Circulaire opeisbaarheid BTW en handelingen gelijkgesteld met diensten onder bezwarende titel

Geschreven door Lexalert
Foto: Bilal Kamoon  

De FOD Financiën publiceerde op 13 februari 2018 de circulaire 2018/C/20 op www.fisconet.be. De circulaire becommentarieert de wet van 29.11.2017 tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde. Ze behandelt volgende topics:

  • de opeisbaarheid van de belasting; 
  • de met diensten onder bezwarende titel gelijkgestelde handelingen; 
  • de regeling van actieve veredeling bij invoer; en 
  • de btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee.

Inhoudstafel

1. Inleiding 
2. Opeisbaarheid van de belasting 
3. Werk in onroerende staat dat wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek)

3.1. Uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit 
3.2. Uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit

4. De regeling van actieve veredeling bij invoer (art. 23, § 4, 6°, van het Btw-Wetboek) 
5. Btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee 
6. Technische aanpassingen betreffende de communautaire wetgeving 
7. Technische aanpassingen betreffende nationale wetgeving

7.1. Btw-vrijstelling voor zelfstandige groeperingen (artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Btw-Wetboek) 
7.2. Indiening langs elektronische wijze van de aangifte bij aanvang, wijziging of stopzetting van de werkzaamheid van de belastingplichtige 
7.3. Teruggaaf van in België betaalde invoer-btw (art. 77bis van het Btw-Wetboek)

8. Inwerkingtreding

►Blijf op de hoogte over de fiscale actualiteit via de maandelijkse, online seminaries "Up-to-date Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap" met Roel VAN HEMELEN (TaxQuest)

1. Inleiding

1. Deze circulaire handelt over de wijzingen aangebracht in het Btw-Wetboek door de wet van 29.11.2017 tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten onder bezwarende titel gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee (Belgisch Staatsblad van 06.12.2017).

2. Deze wet heeft in de eerste plaats tot doel enkele technische wijzigingen aan te brengen die aansluiten op vroegere wijzigingen betreffende nationale en Europese wetgeving.

3. Daarnaast bevat de wet aanpassingen met betrekking tot:

-    de uitvoering van een werk in onroerende staat die wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek);

-    de regeling van de actieve veredeling bij invoer (artikel 23, § 4, 6°, van het Btw-Wetboek);

-    de btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee (artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

2. Opeisbaarheid van de belasting

4. De artikelen 17, § 1, eerste lid, en 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek die in werking zijn getreden op 01.01.2016, bepalen dat voor de leveringen van goederen en de diensten, de belasting opeisbaar wordt over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking van de factuur plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de levering of de dienst wordt verricht (zie wet van 06.12.2015, Belgisch Staatsblad van 17.12.2015).

5. De oude tekst van het vierde lid van de artikelen 17, § 1 en 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek beoogt door de loutere verwijzing naar artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, alleen de vier limitatief in dat lid opgesomde gevallen waarin een factuur moet worden uitgereikt, met name:

-    de leveringen of diensten voor belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen;

-    de verkopen op afstand;

-    de intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen voor particulieren;

-    de gevallen waarin de btw opeisbaar wordt bij de ontvangst van de prijs of van een deel ervan, voor het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.

6. De artikelen 17, § 1, eerste lid, en 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek moeten evenwel worden toegepast in alle situaties waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is een factuur uit te reiken voor de handelingen die hij verricht.

Dit geldt dus ook in de situatie waarbij handelingen worden verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik en waarvoor de belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken krachtens artikel 53, § 2, vijfde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992.

Het was en blijft immers de bedoeling de voormelde handelingen op gelijke voet te plaatsen met de handelingen voor belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen, zoals dit overigens werd gepreciseerd in de memorie van toelichting van de wet van 06.12.2015.

7. De verwijzing naar artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek wordt dan ook gecorrigeerd door voortaan zonder onderscheid alle situaties te beogen waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is een factuur uit te reiken.

8. Voorbeeld:

Een particulier laat een onderhoud verrichten aan zijn personenwagen bij garage X (maandindiener) te Antwerpen. De prestatie wordt verricht op 27.04.2018. Op 30.04.2018 stuurt de garage de factuur naar de klant met betrekking tot het onderhoud voor het bedrag van 363 euro (incl. btw). De klant betaalt de factuur op 03.05.2018.

