niet meer dan de helft van de belastbare inkomsten van de student. Art. 145, WIB 92, belet dus niet dat de student door zijn ouders ten laste wordt genomen. Er moet dan ook worden nagegaan of het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen (3.200 euro voor aj. 2018 - art. 136, WIB 92) niet is overschreden.

*

*     *

Vaststelling van de nettobestaansmiddelen:

  • brutobezoldigingen als jobstudent: 2.600 euro

* brutobestaansmiddelen: 2.600 – 2.660 x (2.600/5.000) = 1.216,80 euro

  • brutobezoldigingen als student-zelfstandige: 2.400 euro

* brutobestaansmiddelen: 2.400 – 2.660 x (2.400/5.000) = 1.123,20 euro

Totaal van de brutobestaansmiddelen: 1.216,80 + 1.123,20 = 2.340 euro

Aftrekbare forfaitaire kosten: 2.340 x 20 % = 468 euro

Totaal van de nettobestaansmiddelen: 2.340 – 468 = 1.872 euro

Aangezien de nettobestaansmiddelen niet meer dan 3.200 euro bedragen, kan de student als ten laste van zijn ouders worden beschouwd.

Voorbeeld 3

24. Een student maakt op 01.01.2018 deel uit van het gezin van zijn gescheiden moeder (alleenstaande) en zijn belastbare inkomsten bestaan uit:

  • roerende inkomsten (interesten): 100 euro
  • onderhoudsuitkeringen betaald door zijn vader: 5.000 euro
  • bezoldigingen van bedrijfsleiders verkregen als student-zelfstandige van de vennootschap van de moeder: 1.500 euro.

De bezoldigingen van bedrijfsleider verkregen van de vennootschap van de moeder vormen meer dan de helft van de belastbare inkomsten zonder de onderhoudsuitkeringen, maar ze bedragen niet meer dan 2.000 euro. Art. 145, WIB 92, belet dus niet dat de student door zijn moeder ten laste wordt genomen. Er moet dan ook worden nagegaan of het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen (4.620 euro voor aj. 2018 - art. 141, WIB 92) niet is overschreden.

*

*     *

Vaststelling van de nettobestaansmiddelen:

  • roerende inkomsten (= brutobestaansmiddelen): 100 euro
  • onderhoudsuitkeringen: 5.000 euro

* brutobestaansmiddelen: 5.000 – 3.200 (4) = 1.800 euro

  • brutobezoldigingen als student-zelfstandige: 1.500 euro

* brutobestaansmiddelen: 1.500 – 1.500 (5) = 0 euro

Totaal van de brutobestaansmiddelen: 100 + 1.800 = 1.900 euro

Aftrekbare forfaitaire kosten: 1.900 x 20 % = 380 euro

Totaal van de nettobestaansmiddelen: 1.900 – 380 = 1.520 euro

Aangezien de nettobestaansmiddelen niet meer dan 4.620 euro bedragen, kan de student als ten laste van zijn moeder worden beschouwd.

(4) Toepassing van art. 143, 6°, WIB 92.
(5) 2.660 euro, beperkt tot 1.500 euro.

VI. Belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten

25. Zoals dat al het geval is voor de winst en de baten van zelfstandigen in bijberoep, worden nu ook de bezoldigingen van bedrijfsleiders van zelfstandigen in bijberoep en de inkomsten van student-zelfstandigen niet meer in aanmerking genomen als 'activiteitsinkomsten' voor de toepassing van het belastingkrediet voor lage activiteitsinkomsten bedoeld in 289ter, WIB 92.

26. Gelet op het feit dat de hoofdactiviteit van een student-zelfstandige het volgen van onderwijs is, zullen de inkomsten uit zijn zelfstandige activiteit in beginsel per definitie beperkt zijn. Het zou dan ook niet coherent zijn om aan een student-zelfstandige een belastingkrediet te verlenen dat bedoeld is als ondersteuning voor zelfstandigen die uit hun hoofdactiviteit slechts beperkte inkomsten halen (Doc. Kamer 54 2143/001, blz. 17).

27. Dat betekent dat voor de toepassing van art. 289ter, WIB 92, voortaan uit de activiteitsinkomsten moeten worden gesloten: het geheel van de winst, de baten en de bezoldigingen van bedrijfsleiders die worden beschouwd als inkomsten:

  • van een zelfstandige activiteit uitgeoefend in bijberoep
  • van een student-zelfstandige.

VII. Inwerkingtreding

28. Volgens art. 12, W 18.12.2016 zijn de hiervoor besproken wijzigingen van toepassing vanaf aj. 2018.