Discriminatie bij kapitaalvermindering in de BVBA

Geschreven door Mr. Joost van Riel, Schoups Advocaten, www.schoups.be
Foto: Horia Varlan    

De voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen stelt de vraag of artikel 317 van het Wetboek van vennootschappen te rijmen valt met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Op 3 juni 2015 heeft hij deze vraag voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Dat Hof zal naar alle verwachting oordelen dat dit artikel inderdaad in strijd is met de Grondwet.

In essentie draait een en ander om de bescherming van het vennootschapskapitaal.

Het vennootschapskapitaal is het onderpand van de vennootschapsschuldeisers. Die schuldeisers zien hun onderpand krimpen als de vennootschap een kapitaalvermindering (door uitkering aan de vennoten) aankondigt. Voor hen kan een kapitaalvermindering dus aanleiding zijn om alle opeisbare vorderingen (eindelijk) te doen betalen.

Beschikt een schuldeiser (ook) over een niet-opeisbare schuldvordering, is invorderen geen optie. Voor die schuldeisers is het cruciaal om snel te handelen. De eerste stap is dan de vennootschap om bijkomende zekerheden te vragen. Wil de vennootschap geen zekerheid geven, heeft ze een eenvoudig alternatief: betalen. Omdat het gaat om nog niet opeisbare schuldvorderingen, gebeurt die betaling na aftrek van een disconto. Soms blijkt ook betalen voor de vennootschap geen optie.

In dit scenario wendt de schuldeiser zich tot de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel.

Dit moet gebeurd zijn binnen een termijn van twee maanden vanaf de aankondiging. De procedure die daarmee wordt ingeleid heeft een ingrijpend gevolg: de vennootschap zal niet meer tot uitkering kunnen overgaan zolang de schuldeiser(s) geen voldoening hebben.

In de praktijk komt deze procedure zelden voor. Weinig schuldeisers volgen het kapitaalverloop van hun schuldenaars punctueel op en zij die dat wel doen hebben meestal al voldoende (andere) zekerheden. Dezelfde beschermingsmechaniek geldt nochtans bij de fusie of splitsing van een vennootschap. Door de manier waarop het kapitaal (en vooral de rest van het vermogen) daar wordt verdeeld tussen vennootschappen, zijn de gevolgen voor schuldeisers ook vrij gelijkaardig.

Het is in die context dat een aantal vonnissen zich (negatief) deed opvallen. Telkens ging het om schuldeisers die verwikkeld waren in andere gerechtelijke procedures met hun schuldenaar (soms net omdat die de gelegenheid hadden aangegrepen om aan te dringen op betaling).

Probleem is dat gerechtelijke procedures op twee manieren ingrepen op de rechten van de schuldeiser. In de eerste plaats zijn ze voor de schuldenaar een aanleiding om te beweren dat de schuldvordering waarvan sprake "niet bestaat". Anderzijds zijn ze (voor de advocaat van de schuldenaar) aanleiding om te argumenteren dat de vordering "de facto niet meer opeisbaar is" en dat als ze dat ooit toch weer zou worden"de opeisbaarheid de iure geldt vanaf het inleiden van de procedure". De uitkomst was steeds dezelfde: de schuldeiser kon geen zekerheden eisen. Uiteraard waren er ook tegenargumenten, maar rechters kozen hier vaak de kant van de schuldenaar.

De wetgever heeft daarom eind 2013 (ietwat ongelukkig) ingegrepen.

Los van de vraag of de schuldvordering bestaat of opeisbaar is, werd een nieuwe categorie toegevoegd van schuldeisers met "schuldvorderingen waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld". Zoals vaak, had deze volgens het principe van actie-reactie, op heel wat punten beter gekund.

De wijzigingswet liet niet alleen tekstueel te wensen over, de wet bleek ook gewoon onvolledig. Concreet wijzigde men het Wetboek van vennootschappen voor de NV (art. 613), maar zag men de parallelle bepalingen voor BVBA (art. 314) en CVBA (art. 426) over het hoofd. 

Het zijn de gevolgen van deze vergetelheid, die nu opspelen. Een schuldeiser, die verwikkeld is in een procedure met een BVBA en die BVBA een kapitaalvermindering ziet aankondigen, wendde zich tot de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen. Daar stelt hij zich terecht de vraag of hij niet dezelfde bescherming zou moeten genieten als wanneer zijn schuldenaar een NV was geweest. Deze vraag ligt nu bij het Grondwettelijk Hof, maar het antwoord is niet bepaald onvoorspelbaar.