Hoewel deze prestatie voor een particulier wordt verricht, is X verplicht een factuur uit te reiken (zie artikel 53, § 2, vijfde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 1, 9°, van koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992).

De btw over de prestatie is dus opeisbaar op 30.04.2018, zijnde het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt (zie artikel 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek). Deze prestatie moet samen met de verschuldigde btw worden opgenomen in de btw-aangifte van april 2018. De aangifte moet worden ingediend en de verschuldigde btw moet worden voldaan aan de Schatkist ten laatste op 20.05.2018.

9. Er zal evenwel niet sanctionerend worden opgetreden als de belastingplichtige vóór de publicatie van deze circulaire deze regel niet zou gevolgd hebben, maar als tijdstip van opeisbaarheid van de btw het moment van de incassering van de prijs in aanmerking zou hebben genomen.

3. Werk in onroerende staat dat wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek)

10. Artikel 5 van de wet van 29.11.2017 vervangt artikel 19, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek en voegt een nieuw tweede lid in:

"§ 2. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:

1° voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben;

2° om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.

In afwijking van het eerste lid, 1°, worden het werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in artikel 12, § 2, bedoelde belastingplichtige, alsook het herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk niet gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.".

11. Hierna volgt een beknopte toelichting bij het gewijzigde artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek. Een meer uitvoerige commentaar wordt bij afzonderlijke circulaire gepubliceerd.

3.1. Uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit

12. Artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek stelt onder bepaalde voorwaarden de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit gelijk met een dienst verricht onder bezwarende titel.

13. De Belgische staat heeft een vraag om inlichtingen ontvangen van de Europese Commissie met betrekking tot deze problematiek (EU pilot 8781/16/TAXU).

14. De Europese Commissie heeft meer in het bijzonder kritiek geuit over de verenigbaarheid van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zoals het van toepassing was tot de wijziging ervan door de wet van 29.11.2017, met de Europese regelgeving.

Die bepaling was namelijk ook van toepassing bij de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat, wanneer dergelijk werk een volledig recht op aftrek zou doen ontstaan indien hij het zou laten verrichten door een andere belastingplichtige.

Daarentegen bepaalt de Europese regelgeving als voorwaarde voor de gelijkstelling met een dienst onder bezwarende titel, dat ingeval een dergelijke dienst door een andere belastingplichtige wordt verricht, de in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtige geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben (artikel 27, van de btw-richtlijn).

Het toepassingsgebied van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 29.11.2017 (hierna aangeduid als OUD) was derhalve te ruim.

15. België heeft zich tegenover de Europese Commissie verbonden om artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, OUD, van het Btw-Wetboek aan te passen en bijgevolg in overeenstemming te brengen met artikel 27 van de btw-richtlijn. Dat is gebeurd in artikel 5 van de wet van 29.11.2017.

De administratie zal, ten aanzien van de belastingplichtige met volledig recht op aftrek, de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, OUD, van het Btw-Wetboek niet meer eisen wat de periode betreft voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling (16.12.2017).

16. De impact van de wijziging kan worden verduidelijkt aan de hand van het voorbeeld van een belastingplichtige die door zijn eigen werk in onroerende staat een gebouw opricht dat wordt gebruikt binnen zijn economische activiteit voor doeleinden die een volledig recht op aftrek verlenen.

Ingevolge deze wijziging zal de betrokken belastingplichtige op het moment van de voltooiing van de werken niet langer geacht worden een met een dienst onder bezwarende titel gelijkgestelde handeling te verrichten. De belastingplichtige zal derhalve op dat moment ook geen bijzonder stuk (1) meer moeten opmaken dat die belastbare handeling vaststelt en hij zal evenmin nog btw moeten afdragen over een dergelijke handeling.

__________

(1) Artikel 3 van koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

17. Dat neemt niet weg dat ook onder de nieuwe regeling het betrokken gebouw nog steeds een bedrijfsmiddel blijft in de zin van artikel 6 van koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

18. Derhalve zal de btw die volledig in aftrek werd gebracht over de uitgaven die werden verricht om het gebouw op te richten (in het bijzonder de aankoop van materialen) moeten worden beschouwd als btw geheven van bedrijfsmiddelen die onderworpen is aan herziening gedurende een termijn van 15 jaar (zie artikelen 7 en 9 van koninklijk besluit nr. 3, voornoemd).

