FAQ betreffende het tax shelter stelsel voor audiovisuele werken

Geschreven door Lexalert

De FOD Financiën publiceerde op 13 september 2017 op www.fisconet.be een circulaire betreffende het tax shelter stelsel voor audiovisuele werken. 

In de FAQ komen volgende vragen aan bod: 

  1. Wat moet worden verstaan onder 'productievennootschap'?

  2.  Is een herfacturatie van productie- en exploitatie-uitgaven toegelaten?

  3. Welke uitgaven die worden gedaan binnen de 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst kunnen worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven?

  4. Welke productievennootschap kan de in aanmerking komende uitgaven in de Europese Economische Ruimte (EER) doen?

  5.  Kunnen de kosten met betrekking tot de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan?

  6. Kunnen de uitgaven waarvoor de dienstverrichter beroep doet op één of meer onderaannemers voor de verwezenlijking van de dienstverrichting, als in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven worden aangemerkt?

  7. Welke kosten van vervoer en accommodatie kunnen in aanmerking worden genomen als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie?

  8. Kunnen de facturen die worden uitgereikt door een uitzendbureau worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven?

  9. Welke restaurant- en receptiekosten kunnen worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven?

  10. Hoe wordt de verplichting om ten minste 70 % van de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven te besteden aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie beoordeeld?

  11. Wanneer kunnen er raamovereenkomsten met het oog op het bekomen van een tax shelter attest van een in aanmerking komend werk worden afgesloten?

1. Wat moet worden verstaan onder 'productievennootschap'?

De in aanmerking komende productievennootschap (artikel 194ter, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92) is de vennootschap die een raamovereenkomst mag afsluiten, bestemd voor de productie van een in aanmerking komend werk, met één of meer binnenlandse vennootschappen en/of Belgische inrichtingen van belastingplichtigen zoals bedoeld in artikel 227, 2°, WIB 92, zodat zij de sommen met vrijstelling van belasting kunnen besteden aan de financiering van de productie van dat werk.

Een in aanmerking komende productievennootschap is een vennootschap die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Zo kan zij geen televisieomroep zijn of een onderneming die in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen.

In de huidige evolutie van de audiovisuele sector naar meer professionalisme, zijn productievennootschappen vaak gedwongen om een groep waartoe ook Belgische of buitenlandse televisieomroepen kunnen behoren, te integreren. Daarom heeft de wetgever voorzien om productievennootschappen in aanmerking te nemen die zich verbinden om geen raamovereenkomst te ondertekenen in het kader van het tax shelter stelsel voor de productie van een in aanmerking komend werk waarvoor met hen verbonden televisieomroepen voordelen verkrijgen die rechtstreeks verbonden zijn met de productie of de exploitatie van het in aanmerking komend werk.

Een productievennootschap die een in aanmerking komend werk realiseert opdat dit zou worden uitgezonden door de hiermee verbonden televisieomroep heeft voor dat werk uiteraard geen toegang tot de financiering onder de vorm van tax shelter.

Een productievennootschap die een coproductie voor een audiovisueel werk aangaat met een productievennootschap die verbonden is met een televisiezender, kan geen gebruik maken van het tax shelter stelsel voor dat werk.

Hierna worden enkele voorbeelden gegeven ter verduidelijking.

Voorbeeld 1: Productievennootschap A maakt een audiovisueel werk dat bestemd is voor televisiezender X. Voor het produceren van dat audiovisueel werk, kan gebruik worden gemaakt van het tax shelter stelsel.

Voorbeeld 2: Productievennootschap X1, een productievennootschap die verbonden is met  televisiezender X, maakt een audiovisueel werk dat bestemd is voor televisiezender X. Voor het produceren van dat audiovisueel werk, kan geen gebruik worden gemaakt van het tax shelter stelsel.

Voorbeeld 3: Productievennootschap A en productievennootschap X1, die verbonden is met de televisiezender X, maken in coproductie een audiovisueel werk dat bestemd is voor televisiezender X. Voor het produceren van dat audiovisueel werk, kan geen gebruik worden gemaakt van het tax shelter stelsel.

Bovendien moet om als een in aanmerking komende productievennootschap te kunnen worden beschouwd, een vennootschap als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken hebben.

