Drie aangepaste definities in VCF: verkrijging in rechte lijn, gezinswoning en bouwgrond

Geschreven door Lexalert
Foto: Doug Belshaw

Het Ontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit werd op 20 mei 2015 neergelegd in de Kamer. Het bevat een hele reeks aanpassingen. O.a. de definities van verkrijging in rechte lijn, gezinswoning en bouwgrond worden aangepast. 

1° Een verkrijging in rechte lijn

Naar aanleiding van de integratie van de bepalingen van het Wetboek van Successierechten en het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in de Vlaamse Codex Fiscaliteit werd het begrip “verkrijging  in  rechte  lijn”  geïntroduceerd.  Dit  om,  in tegenstelling tot het Wetboek van Successierechten en het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, een duidelijkere afbakening te maken van wie in aanmerking komt voor het voordeligste tarief. De introductie van het begrip “verkrijging in rechte lijn” was dus bedoeld om de wetgeving transparanter, eenvormiger en eenvoudiger te maken.

In de opgeheven bepaling van artikel 522 Vl.Wb.Succ. en artikel 132² Vl.Wb.Reg. werd er respectievelijk bepaald dat voor de toepassing van het Wetboek van Successierechten en het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten met de verwantschapsband rekening wordt gehouden indien er sprake is van stiefouderadoptie. In de praktijk werd het tarief rechte lijn toegepast, zowel voor het geadopteerd stiefkind zelf als voor zijn kinderen. In de huidige bepaling van de VCF (artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, b)) heeft de decreetgever die situatie willen opvangen door “een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner” te beschouwen als een verkrijging in rechte lijn. Hiermee wordt in één en dezelfde bepaling de relatie tussen stiefkind en stiefouder opgevangen, ongeacht of het stiefkind geadopteerd werd of niet.

Bepaalde rechtsleer interpreteert de huidige bepaling in die zin dat de kinderen van gewoon geadopteerde stiefkinderen niet meer in aanmerking komen voor het voordeligste tarief. Dit wordt opgehangen aan het feit dat niet langer meer vermeld wordt dat rekening wordt gehouden met de verwantschapsband die ontstaat tussen de adoptant en het geadopteerde stiefkind. Op dit vlak werd de rechtspraktijk evenwel niet gewijzigd. Uit de memorie van toelichting bij het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit blijkt immers duidelijk de intenties van de wetgever om de bepaling van het opgeheven artikel 522 Vl.Wb.Succ. i.v.m. stiefouderadoptie op te vangen in art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 5° b) van de VCF.

Om eventuele verwarring te vermijden wordt art. 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, d vervangen zodat punt b) opnieuw de situatie van (feitelijke) stiefkinderen regelt, en punt d) de situatie van geadopteerde  (stief)kinderen,  mét  verwijzing  naar  de verwantschapsband die voortkomt uit gewone adoptie. Wat punt d), 1 betreft, blijkt nu duidelijk dat zowel het (gewoon) geadopteerde stiefkind als zijn/haar kinderen in aanmerking komen voor het voordeligste tarief.

2° De definitie van de gezinswoning.

Dit punt voegt een zin toe aan artikel 1.1.0.0.2, achtste lid, 2°, van de VCF. Hiermee wordt verduidelijkt dat de aanhorigheden zoals gedefinieerd in het laatste lid van artikel 1.1.0.0.2, voor wat betreft hoofdstuk 9 (het verkooprecht) ook deel uitmaken van de gezinswoning en dus ook voor de vrijstelling van artikel 2.7.4.1.1, §2, van de VCF in aanmerking komen.

Er  kon  wel  via  interpretatie  worden  afgeleid  dat  ook  de aanhorigheden worden bedoeld als er van gezinswoning in de zin van hoofdstuk 7 sprake was. Het gegeven dat het begrip “aanhorigheid" wel wordt gedefinieerd voor hoofdstuk 9 en niet voor hoofdstuk 7 kon daarover twijfel doen ontstaan. De toevoeging van de voorgestelde zin neemt hierbij elke twijfel weg.

3° bouwgrond

Op heden is er geen definitie voor bouwgrond in hoofdstuk 9 van Titel 2 voorzien. Door de federale belastingadministratie werd tot voor de overname van de dienst van de belastingen door het Vlaamse Gewest steeds aanvaard dat een gebouwd onroerend goed dat op het moment van de aankoop noch juridisch noch feitelijk beantwoordt aan het begrip "woning" d.w.z. de plaats die vatbaar is voor bewoning, hetzij  dadelijk,  hetzij  mits  normale  herstellings-  of onderhoudswerken met een bouwgrond wordt gelijkgesteld voor onder meer de termijnen waaraan moet voldaan zijn om het abattement te kunnen behouden. Om hierover alle verwarring uit te sluiten wordt nu enerzijds het begrip bouwgrond uitdrukkelijk gehanteerd in artikel 2.9.3.0.2, §1, derde lid (zie de toelichting bij artikel 14) en anderzijds  een  definitie  van  het  begrip  “bouwgrond”  opgenomen waaruit blijkt dat gebouwde onroerende goederen die niet voldoen aan het begrip “woning” met bouwgrond worden gelijkgesteld.

Lees de volledige tekst van het ontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013