FAQ – Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing – Looncorrectie en sociale maribel

Geschreven door Lexalert
Foto: Nicu Buculei  

De FOD Financiën publiceerde op 23 maart 2018 de FAQ over de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing alsook looncorrectie en sociale maribel. 

Opgelet: deze FAQ is bijgewerkt tot 01.03.2018.

A. Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016

Samenvattende tabel

Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016 door:

Algemene vrijstelling van 1,00 %

Algemene vrijstelling voor kleine vennootschap van 0,12 %

Verhoogde algemene vrijstelling van 1,12 %

-       een werkgever die voldoet aan de voorwaarden van een kleine vennootschap op grond van het Wetb. Venn. (1), of die een natuurlijke persoon is die mutatis mutandis beantwoordt aan die criteria én die:

* valt onder de wet van 05.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités, of

*een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stelt van een werkgever die valt onder voornoemde wet;

/

Ja

/

-        een werkgever die ressorteert onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector:

* die werkgever voldoet aan de voorwaarden van een kleine vennootschap op grond van het Wetb. Venn. (1), of is een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan die criteria;

/

/

Ja

* die werkgever voldoet niet aan de voorwaarden van een kleine vennootschap op grond van het Wetb. Venn. (1), of is een natuurlijke persoon die mutatis mutandis niet beantwoordt aan die criteria;

Ja

/

/

-       de naamloze vennootschappen van publiek recht Proximus en bpost voor hun werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten voor deze vennootschappen.

Ja

/

/

         

(1) Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt voor 01.01.2016:

Artikel 15, Wetboek van Vennootschappen, zoals het bestond voor te zijn gewijzigd door de wet van 18.12.2015 tot omzetting van richtlijn 2013/34/EU van 26.06.2013 van het Europees parlement en van de raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en van de raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de raad, Belgisch Staatsblad 30.12.2015.

Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 01.01.2016:

Artikel 15, §§ 1 tot 6, Wetboek van Vennootschappen.

1. Welke werkgevers hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %?

De werkgevers die aan de volgende voorwaarden voldoen, hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %:

1. De werkgever betaalt of kent bezoldigingen toe.
2. De werkgever is schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92, op deze bezoldigingen.
3. De bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen wordt volledig ingehouden.
4. De werkgever valt onder het toepassingsgebied van de wet van 05.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of is een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stelt van een werkgever die valt onder het toepassingsgebied van voornoemde wet.

5. De werkgever is een kleine vennootschap op grond van het Wetboek van Vennootschappen of een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan dezelfde criteria.

Bijgevolg komen vzwꞌs, stichtingen en feitelijke verenigingen niet in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel. Voor zover zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 % (zie FAQ 2).

2. Welke werkgevers hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %?

De werkgevers die aan de volgende voorwaarden voldoen, hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %:

1. De werkgever betaalt of kent bezoldigingen toe.
2. De werkgever is schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92, op deze bezoldigingen.
3. De bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen wordt volledig ingehouden.
4. De werkgever is:

-       een werkgever die ressorteert onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector;

-       de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en bpost voor hun werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten voor deze vennootschappen.

Voor de werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 wordt een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen.

3. Welke werkgevers hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %?

De werkgevers opgesomd in FAQ 2, met uitzondering van de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus en bpost, die aan de voorwaarden voldoen om als kleine vennootschap te worden aangemerkt op grond van het Wetboek van Vennootschappen, hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %.

Ook de werkgevers natuurlijke personen die aan dezelfde criteria beantwoorden, hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %.

Voor de werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 wordt een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen.

4. Wanneer wordt een werkgever aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van het Wetboek van Vennootschappen, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis aan die criteria beantwoordt?

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen volgende twee periodes:

Periode 1: bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 01.01.2016

De werkgever wordt aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, Wetboek Vennootschappen, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan de criteria voorzien in dit artikel 15, §§ 1 tot 6.

Een kleine vennootschap is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

-       jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;

-       jaaromzet, exclusief de btw: 9.000.000 euro;

-       balanstotaal: 4.500.000 euro.

Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen verbonden is, worden de criteria inzake omzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

Wanneer meer dan één van de hierboven opgesomde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Voorgaande bepaling is niet van toepassing voor het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31.12.2015.