Die activiteit inzake ontwikkeling en productie bestaat uit een geheel van activiteiten met het oog op het verzekeren van de productie van audiovisuele werken vanaf het ontwerp van een project en het zoeken naar financieringsbronnen tot de eindafwerking van het audiovisuele werk en de promotie ervan met het oog op zijn commercialisering.

De vraag of de activiteit inzake ontwikkeling en productie van audiovisuele werken de voornaamste activiteit uitmaakt is een feitenkwestie die in de eerste plaats moet worden onderzocht op basis van de resultatenrekening en inzonderheid van de opbrengstenrekening van de vennootschap voor het betrokken boekjaar of de betrokken referteboekjaren. Het gaat hier over de kernactiviteit zelf van de vennootschap, waarbij andere eventueel uitgeoefende activiteiten een bijkomstig karakter hebben. Of de productieactiviteit de kernactiviteit uitmaakt zal worden beoordeeld op basis van een bepaald volume van activiteiten.

Overigens is het bezit van alle of een deel (in het geval van een coproductie) van de rechten op het werk door de betrokken vennootschap ongetwijfeld een element om te besluiten dat de door een vennootschap geleverde prestatie kadert binnen de activiteit inzake ontwikkeling en productie van audiovisuele werken. In dat verband wordt opgemerkt dat in het oude tax shelter stelsel de productievennootschap in principe de rechten (rechten op een deel van de inkomsten) op het geproduceerde werk bezat.

Wanneer de vennootschap de rechten niet bezit, kan evenwel worden aanvaard dat de vennootschap heeft deelgenomen aan de ontwikkeling en de productie van het audiovisuele werk, indien zij een commissie of een correcte opbrengst heeft verkregen als tegenprestatie voor het afstaan van die rechten.

Voor de Belgische inrichting van een buitenlandse productievennootschap (belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 227, 2°, WIB 92) moet de vraag of de activiteit inzake ontwikkeling en productie van audiovisuele werken de voornaamste activiteit uitmaakt, worden beoordeeld ten name van die buitenlandse vennootschap, rekening houdend met het geheel van haar activiteiten.

Uit de voormelde omschrijving van het begrip productievennootschap volgt ontegensprekelijk dat 'administratieve' productievennootschappen (d.w.z. diegene waarvan de voornaamste activiteit de betaling van uitgaven is die aan haar werden gefactureerd of geherfactureerd) niet beantwoorden aan het begrip in aanmerking komende productievennootschap in de zin van artikel 194ter, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92.

2. Is een herfacturatie van productie- en exploitatie-uitgaven toegelaten?

Zoals reeds vermeld in nr. 40 van de circulaire Ci.RH.421/566.524 d.d. 23.12.2004, moet, in het geval van herfacturatie van productie- en exploitatie-uitgaven in België, worden nagegaan of de dienstprestaties of leveringen van goederen werkelijk werden gedaan binnen de termijn van 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst en dat onverminderd de toepassing van de artikelen 26 en 49, WIB 92. Ter zake is niet de datum van de herfacturatie relevant maar wel de oorspronkelijke datum waarop de dienstprestaties werden verstrekt of de goederen werden geleverd.

Om de datum te bepalen waarop de uitgaven zijn gedaan, moeten de dienstprestaties of leveringen van goederen werkelijk binnen de termijn van 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst plaatsvinden en moeten die uitgaven tijdens die periode werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt. Bovendien moeten op het vlak van de btw de regels met betrekking tot de facturatie van de dienstprestaties of leveringen van goederen strikt worden nageleefd.

De facturen die gedeeltelijk overeenstemmen met de facturatie van dienstprestaties of leveringen van goederen die rechtstreeks werden gedaan door de vennootschap die de factuur opstelt en gedeeltelijk met de herfacturatie van dienstprestaties of leveringen van goederen, worden echter niet beschouwd als een herfacturatie maar als een onderaanneming, op voorwaarde dat de geherfactureerde diensten en goederen noodzakelijk zijn voor de dienstprestaties of de leveringen van goederen die worden gefactureerd door de opsteller van de factuur.