19. Dienovereenkomstig zullen deze gegevens voor de opvolging van mogelijke herzieningen in de tabel van bedrijfsmiddelen moeten worden opgenomen (2). De bewaringsplicht van 15 jaar is van toepassing (3).

__________

(2) Zie artikel 11, § 5, van koninklijk besluit nr. 3, voornoemd.

(3) Zie artikel 11, § 4, van koninklijk besluit nr. 3, voornoemd.

20. Het essentiële verschil tussen de oude en de nieuwe regeling op het vlak van de herzieningsverplichting is dus de omvang van het btw-bedrag dat aan herziening onderworpen is bij gehele of gedeeltelijke bestemmingswijziging van het opgerichte gebouw voor doeleinden die geen recht op aftrek verlenen.

Onder de oude regeling was het btw-bedrag dat aan herziening is onderworpen bij de oprichting van een gebouw, immers het volledig in aftrek gebrachte btw-bedrag dat verschuldigd werd over de met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgestelde handeling. Dat bedrag werd berekend over de normale waarde van die handeling.

Onder de nieuwe regeling is het voor herziening vatbare btw-bedrag daarentegen beperkt tot het volledig in aftrek gebrachte btw-bedrag dat verschuldigd werd over de uitgaven die werden gedaan om het gebouw op te richten.

21. Overeenkomstig artikel 19, § 2, tweede lid, NIEUW, van het Btw-Wetboek wordt bovendien het werk in onroerende staat, dat een belastingplichtig zelf of met eigen personeel verricht voor de doeleinden van zijn economische activiteit, niet gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel, wanneer het gaat om:

-    werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een beroepsoprichter (4), zoals dat voorheen ook al het geval was;

-    herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk.

__________

(4) Belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 12, § 2, van het Btw-Wetboek.

22. In het verleden werd het toepassingsgebied van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, OUD, van het Btw-Wetboek ten aanzien van herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk bij administratieve toegevingen steeds verder ingeperkt (5).

__________

(5) Zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 233 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 20.01.2011schriftelijke parlementaire vraag nr. 121 van de heer François-Xavier de Donnea van 07.03.2013.

Door middel van beslissing nr. E.T.130.422 van 05.07.2016, werd de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, OUD, van het Btw-Wetboek vanaf 01.07.2016 (6) in geen enkele veronderstelling meer geëist voor het werk dat bestaat in het herstellen, het onderhouden of het reinigen van een uit zijn aard onroerend goed dat een belastingplichtige zelf of met eigen personeel verricht voor de doeleinden van zijn economische activiteit.

__________

(6) De administratie zal de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, OUD, van het Btw-Wetboek niet meer eisen ten aanzien van het werk dat bestaat in het herstellen, het onderhouden of het reinigen van een uit zijn aard onroerend goed, dat een belastingplichtige zelf of met eigen personeel verricht voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wat de periode betreft voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling (16.12.2017).

Voortaan is deze beslissing reglementair verankerd in artikel 19, § 2, tweede lid, NIEUW, van het Btw-Wetboek.

3.2. Uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit

23. Artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, OUD, van het Btw-Wetboek is eveneens aangepast met het oog op een nauwgezette omzetting van artikel 26, lid 1, b), van de richtlijn 2006/112/EG.

24. Deze aanpassing betreft een louter tekstuele aanpassing, die geen inhoudelijke wijziging tot gevolg heeft. Het toepassingsgebied van artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, NIEUW, van het Btw-Wetboek verandert dus niet. Een geactualiseerde commentaar bij deze bepaling wordt bij afzonderlijke circulaire gepubliceerd.

Ander interessant artikel: Proratisering en beperking van bepaalde fiscale voordelen vanaf 1 januari 2018

4. De regeling van actieve veredeling bij invoer (art. 23, § 4, 6°, van het Btw-Wetboek)

25. Om de duidelijkheid ervan te verbeteren, heeft het communautair douanewetboek, vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 450/2008 van 23.04.2008 (7), het voorwerp uitgemaakt van een herschikking. De Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de raad van 09.10.2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, die de Verordening nr. 450/2008 vervangt, is van toepassing vanaf 01.05.2016.