Voorbeeld 1

Een vennootschap voert een boekhouding per kalenderjaar. Voor de boekjaren 2013 en 2014 werd de vennootschap aangemerkt als een ꞌgroteꞌ vennootschap. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

31.12.2015

31.12.2016

31.12.2017

Jaargemiddelde personeelsbestand

60

60

60

Omzet

8.750.000

9.100.000

9.150.000

Balanstotaal

4.300.000

4.350.000

4.400.000

De vennootschap is geen werkgever van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

A. Eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar 2016 (lopende van 01.01.2016 tot 31.12.2016), dit is het eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015, wordt aangemerkt als een kleine of een ꞌgroteꞌ vennootschap, moet uitsluitend worden nagegaan of zij op 31.12.2015, zijnde de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen heeft overschreden.

Op balansdatum 31.12.2015 overschreed de vennootschap slechts één van de criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen:

-       Omzet: 8.750.000 < 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.300.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een kleine vennootschap.

Voor zover aan de overige voorwaarden voldaan is, kan de vennootschap dus aanspraak maken op:

Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2016 tot 31.03.2016: de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %;

Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016 tot 31.12.2016: de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

B. Vanaf het tweede boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.01.2017, geldt dat wanneer meer dan één van de verhoogde criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

a. Boekjaar 2017 (01.01.2017 tot 31.12.2017)

Op balansdatum 31.12.2016 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 9.100.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.350.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De overschrijding van meer dan één van de criteria in 2016 is een eerste overschrijding, terwijl slechts sprake is van een wijziging van categorie wanneer er tijdens twee opeenvolgende boekjaren een overschrijden (of een niet langer overschrijden) heeft plaatsgevonden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2017 nog steeds aangemerkt als een kleine vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2017 tot 31.12.2017 aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

b. Boekjaar 2018 (01.01.2018 tot 31.12.2018)

Op balansdatum 31.12.2017 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 9.150.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.400.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap heeft twee opeenvolgende boekjaren (2016 en 2017) meer dan één van de criteria overschreden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.01.2018 aangemerkt als een grote vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018 tot 31.12.2018 geen aanspraak meer maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

Voorbeeld 2

Een vennootschap voert een boekhouding per kalenderjaar. Voor de boekjaren 2013 en 2014 werd de vennootschap aangemerkt als een kleine vennootschap. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

31.12.2015

31.12.2016

31.12.2017

Jaargemiddelde personeelsbestand

60

60

60

Omzet

9.100.000

8.700.000

9.150.000

Balanstotaal

4.300.000

4.350.000

4.400.000

De vennootschap is geen werkgever van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

A. Eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar 2016 (01.01.2016 tot 31.12.2016), dit is het eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015, wordt aangemerkt als een kleine vennootschap, moet uitsluitend worden nagegaan of zij op 31.12.2015, zijnde de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen heeft overschreden.

Op balansdatum 31.12.2015 overschreed de vennootschap meer dan één van de criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen:

-       Omzet: 9.100.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.300.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een ꞌgroteꞌ vennootschap.

De vennootschap kan dus geen aanspraak maken op:

-       Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2016 tot 31.03.2016: de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %;

-       Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016 tot 31.12.2016: de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

Voor zover aan de overige voorwaarden voldaan is, kan de vennootschap voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2016 tot 31.03.2016, wel aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %.

B. Vanaf het tweede boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.01.2017, geldt dat wanneer meer dan één van de verhoogde criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

a. Boekjaar 2017 (01.01.2017 tot 31.12.2017)

Op balansdatum 31.12.2016 heeft de vennootschap niet meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 8.700.000 < 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.350.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Het niet overschrijden van meer dan één van de criteria in 2016 is een eerste niet langer overschrijden van meer dan één van de criteria. Er is slechts sprake van een wijziging van categorie wanneer er tijdens twee opeenvolgende boekjaren een overschrijden (of een niet langer overschrijden) heeft plaatsgevonden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2017 nog steeds aangemerkt als een ꞌgroteꞌ vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2017 tot 31.12.2017 geen aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

b. Boekjaar 2018 (01.01.2018 tot 31.12.2018)

Op balansdatum 31.12.2017 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 9.150.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.400.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Op balansdatum 31.12.2017 werd meer dan één van de criteria overschreden. Bijgevolg wordt de vennootschap nog steeds als een ꞌgroteꞌ vennootschap aangemerkt voor het boekjaar dat aanvangt op 01.01.2018.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018 tot 31.12.2018 geen aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,1 %.