Voor de termijn waarin de productie- en exploitatie-uitgaven moeten worden gedaan, zijn de bepalingen duidelijk en ondubbelzinnig. Zoals hiervoor wordt verduidelijkt, moeten die uitgaven in beginsel worden gedaan binnen de termijn van 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst.

Gelet op hetgeen voorafgaat, worden de systematische herfacturaties, waar geen werkelijke dienstprestaties of leveringen van goederen tegenover staan, niet aanvaard als productie- en exploitatie-uitgaven. M.a.w., opeenvolgende herfacturaties zijn niet tegenstelbaar aan de administratie.

Herfacturatie van uitgaven die dateren van vóór de datum van de raamovereenkomst was gebruikelijk binnen de audiovisuele sector. Die praktijk wordt niet meer aanvaard voor de raamovereenkomsten die worden gesloten vanaf 01.07.2016.

3. Welke uitgaven die worden gedaan binnen de 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst kunnen worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven?

Er wordt in eerste instantie aan herinnerd dat het tax shelter stelsel specifieke fiscale bepalingen in het WIB 92, heeft ingevoegd ten voordele van binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen die een raamovereenkomst ondertekenen met het oog op de financiering van toekomstige uitgaven die verbonden zijn aan de productie van een in aanmerking komend werk.

Overeenkomstig artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, tweede gedachtestreepje, WIB 92, moeten de uitgaven worden gedaan binnen de 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst (24 maanden voor animatiefilms en voor animatieseries bestemd voor televisie).

Evenwel kunnen, in bepaalde gevallen, de uitgaven die worden gedaan binnen de 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst, die betrekking hebben op de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk en die beantwoorden aan alle andere voorwaarden zoals voorzien in artikel 194ter, WIB 92, als in aanmerking komende uitgaven worden beschouwd voor zover de betrokken gemeenschap het werk heeft erkend en voor zover de in aanmerking komende productievennootschap kan verantwoorden waarom het noodzakelijk was dat die uitgaven moesten gedaan worden vóór en niet na de ondertekening van de raamovereenkomst.

Het is duidelijk dat die nieuwe bepaling een uitzondering vormt op de hiervoor aangehaalde algemene regel dat de uitgaven in beginsel moeten worden gedaan binnen de 18 maanden vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst (24 maanden voor animatiefilms en voor animatieseries bestemd voor televisie).

Slechts in bepaalde omstandigheden en mits een voldoende verantwoording van de productievennootschap waarom het noodzakelijk was dat die uitgaven moesten worden gedaan vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst kunnen de uitgaven, die zijn gedaan binnen de 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst, in aanmerking worden genomen.

Omdat er een verschil bestaat tussen het moment waarop de fondsen worden opgehaald en de timing van de producties die meestal seizoensgebonden zijn, verduidelijken de parlementaire stukken bij de W 12.05.2014 (Parl. St., Kamer, zitting 2015-2016, DOC 54 1737/004, blz. 4) dat de productievennootschappen uitgaven kunnen doen die voor de Tax shelter financiering in aanmerking komen, nog voordat de fondsen worden opgehaald en binnen een periode van 6 maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst.

De uitgaven die worden gedaan binnen de 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst, worden als in aanmerking komende uitgaven aangemerkt, voor zover de volgende voorwaarden worden nageleefd:

  • de financiering van de film ligt, op het moment waarop de verrichting wordt gedaan, vast voor 80 % van het globale budget. In het geval van een coproductie heeft dat percentage betrekking op het Belgische deel van het budget van de film;
  • de 'green light' werd gegeven. In de filmindustrie is de 'green light' de beslissing van de producent om over te gaan naar de productiefase van het werk op het moment dat de financiering ervan volgens hem voldoende verzekerd is;
  • de productieleider, ook productiemanager genoemd, werd aangesteld. Het betreft de persoon die aangesteld is door de gedelegeerd producent of door de (co-) producent om de voortgang van de productie te optimaliseren in functie van de geldelijke middelen en de persoon die de cash flow beheert;
  • de cel Tax Shelter werd op de hoogte gebracht van de naleving van de 3 hiervoor vermelde voorwaarden binnen de 15 dagen, te rekenen vanaf het moment waarop de laatste voorwaarde werd vervuld;
  • de verrichtingen hebben betrekking op de eigenlijke productie van de film en worden gefinancierd door de fondsen die ter beschikking zijn gesteld van de productieleider;
  • de productieleider is gestart met zijn activiteiten op het moment dat de verrichting wordt gedaan;
  • de uitgaven die worden gedaan vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst, bedragen niet meer dan 20 % van het totaal bedrag van de productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan;
  • de uitgaven die worden gedaan vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst tijdens het eerste semester van een bepaald jaar, hebben betrekking op een raamovereenkomst die ten laatste wordt getekend op 30 juni van dat jaar. De uitgaven die worden gedaan vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst tussen 1 juli en 31 december van een bepaald jaar hebben betrekking op een raamovereenkomst die ten laatste wordt getekend op 31 december van dat jaar.

