De motiveringsplicht van de CAO nr. 109. Wie moet wat bewijzen?

Geschreven door Mr. Willy Van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte, Tacquet & Kileste, www.bellaw.be

Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109 van 12 februari 2014 betreffende de motivering van het ontslag, http://www.nar-cnt.be.

Eergisteren, twee dagen vóór Sint-Valentijn, sloten de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad een collectieve arbeidsovereenkomst die uitvoering geeft aan het "compromisvoorstel van de regering inzake het dossier arbeiders-bedienden" van 5 juli 2013. Dat aan de sociale partners opgedrongen compromis bepaalde dat zij tegen 1 januari 2014 een cao zouden sluiten die in "een regeling rond motivering van het ontslag en goed HR-beleid bij ontslag" zou voorzien. Die cao is er nu. Een beetje laat en pas in werking tredend op 1 april 2014 voor ontslagen vanaf die datum (art. 12), maar een kniesoor is wie daarover klaagt.

Omdat die cao zeer belangrijk is en een volledige commentaar ineens teveel plaats zou innemen om nog compact te kunnen worden genoemd, splitsen wij de bespreking op in een paar stukjes.  In de SoCompact van deze week alvast het eerste stukje, gewijd aan de bewijsregeling. 

Alleen voor wie niet vertrouwd is met procedures, klinkt het misschien vreemd dat wij starten met de bewijsregeling. Daarmee staan of vallen inderdaad veel rechtsgedingen.

Maar zeggen wij toch al waarop de bewijslast betrekking heeft: op het bewijs van de redenen voor het ontslag die bepalend zijn om uit te maken of een ontslag "kennelijk onredelijk" is. Dat is inderdaad de nieuwe, veel betere, benaming die de CAO nr. 109 geeft aan wat tot op vandaag "willekeurige afdanking" wordt genoemd in de ontslagregeling voor werklieden aangeworven op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij "kennelijk onredelijk ontslag" van voor onbepaalde tijd aangeworven werknemers, werklieden of bedienden, is voortaan een forfaitaire vergoeding verschuldigd. Maar daarover meer in een volgend stukje.

De vraag die ons hier bezighoudt is: wie moet bewijzen dat een ontslag "kennelijk onredelijk" was?

Lees ook:

In de regeling van de "willekeurige afdanking" voor werklieden bepaalt de actuele, wettelijke regeling, dat bij betwisting de werkgever het bewijs moet leveren van "de voor het ontslag ingeroepen redenen" (art. 63, tweede lid Arbeidsovereenkomstenwet; zie www.sociaalcompendium.be). Voor de werknemer volstaat het dus aan te voeren dat hij de redenen van de werkgever betwist als hetzij niet juist, hetzij niet beantwoordend aan de omschrijving van wat het willekeurig karakter aan een ontslag doet ontnemen (verband met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of berustend op "de noodwendigheden inzake de werking" van de onderneming). 

Artikel 10 van de CAO nr. 109 regelt dat heel anders. Een onderscheid moet worden gemaakt, naargelang de werkgever al dan niet de redenen van het ontslag spontaan of op vraag van de werknemer heeft meegedeeld (over de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren, wordt in een volgend stukje gehandeld; dat maakt het voorwerp uit van de artikelen 5 en 6 van de cao).

1. Eerste hypothese: werkgever heeft de ontslagredenen correct meegedeeld

In dat geval "draagt de partij die iets aanvoert daarvan de bewijslast", zegt de CAO nr. 109.

Wat is dat iets aanvoeren? Van Dale definieert dat als "ter staving van hetgeen beweerd wordt te berde brengen". De werknemer die, na kennis te hebben genomen van de redenen voor het ontslag, beweert dat in de opgegeven redenen of ondanks de opgegeven redenen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, zal dat dan moeten bewijzen. Op hem rust dus in eerste instantie de bewijslast. Maar dat belet niet dat ook de werkgever niet passief mag blijven en de realiteit van de door hem meegedeelde of van een andere reden die hij naderhand aanvoert, zal moeten bewijzen.

De situatie verschilt dus wel fundamenteel van de bewijslastregeling bij beweerde "willekeurige afdanking", die de werklieden het comfort geeft alleen te moeten beweren door te betwisten en hen niet oplegt ook te bewijzen.

2. Tweede hypothese: werkgever heeft de ontslagredenen niet correct meegedeeld

In dat geval mag de werkgever nog altijd redenen opgeven die volgens hem het ontslag de kwalificatie "kennelijk onredelijk" ontnemen die de werknemer aanvoert. Maar daarvan moet hij dan het bewijs leveren.

In dit geval is dus geen sprake van gedeelde bewijslast, maar is het uitsluitend de werkgever op wie de last rust het bewijs te leveren van de door hem voor het ontslag ingeroepen redenen.

3. Derde hypothese: werkgever heeft de ontslagredenen niet meegedeeld en werknemer heeft daarom niet gevraagd

Deelt de werkgever niet spontaan de ontslagredenen mee en vraagt de werknemer niet om die mededeling, hoewel de CAO nr. 109 hem daartoe het recht geeft, dan is het de werknemer die het bewijs moet leveren van "elementen die wijzen op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag".

Weliswaar staat er niet dat de werknemer dan de kennelijke onredelijkheid van het ontslag moet bewijzen, maar enkel elementen die daarop wijzen. Maar eigenlijk maakt dat geen verschil uit: een ontslag is kennelijk onredelijk, wanneer daarvoor manifest geen behoorlijke redenen zijn. Elementen die op iets manifests wijzen, bewijzen dat uiteraard ook: anders zou het niet manifest zijn.