Voorbeeld 3

Het boekjaar van een vennootschap loopt van 01.04 tot 31.03. Voor de boekjaren eindigend op 31.03.2014 en 31.03.2015 werd de vennootschap aangemerkt als een ꞌgroteꞌ vennootschap. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

31.03.2016

31.03.2017

31.03.2018

Jaargemiddelde personeelsbestand

60

60

60

Omzet

8.750.000

9.100.000

9.150.000

Balanstotaal

4.300.000

4.350.000

4.400.000

De vennootschap is geen werkgever van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

A. Eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar eindigend op 31.03.2017, dit is het eerste boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015, wordt aangemerkt als een kleine vennootschap, moet uitsluitend worden nagegaan of zij op 31.03.2016, zijnde de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen heeft overschreden.

Op balansdatum 31.03.2016 overschreed de vennootschap slechts één van de criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen:

-           Omzet: 8.750.000 < 9.000.000;

-           Balanstotaal: 4.300.000 < 4.500.000;

-           Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar lopende van 01.04.2016 tot 31.03.2017 aangemerkt als een kleine vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016 tot 31.03.2017 aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

B. Vanaf het tweede boekjaar dat aanvangt na 31.12.2015

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.04.2017, geldt dat wanneer meer dan één van de verhoogde criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

a. Boekjaar lopende van 01.04.2017 tot 31.03.2018

Op balansdatum 31.03.2017 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 9.100.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.350.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De overschrijding van meer dan één van de criteria op balansdatum 31.03.2017 is een eerste overschrijding, terwijl slechts sprake is van een wijziging van categorie wanneer er tijdens twee opeenvolgende boekjaren een overschrijden (of een niet langer overschrijden) heeft plaatsgevonden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar lopende van 01.04.2017 tot 31.03.2018 nog steeds aangemerkt als een kleine vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2017 tot 31.03.2018 aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

b. Boekjaar lopende van 01.04.2018 tot 31.03.2019

Op balansdatum 31.03.2018 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

-       Omzet: 9.150.000 > 9.000.000;

-       Balanstotaal: 4.400.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap heeft twee opeenvolgende boekjaren, namelijk die eindigend op 31.03.2017 en 31.03.2018, meer dan één van de criteria overschreden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.04.2018 aangemerkt als een ꞌgroteꞌ vennootschap.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2018 tot 31.03.2019 geen aanspraak meer maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

Voorbeeld 4

Een vennootschap voert een boekhouding per kalenderjaar. Zij werd opgericht op 01.01.2016. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

Schatting te goeder trouw bij het begin van het boekjaar

31.12.2016

31.12.2017

Jaargemiddelde personeelsbestand

4

5

5

Omzet

900.000

950.000

1.000.000

Balanstotaal

500.000

550.000

600.000

De vennootschap is geen werkgever van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

A. Eerste boekjaar

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar 2016 (lopende van 01.01.2016 tot 31.12.2016), het eerste boekjaar van de vennootschap, wordt aangemerkt als een kleine vennootschap, moet uitsluitend gekeken worden naar de schatting (te goeder trouw) gemaakt door de vennootschap.

Overeenkomstig haar schatting zal de vennootschap geen van de criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen overschrijden. Bijgevolg wordt de vennootschap voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een kleine vennootschap.

De vennootschap kan dus aanspraak maken op:

-       Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2016 tot 31.03.2016: de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %, mits naleving van de andere voorwaarden;

-       Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016 tot 31.12.2016: de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschapen van 0,12 %.

B. Vanaf het tweede boekjaar

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 01.01.2017, geldt dat wanneer meer dan één van de verhoogde criteria vermeld in het nieuwe artikel 15, Wetboek van Vennootschappen worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

a. Boekjaar 2017 (01.01.2017 tot 31.12.2017)

Op balansdatum 31.12.2016 heeft de vennootschap geen van de criteria overschreden:

-  Omzet: 950.000 < 9.000.000;

-  Balanstotaal: 550.000 < 4.500.000;

-  Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 5 < 50.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2017 tot 31.12.2017 aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

b. Boekjaar 2018 (lopende van 01.01.2018 tot 31.12.2018)

Op balansdatum 31.12.2017 heeft de vennootschap geen van de criteria overschreden:

-       Omzet: 1.000.000 < 9.000.000;

-       Balanstotaal: 600.000 < 4.500.000;

-       Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 5 < 50.

De vennootschap kan dus voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2018 tot 31.12.2018 aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 0,12 %.