De naleving van die voorwaarden verantwoordt voldoende waarom het noodzakelijk was dat die uitgaven moesten worden gedaan vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst.

De productievennootschap kan evenwel nog andere uitzonderlijke omstandigheden inroepen waardoor bepaalde uitgaven, die worden gedaan binnen een periode van 6 maanden vόόr de ondertekening van de raamovereenkomst, als in aanmerking komende kosten kunnen worden beschouwd.

Er zal met betrekking tot de bedoelde kosten in alle gevallen worden toegezien op de vereiste inzake voldoende verantwoording in het algemeen en de naleving van de hiervoor aangehaalde voorwaarden in het bijzonder. Elke oneigenlijke toepassing van die nieuwe bepaling moet dan ook, gelet op het uitzonderlijke karakter ervan, worden uitgesloten. 

4. Welke productievennootschap kan de in aanmerking komende uitgaven in de Europese Economische Ruimte (EER) doen?

In geval van coproductie vormen de productie- en exploitatie-uitgaven die in de EER werden verricht door de vennootschap-coproducent, die niet de in aanmerking komende productievennootschap is, wel degelijk in aanmerking komende uitgaven zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 6°, WIB 92.

In dat geval wordt er niet geëist dat de in aanmerking komende productievennootschap, naast de Belgische uitgaven, ook het geheel van de in aanmerking komende uitgaven in de EER moet doen.

5. Kunnen de kosten met betrekking tot de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan?

De in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan zijn de in België gedane uitgaven die betrekking hebben op de productie en exploitatie van een in aanmerking komend werk en waaruit beroepsinkomsten voortvloeien die ten name van de begunstigde in België belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners aan het gewoon stelsel van aanslag (zie artikel 194ter, § 1, eerste lid, 7°, WIB 92).

De inkomsten uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, die worden betaald aan een natuurlijke persoon en die de grens van 37.500 euro (geïndexeerd bedrag voor het aj. 2017: 57.590 euro) niet overschrijden, worden beschouwd als roerende inkomsten die als zodanig worden belast. Bijgevolg kunnen die vergoedingen nooit in aanmerking komen als productie- en exploitatiekosten.

In geval de bedoelde inkomsten de voormelde grens van 37.500 euro (geïndexeerd bedrag voor het aj. 2017: 57.590 euro) overschrijden en die rechten voortkomen uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten, worden die inkomsten, in de mate dat zij die grens overschrijden, beschouwd als beroepsinkomsten die kwalificeren als in aanmerking komende uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie.

6. Kunnen de uitgaven waarvoor de dienstverrichter beroep doet op één of meer onderaannemers voor de verwezenlijking van de dienstverrichting, als in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven worden aangemerkt?

De regels inzake de onderaanneming werden niet gewijzigd door de W 12.05.2014 en 26.05.2015, en bijgevolg blijven de bestaande principes, zoals die werden toegelicht in de nrs. 36 en 37 van de circulaire Ci.RH.421/566.524 d.d. 23.12.2004, van toepassing.

De dienstverrichtingen waarvoor de dienstverrichter een beroep doet op één of meer onderaannemers worden slechts als in België gedane uitgaven aangemerkt, indien de vergoeding van de dienstverrichtingen van de onderaannemer of onderaannemers 10 % van de uitgaven niet overschrijdt.