__________

(7) Zie publicatieblad L 145 van 04.06.2008, blz. 1.

26. De douaneregeling actieve veredeling kende twee stelsels, namelijk:

-    actieve veredeling met schorsing van invoerrechten en

-    actieve veredeling met terugbetaling van invoerrechten.

27. Het eerste stelsel, het zogenaamde schorsingssysteem, houdt in dat er geen invoerrechten verschuldigd zijn, zolang de goederen zich onder die regeling bevinden.

28. Volgens het tweede stelsel worden de invoerrechten op het moment van invoer betaald, maar worden die (gedeeltelijk) terugbetaald op het moment dat de goederen worden wederuitgevoerd.

29. De invoer-btw was in geval van toepassing van het eerste stelsel niet verschuldigd zolang de goederen zich onder de opschortende douaneregeling bevonden, terwijl in het tweede stelsel de invoer-btw onmiddellijk bij de invoer verschuldigd was.

30. Artikel 256 van het nieuwe communautair douanewetboek heeft beide stelsels herleid tot één enkele opschortende douaneregeling actieve veredeling. Daarom diende ook de btw-wetgeving te worden aangepast en is voortaan in alle gevallen van actieve veredeling de btw niet verschuldigd, zolang de goederen zich onder de douaneregeling bevinden. Artikel 6 van de wet van 29.11.2017 wijzigt aldus artikel 23, § 4, 6°, van het Btw-Wetboek door de woorden 'met toepassing van het schorsingssysteem' te schrappen.

31. Bovendien is in bovengenoemd artikel 256, onder de noemer actieve veredeling, de vroegere opschortende douaneregeling 'behandeling onder douanetoezicht (BOD)' opgenomen. De regeling BOD is dus geïncorporeerd in de douaneregeling actieve veredeling en ermee samengesmolten tot één douaneregeling.

32. Rekening houdend met de nieuwe definitie van de douaneregeling actieve veredeling die enkel een opschortende regeling blijft, is de btw-regeling actieve veredeling zoals bedoeld in artikel 156, lid 1, punt c), van de btw-richtlijn, integraal van toepassing op alle gevallen van deze nieuwe douaneregeling actieve veredeling.

33. Inzake btw was de regeling BOD vóór deze wetswijziging geen opschortende regeling, waardoor de invoer-btw onmiddellijk verschuldigd was bij de plaatsing van de goederen onder die douaneregeling.

34. Voortaan wordt er evenwel ook inzake btw geen onderscheid meer gemaakt tussen een geval van actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem en een geval van behandeling onder douanetoezicht. Concreet betekent dit dat de regeling BOD inzake btw onder de regeling actieve veredeling valt en inzake btw een opschortende regeling wordt. Hierdoor is de invoer-btwverschuldigd op het tijdstip dat de douaneregeling aangezuiverd wordt door het in vrij verkeer brengen van de goederen en niet meer op het tijdstip van de invoer van de goederen. De invoer-btw is verschuldigd in de lidstaat waar de goederen uit de douaneregeling actieve veredeling gaan.

35. Deze wijziging geeft aldus uitvoering aan de wijziging van de btw-reglementering die al in het vooruitzicht was gesteld in beslissing nr. E.T.129.169 van 20.05.2016.

5. Btw-vrijstelling voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee

36. De Belgische staat heeft een vraag om inlichtingen ontvangen van de Europese Commissie met betrekking tot deze problematiek (EU Pilot 8325/16/TAXU) waarin kritiek wordt geuit op de verenigbaarheid van artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 29.11.2017, met de bepalingen van de btw-richtlijn zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

37. De vrijstelling bedoeld in artikel 148, punten a), c), d), van de btw-richtlijn beoogt de schepen voor de vaart op volle zee waarmee passagiersvervoer tegen betaling plaatsvindt of die worden gebruikt voor de uitoefening van een industriële, handels- of visserijactiviteit.

38. De versie van artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek, zoals die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 29.11.2017, bepaalt slechts dat de levering van zeeschepen bestemd voor passagiers- of goederenvervoer tegen betaling, voor de visserij of, meer algemeen, voor de uitoefening van enigerlei industriële of handelsactiviteit van de belasting zijn vrijgesteld.