WAT INDIEN DE WERKGEVER/SCHULDENAAR VAN DE BEDRIJFSVOORHEFFING ZIJN AANGIFTE IN DE BEDRIJFSVOORHEFFING PER KWARTAAL INDIENT EN HET GEBROKEN BOEKJAAR MIDDEN IN DERGELIJK KWARTAAL EINDIGT? GELDT DE BEOORDELING OF EEN ONDERNEMING EEN ꞌKLEINE VENNOOTSCHAPꞌ IS, DAN VOOR DAT HELE KWARTAAL, OF MOET MEN, INGEVAL DE SITUATIE WIJZIGT, PER MAAND REKENEN?

De bedrijfsvoorheffing is opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen.

Dat betekent dat wij ons voor de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op het moment van de betaling of de toekenning van het belastbare inkomen moeten plaatsen, dus ook wat betreft de toepassing van eventuele vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

Of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden om aanspraak te maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen of de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing moet bijgevolg worden geëvalueerd op het moment van de betaling of toekenning van de inkomsten. Is op dat ogenblik niet meer aan de voorwaarden voldaan, dan mag die vrijstelling niet meer worden toegepast.

Concreet is het dus mogelijk dat in het kader van een kwartaalaangifte in de bedrijfsvoorheffing de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen of de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing slechts op een deel van de bezoldigingen kan toegepast worden, namelijk op de bezoldigingen betaald of toegekend gedurende het boekjaar waaraan de vennootschap (nog) aan de voorwaarden voldoet.

Periode 2: bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.04.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt voor 01.01.2016

De werkgever wordt aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van artikel 15, Wetboek Vennootschappen, zoals het bestond voor te zijn gewijzigd door de wet van 18.12.2015, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan de criteria voorzien in dit artikel 15.

Een kleine vennootschap is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst en het voorlaatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

-       jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;

-       jaaromzet, exclusief de btw: 7.300.000 euro;

-       balanstotaal: 3.650.000 euro;

tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.

Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen verbonden is, worden de criteria inzake omzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

5. Wat wordt bedoeld met verbonden vennootschappen?

Onder ꞌmet een vennootschap verbonden vennootschappenꞌ wordt verstaan:

a. de vennootschappen waarover zij een controlebevoegdheid uitoefent;
b. de vennootschappen die een controlebevoegdheid over haar uitoefenen;
c. de vennootschappen waarmee zij een consortium vormt;
d. de andere vennootschappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de vennootschappen bedoeld in a., b. en c..

6. Wie zijn de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector?

Dit zijn de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van volgende paritaire comités:

a. Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen;
b. Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten;
c. Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;
d. Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;
e. Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap;
f. Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten;
g. Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Vlaamse Gemeenschap;
h. Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;
i. Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen, met uitzondering van de sociale werkplaatsen;
j. Paritair Comité voor de socio-culturele sector;
k. Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap;
l. Paritair subcomité voor de federale en bicommunautaire socio-culturele organisaties;
m. Paritair subcomité voor de socio-culturele sector van de Franstalige en Duitstalige Gemeenschap en het Waals Gewest;
n. Paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en diensten, met uitzondering van de werkgevers die onder de omschrijving van het paritaire subcomité voor de tandprothese vallen;
o. Paritair comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector;
p. Paritair comité voor de Franstalige, Duitstalige en bicommunautaire welzijns- en gezondheidssector.
q. Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de sociale werkplaatsen erkend en/of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de sociale werkplaatsen;
r. Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
s. Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen van het Waalse Gewest en van de Duitstalige Gemeenschap.

7. Komt een werkgever van werknemers die in een sociale werkplaats worden tewerkgesteld in aanmerking voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %?

Ja. De werkgevers van werknemers die in een sociale werkplaats worden tewerkgesteld kunnen aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %.

8. Komt een werkgever van werknemers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen in aanmerking voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %?

Ja. De werkgevers van werknemers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen vallen onder de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en kunnen bijgevolg aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %, mits naleving van alle voorwaarden.

Voor zover zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij bovendien aanspraak maken op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschappen van 1,12 %.

9. Komt een werkgever van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met s., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, en die een vzw, stichting of feitelijke vereniging is, in aanmerking voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %?

Opdat een werkgever aanspraak kan maken op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, moet hij voldoen aan de definitie van een kleine vennootschap zoals bepaald in het Wetboek van Vennootschappen.

Bijgevolg komen vzwꞌs, stichtingen en feitelijke verenigingen niet in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel aangezien zij niet kunnen beantwoorden aan deze definitie.