Die voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn wanneer de dienstverrichter die met de productievennootschap handelt, zich schriftelijk heeft verbonden, zowel ten aanzien van de productievennootschap als ten aanzien van de federale overheid (de cel Tax shelter van de FOD Financiën), om geen diensten in onderaanneming voor die productievennootschap te verrichten die meer dan 10 % van het totale bedrag van de gefactureerde uitgaven exclusief btw uitmaken (op basis van één of meer facturen).

De schriftelijke verbintenis is facultatief en is een weerlegbaar vermoeden. In geval de dienstverrichter in gebreke blijft, zullen de bedoelde uitgaven worden uitgesloten voor de toepassing van artikel 194ter, WIB 92, ongeacht de eventuele verhaalmogelijkheden tussen de partijen.

Artikel 194ter, § 1, derde lid, WIB 92, verduidelijkt dat er voor de berekening van de hiervoor vermelde 10 % geen rekening wordt gehouden met de vergoedingen van onderaannemers die hadden kunnen worden beschouwd als in België gedane uitgaven indien die onderaannemers rechtstreeks een contract zouden hebben aangegaan met de productievennootschap.

7. Welke kosten van vervoer en accommodatie kunnen in aanmerking worden genomen als uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie?

Zowel met betrekking tot de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven in de EER als met betrekking tot de productie- en exploitatie-uitgaven die in België werden gedaan, moet een deel van die bedoelde uitgaven rechtstreeks verbonden zijn met de productie.

De kosten van vervoer en accommodatie zijn opgenomen in de lijst van uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie. Ze worden evenwel beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan 25 % van het totaal bedrag van de kosten van lonen (met inbegrip van de persoonlijke sociale bijdragen) en andere vergoedingen van het personeel, van vergoedingen van zelfstandige dienstverleners en van de kosten die toegerekend zijn aan de betaling van de acteurs, muzikanten en artistieke functies voor zover zij bijdragen aan de interpretatie en realisatie van het in aanmerking komend werk. De beperking van 25 % wordt berekend op basis van de totale loonmassa. Dat betekent dat de lonen en andere vergoedingen die in het buitenland worden betaald in aanmerking worden genomen om die beperking te bepalen.

De vergoedingen en kosten op basis waarvan de beperking van 25 % wordt berekend (zie het tweede lid hiervoor), moeten duidelijk worden geïdentificeerd.

De kosten van vervoer en accommodatie die in aanmerking kunnen worden genomen, moeten duidelijk geïndividualiseerd zijn waarbij op ondubbelzinnige wijze kan worden bepaald voor wie die uitgaven werden gedaan.

Het spreekt voor zich dat die kosten van vervoer en accommodatie moeten worden verantwoord door facturen of andere bewijsstukken.

Wat betreft de in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven, moeten de kosten van vervoer en accommodatie ten name van de dienstverrichter beroepsinkomsten opleveren die in België belastbaar zijn in de personenbelasting, in de vennootschapsbelasting of in de belasting van niet-inwoners aan het gewoon stelsel van aanslag. Zo komen onder meer kostennota’s voor kilometervergoedingen evenals vervoerbewijzen van de vervoersmaatschappijen De Lijn, TEC en MIVB, die aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen, niet in aanmerking.

De kosten van vervoer en accommodatie die in België worden gedaan voor buitenlandse medewerkers van de productie, kunnen worden beschouwd als in België gedane productie- en exploitatie uitgaven. Het is niet vereist dat de bezoldigingen van die buitenlandse medewerkers ten laste vallen van de Belgische productievennootschap. Hierna wordt een voorbeeld ter verduidelijking gegeven.

Een Franse acteur komt enkele dagen naar Brussel voor buitenopnames in het kader van een coproductie tussen een Belgische en een Franse productievennootschap. Tijdens de opnames verblijft hij in een Brussels hotel. Het loon van die acteur wordt betaald door de Franse productievennootschap. De hotelfactuur van die Franse acteur, kan worden beschouwd als een in aanmerking komende Belgische uitgave die moet worden beperkt op die hiervoor vermelde wijze.

Er wordt bovendien opgemerkt dat in de mate dat de kosten van vervoer en accommodatie 25 % van de in het tweede lid bedoelde vergoedingen en kosten overschrijden, ze moeten worden opgenomen onder de uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie.

