De richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht

Geschreven door Lexalert
Foto: Paul  

De richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna “de richtlijn”) werd door verschillende landen in nationaal recht omgezet. In België gebeurde dit via het wetsontwerp van 12 april 2017.

Naleving van het mededingingsrecht – meer bepaald de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna “VWEU”) – wordt enerzijds gegarandeerd door de publieke handhaving te weten de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten, en anderzijds, op initiatief van de privaatrechtelijke handhaving door een beroep te doen op de nationale gerechtsinstanties van de lidstaten.

In de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 van het VWEU (vroegere artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) ((hierna “Verordening (EG) nr. 1/2003”) worden de uitvoeringsmodaliteiten van de overheden voor publieke handhaving vastgesteld.

Zo kunnen de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten inbreuken op het mededingingsrecht vaststellen en geldboetes opleggen aan de betrokken ondernemingen, maar kunnen ze geen schadevergoedingen toekennen aan de ondernemingen en burgers die slachtoffer zijn van dergelijke inbreuken. De bevoegdheid om uitspraak te doen over verzoeken tot herstel van de schade veroorzaakt door mededingingsinbreuken komt toe aan de nationale rechtscolleges.

De rechtsvorderingen tot schadevergoeding vormen slechts een minderheid van de gerechtelijke geschillen inzake mededinging. Dat wordt toegeschreven aan de belemmeringen voor de toegang tot bewijsmateriaal, de versnippering van nationale regels en de onzekerheid die daaruit voortvloeit, de verjaringstermijnen, de schaderaming of nog, de berekening van de toe te wijzen schade en interesten.

Het is nochtans van essentieel belang dat een effectieve werking van het mededingingsrecht wordt gegarandeerd, en dat de ondernemingen en de burgers die benadeeld werden door een inbreuk op het Europese en/of nationale mededingingsrecht de garantie kunnen hebben, dat ze bij rechtscolleges die ten gronde oordelen, een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen.

Zoals al werd aangehaald door het Hof van Justitie van de Europese Unie, in 2001 en 2006, wordt het recht van de slachtoffers om vergoeding te vragen voor de schade veroorzaakt door inbreuken op het mededingingsrecht, gewaarborgd door het gemeenschapsrecht (HJEU, zaak C-453/99; Courage et Crehan, 20 september 2001, Rec. 2001, p. I-6297 en HJEU, gevoegde zaken C-295-298/04, Manfredi, 13 julli 2006, Rec. 2006, p. I-6619). De richtlijn kadert in deze context.

Ze heeft volgende doelstellingen:

1) waken over een doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht, door een volledige vergoeding mogelijk te maken van de schade geleden door de slachtoffers van mededingingsinbreuken;

2) het daadwerkelijk instellen van de rechtsvordering tot schadevergoeding garanderen voor elk slachtoffer van inbreuken op het mededingingsrecht, door belemmeringen weg te nemen in verband met de toegang tot bewijsmateriaal, de verjaringstermijnen, de versnipperde nationale regelgevingen en de onzekerheid die daaruit voortvloeit, de raming van de schade of nog, de berekening van de uit te keren schadevergoeding;

3) bevorderen en reglementeren van de interacties met en de coördinatie tussen de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten, enerzijds, en de nationale gerechtsinstanties anderzijds, met het oog op een met het oog op het optimaliseren van de handhaving van het mededingingsrecht door de publieke sector en op het initiatief van de private sector. . De complementariteit van de publieke en privaatrechtelijke vorderingen vormt immers de beste garantie op een goede handhaving van de mededingingsregels van de Europese Unie.

Lees ook: Rechtsvordering tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht

Om die doelstellingen te halen, stelt de richtlijn volgende middelen voor:

1) het recht op volledige vergoeding voor de reële schade en voor de gederfde winst, alsook de betaling van interesten , voor de slachtoffers die schade hebben geleden als gevolg van een mededingingsinbreuk;

2) de invoering van het weerlegbare vermoeden dat de kartels schade berokkenen;

3) het rechterlijk bevel aan de procespartijen of aan derden tot het verlenen van toegang tot bepaalde bewijsstukken of relevante categorieën bewijsmateriaal die zo nauwkeurig en eng mogelijk zijn omschreven en binnen de perken van het evenredige;

4) de bescherming van sommige categorieën bewijsmateriaal vervat in het dossier van een mededingingsautoriteit nadat de procedure heeft beëindigd;

5) absolute bescherming van de clementieverklaringen en de voorstellen met het oog op een schikking;

6) het opleggen van sancties in geval van weigering of niet-naleving van een rechterlijk bevel tot overlegging van bewijsmateriaal, vernietiging van relevant materiaal, niet of gebrekkige uitvoering van de verplichtingen opgelegd door een rechter ter bescherming van vertrouwelijke informatie, en in geval van inbreuk op de beperkingen op het gebruik van bewijsmateriaal;

7) het invoeren van een onweerlegbaar vermoeden verbonden aan de inbreuk vastgesteld in een definitieve beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit of, in voorkomend geval, in een arrest van het Hof van Beroep van Brussel dat in kracht van gewijsde is getreden en dat uitspraak doet over een beroep tegen een beslissing van de Belgische Mededingingsautoriteit in overeenstemming met artikel IV.79;

8) het principe van de doorberekening van de meerkosten, waardoor, enerzijds, de inbreukpleger op het mededingingsrecht voor de rechter kan doen gelden dat een direct slachtoffer de meerkosten van de inbreuk heeft doorberekend, en, anderzijds, het bewijs van schade door een indirect slachtoffer gemakkelijker kan worden geleverd;

9) het principe van de hoofdelijke aansprakelijkheid, met specifieke regelingen voor de kleine en middelgrote ondernemingen (“kmo’s”) en de begunstigde van een volledige vrijstelling van geldboeten;

10) de beperking van het principe van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de inbreukpleger op het mededingingsrecht, die overgaat tot een minnelijke oplossing van geschillen met het slachtoffer van die inbreuk;

11) de schorsing voor een maximumduur van twee jaar van een procedure met betrekking tot een rechtsvordering tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht, in geval van een minnelijke oplossing van geschillen;

12) het toepassen van verjaringstermijnen waardoor het mogelijk wordt, rechtsvorderingen tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht effectief in te stellen;

13) de schorsing van de verjaringstermijnen vastgesteld om de rechtsvordering tot schadevergoeding in te leiden gedurende de hele procedure van minnelijke oplossing van geschillen.