Voor zover zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %.

10. Welke bezoldigingen komen in aanmerking voor deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Volgende bezoldigingen komen in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel:

-       bezoldigingen bedoeld in artikel 31, WIB 92, met inbegrip van de vergoedingen bedoeld in artikel 31bis, WIB 92: dit zijn de bezoldigingen van de werknemers;

-       bezoldigingen van bedoeld in artikel 32, WIB 92 voor zover het gaat om bedrijfsleiders – werknemers.

11. Worden de bezoldigingen van de Franse grensarbeiders ook opgenomen in de totale loonmassa waarop de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing berekend wordt?

Op de bezoldigingen van de Franse grensarbeiders is in uitvoering van het met Frankrijk gesloten verdrag tot voorkoming van dubbele belasting, in België geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd.

Een werkgever die naast ꞌgewoneꞌ aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen werknemers, ook Franse grensarbeiders tewerkstelt, mag, mits naleving van alle voorwaarden, de bezoldigingen van deze grensarbeiders meenemen in de loonmassa waarop hij dan de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing berekent.

12. Wat is de berekeningsgrondslag voor deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

De berekeningsgrondslag bedraagt 100 % van:

-       de bezoldigingen die in FAQ 10 opgesomd worden en die aan de sociale zekerheid zijn onderworpen: het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid;

-       de bezoldigingen die in FAQ 10 opgesomd worden en die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen: het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, met inbegrip van de loonelementen waarop, overeenkomstig de toepassingsregels in bijlage III, KB/WIB 92, geen werkelijke bedrijfsvoorheffing verschuldigd is (wegens hun te gering bruto belastbaar bedrag of wegens bijzondere afwijkingen).

De loonelementen die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, maken bijgevolg geen deel uit van die berekeningsgrondslag.

Opgelet! Voor de berekening van de sociale zekerheid voor arbeiders wordt het basisbedrag vermeerderd met 8 %. Dit is een fictie die geen gevolgen heeft voor de reële loonkost en mag dus niet meegenomen worden in de berekeningsgrondslag voor deze vrijstelling. Ook voor arbeiders blijft de berekeningsgrondslag voor de aan de sociale zekerheid onderworpen loonelementen beperkt tot 100 %, zonder vermeerdering.

13. Wordt deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de totale loonmassa berekend?

Ja. De berekening gebeurt op de totale loonmassa (dus zowel de gewone bezoldigingen als de exceptionele) en wordt niet geïndividualiseerd.

14. Zit er een begrenzing op deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Ja. Deze vrijstelling is beperkt tot het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

15. Kan deze maatregel gecombineerd worden met andere vrijstellingsregelingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Ja. De steunmaatregel kan worden gecumuleerd met alle andere maatregelen inzake vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

16. Hoe moet deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting worden verwerkt in de aangiften in de bedrijfsvoorheffing?

Voor de betrokken aangifteperiode stelt de werkgever twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing op:

1ste aangifte

In de eerste aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen en in het vak 'verschuldigde BV' de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

2de aangifte

In de tweede aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' eveneens het bruto belastbaar inkomen.

In het vak 'verschuldigde BV' komt een negatief bedrag, afhankelijk of toepassing wordt gemaakt van de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschap of de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, gelijk aan respectievelijk 1,00 %, 0,12 % of 1,12 % van de berekeningsgrondslag vermeld in FAQ 12.

Naargelang van welke vrijstellingsregeling toepassing wordt gemaakt, verschilt de te gebruiken code in het vak 'aard inkomen':

-       46 voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,00 %);

-       54 voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,12 %);

-       56 voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschap (0,12 %).

17. Welke bijkomende verplichting rust er op de werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector?

Deze werkgevers dienen voor de betrokken aangifteperiode een derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing in met vermelding van:

-       aard inkomen (code):ꞌ47ꞌ;

-       belastbare inkomsten: het deel van de in beginsel vrij te stellen bedrijfsvoorheffing dat betrekking heeft op de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en dat werd ingevuld in het vak ꞌverschuldigde BVꞌ van de tweede aangifte (code 46 of 54);

-       verschuldigde BV: het positief bedrag gelijk aan drie vierden van het in het vak ꞌbelastbare inkomstenꞌ van het in deze aangifte ingevulde bedrag.