8. Kunnen de facturen die worden uitgereikt door een uitzendbureau worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven?

De facturen die worden uitgereikt door een uitzendbureau bevatten naast een beheersvergoeding voor het uitzendbureau ook de vergoedingen voor de door de uitzendkracht geleverde prestaties. Voor de toepassing van de bepalingen van het tax shelter stelsel worden die vergoedingen geacht rechtstreeks door de productievennootschap te zijn betaald aan de uitzendkracht die de uiteindelijke gerechtigde is van die vergoedingen.

Wanneer die vergoedingen voor die uiteindelijke gerechtigde belastbare beroepsinkomsten zijn, dan kunnen die uitgaven worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven op voorwaarde dat die facturen voldoende gedetailleerd zijn en dat die uitgaven betrekking hebben op de productie van een in aanmerking komend werk.

De facturen moeten daarom minstens de volgende gegevens vermelden: de beheersvergoeding, de gegevens van de uitzendkracht, de functie van de uitzendkracht, de data waarop de prestaties werden geleverd evenals de naam van het in aanmerking komend werk waarvoor de uitzendkracht werd aangeworven. Het deel van de vergoeding dat een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever vormt, komt daarentegen niet in aanmerking.

Daarnaast kan de beheersvergoeding van het uitzendbureau eveneens als een in aanmerking komende uitgave worden beschouwd op voorwaarde dat die entiteit aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners/vennootschappen is onderworpen.

9. Welke restaurant- en receptiekosten kunnen worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven?

De cateringkosten die worden gemaakt voor het ter beschikking stellen van drank en maaltijden op de set voor het technische en artistieke team (met inbegrip van de acteurs), dat aanwezig is bij de opnames van het in aanmerking komend werk, zijn uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie. Die uitgaven zijn immers, rekening houdende met de bijzondere werkomstandigheden of met een bindende collectieve arbeidsovereenkomst, in principe ten laste van de werkgever.

Daarentegen kunnen de cateringkosten die worden gemaakt voor een team dat instaat voor de productie van een animatiefilm niet worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven.

De receptiekosten die verbonden zijn aan de première vormen eveneens uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van in het in aanmerking komend werk.  

Andere dan de hiervoor vermelde uitgaven kunnen niet worden beschouwd als in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven. 

10. Hoe wordt de verplichting om ten minste 70 % van de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven te besteden aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie beoordeeld?

Artikel 194ter, § 1, eerste lid, 6° en vierde lid, WIB 92, bepaalt dat ten minste 70 % van de productie- en exploitatie-uitgaven die in aanmerking komen voor het tax shelter stelsel moeten worden besteed aan uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie om te vermijden dat een te groot deel van die sommen wordt uitgegeven aan diverse kosten.  De overige productie- en exploitatie-uitgaven kunnen dan worden besteed aan uitgaven die niet rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie.

Die voorwaarde moet per raamovereenkomst worden beoordeeld.

11. Wanneer kunnen er raamovereenkomsten met het oog op het bekomen van een tax shelter attest van een in aanmerking komend werk worden afgesloten?

Een raamovereenkomst kan worden afgesloten vanaf het moment dat de betrokken gemeenschap bevestigt dat het werk beantwoordt aan de definitie van een in aanmerking komend werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, WIB 92.

Er kan evenwel worden toegestaan dat een raamovereenkomst wordt gesloten alvorens die erkenning wordt verkregen, maar ten vroegste op de datum van indiening van het dossier bij de betrokken gemeenschap. In dat geval spreekt het voor zich dat de vrijstelling voor de investeerder slechts vanaf de datum van de erkenning kan worden verleend overeenkomstig de bepalingen van artikel 194ter, WIB 92. De datum van afsluiting van de raamovereenkomst, met inbegrip wanneer deze gesloten werd onder opschortende voorwaarde van het verkrijgen van de bevestiging van de betrokken gemeenschap dat het werk beantwoordt aan de definitie van een in aanmerking komend werk, bepaalt de aanvang van de verschillende periodes voorzien in artikel 194ter, WIB 92.