39. In essentie zijn evenwel de objectieve materiële kenmerken van het schip niet voldoende om de vrijstelling te genieten; enkel het werkelijk gebruik op volle zee is doorslaggevend.

40. België heeft zich tegenover de Europese Commissie verbonden om artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek aan te passen en bijgevolg in overeenstemming te brengen met artikel 148 van de btw-richtlijn. Artikel 7 van de wet van 29.11.2017 past artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a) in die zin aan.

41. Voortaan wordt er, voor wat de toepassing van de vrijstelling betreft, niet meer verwezen naar 'zeeschepen' maar naar 'schepen voor de vaart op volle zee'.

42. Het concept 'volle zee' heeft daarbij, overeenkomstig de richtsnoeren van het 103de btw-comité, betrekking op elk gedeelte van de zee buiten de territoriale wateren van een land dat zich verder bevindt dan ten hoogste 12 zeemijlen te rekenen vanaf basislijnen die bepaald zijn in overeenstemming met het internationaal recht van de zee (8).

__________

(8) Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, ondertekend in Montego Bay op 10.12.1982.

Een meer uitvoerige commentaar over deze problematiek wordt bij afzonderlijke circulaire gepubliceerd. Zolang deze publicatie niet is gebeurd, aanvaardt de administratie dat de bepalingen van het oude artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek onverkort van toepassing blijven.

43. Bovendien omvatte de oude tekst momenteel enkel een algemene verwijzing naar de visserij zonder specifieke bijkomende verwijzing naar de schepen voor kustvisserij zoals in de btw-richtlijn. Door de invoering van het begrip 'schepen voor de vaart op volle zee' in de nieuwe tekst zou de vrijstelling niet meer van toepassing zijn op de leveringen van schepen voor de kustvisserij, maar enkel op de leveringen van schepen voor visserij op volle zee.

44. Om de conformiteit van de tekst met de btw-richtlijn ook op dit punt te verzekeren, worden de schepen voor de kustvisserij - net zoals in de btw-richtlijn - afzonderlijk vermeld, in casu door een toevoeging onder artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, b), van het Btw-Wetboek.

6. Technische aanpassingen betreffende de communautaire wetgeving

45. De richtlijn 92/12/EEG van de raad van 25.02.1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd.

Omwille van de duidelijkheid werd deze richtlijn vervangen door de richtlijn 2008/118/EG van de raad van 16.12.2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG.

46. De artikelen 8 tot en met 10 van de wet van 29.11.2017, vervangen bijgevolg de verwijzingen naar de richtlijn 92/12/EEG.

47. Deze wijzigingen aan het Btw-Wetboek betreffen:

-    artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°;

-    artikel 39bis, eerste lid, 3°;

-    artikel 39quater, § 2, 1°.

7. Technische aanpassingen betreffende nationale wetgeving

7.1. Btw-vrijstelling voor zelfstandige groeperingen (artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Btw-Wetboek)

48. Artikel 11 van de wet van 29.11.2017, brengt een verduidelijking aan in artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Btw-Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26.05.2016 en in werking getreden op 01.07.2016, ten gevolge van een materiële fout in deze bepaling.

49. Het is vanzelfsprekend dat een zelfstandige groepering van personen slechts de hoedanigheid van belastingplichtige kan hebben. De leden van deze groepering kunnen daarentegen niet-belastingplichtige zijn.

7.2. Indiening langs elektronische wijze van de aangifte bij aanvang, wijziging of stopzetting van de werkzaamheid van de belastingplichtige

50. Artikel 12 van de wet van 29.11.2017, past artikel 53octies, § 2, van het Btw-Wetboek aan zodat de delegatie aan de Koning eveneens de indiening langs elektronische wijze van de aangifte bij de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de werkzaamheid van de belastingplichtige (9) bedoelt.

__________

(9) Zie artikel 53, § 1, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek.

7.3. Teruggaaf van in België betaalde invoer-btw (art. 77bis van het Btw-Wetboek)

51. Artikel 13 van de wet van 29.11.2017, heeft tot doel een inconsistentie in de van kracht zijnde Franse tekst van artikel 77bis van het Btw-Wetboek te verbeteren, door de woorden 'de la présente loi-programme' te vervangen door de woorden 'de la loi-programme'.

8. Inwerkingtreding

52. De hierboven besproken bepalingen treden in werking op de 10de dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, in dit geval 16.12.2017.