Deze werkgevers storten het hierboven vermelde bedrag opgenomen in het vak ꞌverschuldigde BVꞌ aan de bevoegde ontvanger der belastingen op hetzelfde moment dat de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt gestort. Dit bedrag dient ter financiering van de Sociale Maribelfondsen.

18. Kan een werkgever van werknemers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen retro-actief de algemene of verhoogde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing toepassen?

Ja. Ingevolge de vervanging van artikel 2757 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bij de wet van 26.12.2015 werden de werkgevers van werknemers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen ongewild uitgesloten van deze steunmaatregel. De wet van 18.12.2016 heeft dit retro-actief rechtgezet.

Bijgevolg kan de werkgever van werknemers die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing toepassen, mits naleving van alle voorwaarden en dit vanaf 01.04.2016. De werkgever stelt dan per periode waarvoor een rechtzetting moet geschieden, een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing op.

In de tweede aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen.

In het vak 'verschuldigde BV' komt een negatief bedrag, afhankelijk of toepassing wordt gemaakt van de algemene dan wel de verhoogde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, gelijk aan respectievelijk 1,00 % of 1,12 % van de berekeningsgrondslag vermeld in FAQ 12.

Naargelang toepassing wordt gemaakt van de algemene dan wel de verhoogde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, verschilt de te gebruiken code in het vak 'aard inkomen':

-       46 voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,00 %);

-       54 voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,12 %).

De werkgever die vanaf 01.04.2016 toepassing heeft gemaakt van de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor kleine vennootschap moet bovendien deze vrijstelling terugnemen door het indienen van een aangifte in de bedrijfsvoorheffing en dit voor iedere periode waarvoor dergelijke rechtzetting moet gebeuren.

In deze aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen.

In het vak 'verschuldigde BV' komt een positief bedrag gelijk aan 0,12 % van de berekeningsgrondslag vermeld in FAQ 12.

De te gebruiken code in het vak 'aard inkomen' is 56.

19. Welke bewijzen moeten de werkgevers voorleggen om toepassing te mogen maken van deze vrijstelling van doorstorting?

De betrokken schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer;

1. de volledige identiteit;
2. het nationaal nummer;
3. het totaal bedrag van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
4. het totaal bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen.

B. Bezoldigingen betaald of toegekend tot en met 31.03.2016

Samenvattende tabel

Bezoldigingen betaald of toegekend tot en met 31.03.2016 door:

Algemene vrijstelling van 1,00 %

Verhoogde algemene vrijstelling van 1,12 %

-        een werkgever die valt onder de wet van 05.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités (met inbegrip van de werkgever die ressorteert onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector);

-        een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stelt van een onder het vorige punt bedoelde werkgever;

-       de naamloze vennootschappen van publiek recht Proximus, bpost, NMBS en Infrabel;

-       de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.

voldoet aan de voorwaarden van een kleine vennootschap op grond van het Wetb. Venn. (1), of is een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan die criteria

/

Ja

voldoet niet aan de voorwaarden van een kleine vennootschap op grond van het Wetb. Venn. (1), of is een natuurlijke persoon die mutatis mutandis niet beantwoordt aan die criteria

Ja

/

       

(1) Bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2014 tot en met 31.03.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt voor 01.01.2016:

Artikel 15, Wetboek van Vennootschappen, zoals het bestond voor te zijn gewijzigd door de wet van 18.12.2015 tot omzetting van richtlijn 2013/34/EU van 26.06.2013 van het Europees parlement en van de raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees parlement en van de raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de raad, Belgisch Staatsblad 30.12.2015.

Bezoldigingen betaald of toegekend tot en met 31.03.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 01.01.2016:

Artikel 15, §§ 1 tot 6, Wetboek van Vennootschappen.

1. Welke werkgevers hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %?

De werkgevers die aan de volgende voorwaarden voldoen, hebben recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %:

1.De werkgever betaalt of kent bezoldigingen toe.

2.De werkgever is schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92, op deze bezoldigingen.

3.De bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen wordt volledig ingehouden.

4.De werkgever is:

-       een werkgever die valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

-       een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van een onder het vorige punt bedoelde werkgever;

-       de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, bpost, NMBS en Infrabel;

-       de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.

De werkgever die ressorteert onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector die valt onder het toepassingsgebied van de wet van 05.12.1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, heeft ook recht op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %. Voor deze werkgever wordt een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen.

2. Welke werkgevers hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %?

De werkgevers opgesomd in FAQ 1 die aan de voorwaarden voldoen om als kleine vennootschap te worden aangemerkt op grond van het Wetboek van Vennootschappen, hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %.

