BTW-vrijstelling sport - De niet te verwaarlozen lichamelijke component

Geschreven door Lexalert

De FOD Financiën publiceerde op 29 juni 2018 de circulaire 2018/C/84 over de Btw-vrijstelling inzake sport. Aanleiding is een recent arrest van het Europees Hof van Justitie inzake bridge. 

Artikel 44, § 2, 3° van het Btw-Wetboek stelt vrij de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan. Dit artikel is de omzetting van artikel 132, lid 1, m) van de richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Deze dienst wordt van de belasting vrijgesteld als de drie volgende voorwaarden samen vervuld zijn:

  • de dienst moet betrekking hebben op het beoefenen van de sport zelf en verstrekt worden aan personen die actief aan sport komen doen
  • de exploitant moet een instelling zijn die geen winstoogmerk nastreeft
  • de ontvangsten van de exploitatie moeten uitsluitend worden gebruikt om de kosten ervan te dekken.

Artikel 44, § 2, 3° van het Btw-Wetboek beoogt dus alle inrichtingen waar een werkzaamheid wordt uitgeoefend die van die aard is dat ze de lichamelijke ontplooiing bevordert, zoals gymnastiekzalen, zwembaden, rijscholen, sportterreinen, tennisvelden, golfterreinen ...

►Blijf op de hoogte over de fiscale actualiteit met onze maandelijkse Up-to-date fiscaliteit, boekhouding en vennootschap met Roel Van Hemelen (TaxQuest)

Recent heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in een zaak betreffende bridge (zaak C-90/16, The English Bridge Union, 26.10.2017) zich uitgesproken over wat onder het begrip sport moet worden verstaan. Zo oordeelde het hof dat het begrip 'sport' in de zin van artikel 132, lid 1, m) van de richtlijn 2006/112/EG, betrekking heeft op een activiteit die wordt gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component. Wedstrijdbridge vergt inderdaad de inzet van logica, geheugen, strategie of lateraal denken en is een activiteit die ten goede komt aan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van degenen die regelmatig wedstrijdbridge spelen. Maar dat een activiteit de lichamelijke en geestelijke gezondheid bevordert, volstaat op zich niet om te besluiten dat die activiteit moet worden beschouwd als 'sport' in de zin van artikel 132, lid 1, m) van de richtlijn 2006/112/EG. Dat die activiteit in wedstrijdverband wordt uitgeoefend, verandert niets hieraan. Bijgevolg valt wedstrijdbridge, dat wordt gekenmerkt door een te verwaarlozen lichamelijke component, niet onder het begrip 'sport' van deze bepaling.

Vroeger aanvaardde de administratie dat voornoemde vrijstelling ook van toepassing was ten aanzien van diensten verstrekt door een vzw aan haar leden in verband met het beoefenen en het bevorderen van het schaken.

Gelet op de recente rechtspraak past de administratie met ingang van 01.01.2019 haar standpunt in die zin aan dat alleen activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component onder het begrip sport vallen. Bijgevolg kan schaken, kaarten, gamen en andere gelijkaardige activiteiten niet langer vrijgesteld worden van de btw. Op de toepassing van de vrijstelling in het verleden zal evenwel niet worden teruggekomen.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat belastingplichtigen die zich gelet op het nieuwe standpunt niet langer kunnen beroepen op bovengenoemde vrijstelling, de vrijstellingsregeling als bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek kunnen genieten indien de in België gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 25.000 euro.

Elke commentaar die strijdig is met hetgeen voorafgaat wordt opgeheven.