Vanaf het moment dat de betrokken gemeenschap bevestigt dat het werk is voltooid, kan er geen raamovereenkomst meer worden afgesloten met betrekking tot dat werk. Bovendien wordt opgemerkt dat de uitgaven tussen het moment van de release van het werk of de  uitzending van de laatste aflevering van een reeks  en de aflevering van het eindattest door de betrokken gemeenschap niet als kwalificerende uitgaven worden beschouwd in het kader van het tax shelter stelsel, waardoor er de facto geen raamovereenkomsten meer kunnen worden afgesloten vanaf dat moment.

12. Hoe worden de fiscale waarde van het tax shelter attest en de vereiste uitgaven voor het tax shelter attest berekend?

De investeerder krijgt een voorlopige fiscale vrijstelling van de belastbare winst ten belope van 310 % van de sommen waartoe hij zich in uitvoering van de raamovereenkomst verbonden heeft voor zover die sommen werkelijk gestort zijn binnen de 3 maanden na de ondertekening van de raamovereenkomst. De definitieve vrijstelling is evenwel beperkt tot 150 % van de uiteindelijke verwachte fiscale waarde van het tax shelter attest.

ð Een investering van 48.387,10 euro geeft, indien voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 194ter, WIB 92, bijgevolg recht op een tax shelter attest met een fiscale waarde van 100.000 euro en een vrijstelling van 150.000 euro van de belastbare winst.

De aflevering van het tax shelter attest is afhankelijk van de naleving van 3  cumulatieve voorwaarden.

1. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 194ter, § 8, WIB 92, bedraagt de fiscale waarde van het tax shelter attest maximaal 70 % van het bedrag van de in aanmerking komende productie- en exploitatie-uitgaven verricht in de EER  en uitgevoerd voor de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk, in de mate dat die 70 % van het bedrag van de uitgaven, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie.

ð Om een tax shelter attest met een fiscale waarde van 100.000 euro te bekomen moeten bijgevolg de kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven verricht in de EER 142.857,15 euro bedragen (142.857,15 euro x 70 % = 100.000 euro). De rechtstreekse kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven verricht in de EER moeten 100.000 euro bedragen.

2. De productievennootschap moet overeenkomstig de bepalingen van artikel 194ter, §§ 8 en 10, WIB 92, ten belope van ten minste 90 % van de waarde van het tax shelter attest, kwalificerende productie- en exploitatie-uitgaven in België doen en dat binnen een termijn van ten hoogste 18 maanden (24 maanden voor animatiefilms en animatieseries bestemd voor televisie) vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst. 

ð Om een tax shelter attest met een fiscale waarde van 100.000 euro te bekomen moeten de productie- en exploitatie-uitgaven die in België worden gedaan ten minste 90.000 euro bedragen (100.000 euro x 90 % = 90.000 euro)

3. Overeenkomstig artikel 194ter, § 10, eerste lid, 8°, WIB 92, moeten ten minste 70 % van het totaal van de in België gedane productie- en exploitatie-uitgaven, uitgaven zijn die rechtstreeks verbonden zijn met de productie en de exploitatie van het in aanmerking komend werk.

ð Om een tax shelter attest met een fiscale waarde van 100.000 euro te bekomen, moeten de rechtstreekse productie- en exploitatie-uitgaven die in België worden gedaan ten minste 63.000 euro bedragen (90.000 euro x 70 % = 63.000 euro)

Ingeval van niet naleving van die voorwaarden, zal de fiscale waarde van het tax shelter attest proportioneel moeten worden verminderd.

Ter verduidelijking daarvan wordt het volgende voorbeeld gegeven. Stel dat in het hiervoor uitgewerkte voorbeeld de rechtstreekse productie- en exploitatie-uitgaven in België slechts 50.000 euro bedragen in plaats van de vereiste 63.000 euro.

De fiscale waarde van het tax shelter attest zal dan proportioneel worden verminderd tot een bedrag van 79.365,08 euro, namelijk 100.000 euro x 50.000 euro.

63.000 euro

Lees de volledige tekst van de circulaire van 13 september 2017 betreffende de bepalingen van het tax shelter stelsel voor audiovisuele werken.