Ook de werkgevers natuurlijke personen die aan dezelfde criteria beantwoorden, hebben recht op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %.

Vzw’s, stichtingen en feitelijke verenigingen komen bijgevolg niet in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel. Voor zover zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 % (zie FAQ 1).

3. Wanneer wordt een werkgever aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van het Wetboek van Vennootschappen, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis aan die criteria beantwoordt?

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen volgende twee periodes:

Periode 1: bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.01.2014 tot en met 31.03.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt voor 01.01.2016

De werkgever wordt aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van artikel 15, Wetboek Vennootschappen, zoals het bestond voor te zijn gewijzigd door de wet van 18.12.2015, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan de criteria voorzien in dit artikel 15.

Een kleine vennootschap is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst en het voorlaatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

-       jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;

-       jaaromzet, exclusief de btw: 7.300.000 euro;

-       balanstotaal: 3.650.000 euro;

tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.

Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen verbonden is, worden de criteria inzake omzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

Periode 2: bezoldigingen betaald of toegekend tot en met 31.03.2016, in de loop van een belastbaar tijdperk dat aanvangt vanaf 01.01.2016

De werkgever wordt aangemerkt hetzij als een kleine vennootschap op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, Wetboek Vennootschappen, hetzij als een natuurlijke persoon die mutatis mutandis beantwoordt aan de criteria voorzien in dit artikel 15, §§ 1 tot 6.

Een kleine vennootschap is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

-       jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;

-       jaaromzet, exclusief de btw: 9.000.000 euro;

-       balanstotaal: 4.500.000 euro.

Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen verbonden is, worden de criteria inzake omzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.

4. Wat wordt bedoeld met verbonden vennootschappen?

Onder ꞌmet een vennootschap verbonden vennootschappenꞌ wordt verstaan:

a. de vennootschappen waarover zij een controlebevoegdheid uitoefent;

b. de vennootschappen die een controlebevoegdheid over haar uitoefenen;

c. de vennootschappen waarmee zij een consortium vormt;

d. de andere vennootschappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de vennootschappen bedoeld in a., b. en c.

5. Komen werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, ook in aanmerking voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %?

De verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing heeft als voorwaarde dat de werkgever moet voldoen aan de definitie van een kleine vennootschap zoals bepaald in het Wetboek van Vennootschappen.

De werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 die beantwoorden aan de definitie van een kleine vennootschap zoals bepaald in het Wetboek van Vennootschappen, kunnen bijgevolg aanspraak maken op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %.

Voor deze werkgevers wordt een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen.

6. Wie zijn de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector?

Dit zijn de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van volgende paritaire comités:

a. Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen;

b. Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten;

c. Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;

d. Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;

e. Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap;

f. Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten;

g. Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Vlaamse Gemeenschap;

h. Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap;

i. Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen, met uitzondering van de sociale werkplaatsen;

j. Paritair Comité voor de socio-culturele sector;

k. Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap;

l. Paritair subcomité voor de federale en bicommunautaire socio-culturele organisaties;

m. Paritair subcomité voor de socio-culturele sector van de Franstalige en Duitstalige Gemeenschap en het Waals Gewest;

n. Paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en diensten, met uitzondering van de werkgevers die onder de omschrijving van het paritaire subcomité voor de tandprothese vallen;

o. Paritair comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector;

p. Paritair comité voor de Franstalige, Duitstalige en bicommunautaire welzijns- en gezondheidssector.

7. Komen (internationale) vzwꞌs, stichtingen en feitelijke verenigingen ook in aanmerking voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,12 %?

Neen. Opdat een werkgever aanspraak kan maken op de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, moet hij voldoen aan de definitie van een kleine vennootschap zoals bepaald in het Wetboek van Vennootschappen.

Bijgevolg komen vzwꞌs, stichtingen en feitelijke verenigingen niet in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel aangezien zij niet kunnen beantwoorden aan deze definitie.

Voor zover zij aan de voorwaarden voldoen, kunnen zij aanspraak maken op de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 %.

8. Welke bezoldigingen komen in aanmerking voor deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Volgende bezoldigingen worden in aanmerking genomen voor deze vrijstellingsmaatregel:

-       bezoldigingen bedoeld in artikel 31, WIB 92, met inbegrip van de vergoedingen bedoeld in artikel 31bis, WIB 92: dit zijn de bezoldigingen van de werknemers;

-       bezoldigingen  bedoeld in artikel 32, WIB 92, voor zover het gaat om bedrijfsleiders – werknemers.

9. Wat is de berekeningsgrondslag voor deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

De berekeningsgrondslag bedraagt 100 % van:

-       de bezoldigingen die in FAQ 8 opgesomd worden en die aan de sociale zekerheid zijn onderworpen: het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid;

-       de bezoldigingen die in FAQ 8 opgesomd worden en die niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen: het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, met inbegrip van de loonelementen waarop, overeenkomstig de toepassingsregels in bijlage III, KB/WIB 92, geen werkelijke bedrijfsvoorheffing verschuldigd is (wegens hun te gering bruto belastbaar bedrag of wegens bijzondere afwijkingen).

De loonelementen die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, maken bijgevolg geen deel uit van die berekeningsgrondslag.

Opgelet! Voor de berekening van de sociale zekerheid voor arbeiders wordt het basisbedrag vermeerderd met 8 %. Dit is een fictie die geen gevolgen heeft voor de reële loonkost en mag dus niet meegenomen worden in de berekeningsgrondslag voor deze vrijstelling. Ook voor arbeiders blijft de berekeningsgrondslag voor de aan de sociale zekerheid onderworpen loonelementen beperkt tot 100 %, zonder vermeerdering.

10. Wordt deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de totale loonmassa berekend?

Ja. De berekening gebeurt op de totale loonmassa (dus zowel de gewone bezoldigingen als de exceptionele) en wordt niet geïndividualiseerd.

11. Zit er een begrenzing op deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Ja. Deze vrijstelling is beperkt tot het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

12. Kan deze maatregel gecombineerd worden met andere vrijstellingsregelingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing?

Ja. Deze steunmaatregel kan worden gecumuleerd met alle andere steunmaatregelen inzake vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

13. Hoe moet deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting worden verwerkt in de aangiften in de bedrijfsvoorheffing?

Voor de betrokken aangifteperiode stelt de werkgever twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing op:

1ste aangifte

In de eerste aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen en in het vak 'verschuldigde BV' de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

2de aangifte

In de tweede aangifte komt in het vak 'belastbare inkomsten' eveneens het bruto belastbaar inkomen.

In het vak 'verschuldigde BV' komt een negatief bedrag, afhankelijk of toepassing wordt gemaakt van de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing of de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, gelijk aan respectievelijk 1,00 % of 1,12 % van de berekeningsgrondslag vermeld in FAQ 9.

Naargelang toepassing wordt gemaakt van de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing of de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, verschilt de te gebruiken code in het vak 'aard inkomen':

-       46 voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,00 %);

-       54 voor de verhoogde algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (1,12 %).

Opgelet: Het is dus niet de bedoeling dat de code ꞌ46ꞌ wordt gebruikt voor de algemene vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing van 1,00 % en de code ꞌ54ꞌ voor de verhoging van 0,12 %. De volle 1,12 % komt dus in de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing met de code ꞌ54ꞌ zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

14. Welke bijkomende verplichting rust er op de werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector?

Deze werkgevers dienen voor de betrokken aangifteperiode een derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing in met vermelding van:

-       onder het vak ꞌaard inkomenꞌ (code):ꞌ47ꞌ;

-       onder het vak ꞌbelastbare inkomstenꞌ: het deel van de in beginsel vrij te stellen bedrijfsvoorheffing dat betrekking heeft op de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a. tot en met p., van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector en dat werd ingevuld in het vak ꞌverschuldigde BVꞌ van de tweede aangifte (code 46 of 54);

-       onder het vak ꞌverschuldigde BVꞌ: het positief bedrag gelijk aan drie vierden van het in het vak ꞌbelastbare inkomstenꞌ van het in deze aangifte ingevulde bedrag.

Deze werkgevers storten het hierboven vermelde bedrag opgenomen in het vak ꞌverschuldigde BVꞌ aan de bevoegde ontvanger der belastingen op hetzelfde moment dat de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt gestort. Dit bedrag dient ter financiering van de Sociale Maribelfondsen.

15. Welke bewijzen moeten de werkgevers voorleggen om toepassing te mogen maken van deze vrijstelling van doorstorting?

De betrokken schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin voor elke werknemer:

1. de volledige identiteit;
2. het nationaal nummer;
3. het totaal bedrag van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
4. het totaal bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen.