Brexit - Verblijfsrecht van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden

Geschreven door Lexalert
Foto: muffinn  

Het wetsontwerp van 19 februari 2019 regelt het verblijfsrecht van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden na de Brexit zonder akkoord. Er wordt een overgangsperiode voorzien tussen de datum van terugtrekking en 31 december 2020.  

Op de datum waarop het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder akkoord zal het Verenigd Koninkrijk een derde land worden waardoor alle primaire en secundaire wetgeving van de Unie vanaf dat moment niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zal zijn. Dit houdt in dat de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk onderdanen van een derde land zullen zijn.

De rechten van de burgers zullen echter worden opgevat vanuit het idee van wederkerigheid en door prioriteit te geven aan de Europese coördinatie.

Er werd in België dan ook geopteerd voor een maximale vrijwaring van het verblijfsrecht van de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, alsook hun familieleden. Zoals de Europese Commissie reeds meedeelde op 19 december 2018 werd de burger steeds voorop gesteld en werd de lidstaten verzocht om een genereuze benadering te hanteren ten aanzien van de rechten van burgers van het Verenigd Koninkrijk in de Europese Unie, mits in het Verenigd Koninkrijk een soortgelijke benadering wordt gehanteerd. De Europese Commissie vroeg de lidstaten tevens om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die op de terugtrekkingsdatum legaal in de Europese Unie verblijven daarna nog steeds worden beschouwd als personen die legaal in de Europese Unie verblijven.

Het wetsontwerp van 19 februari 2019 beoogt dan ook een status quo en dus een verlenging van alle bestaande rechten na terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

Vermits een maximale vrijwaring van de rechten wordt nagestreefd, zijn de bepalingen uit hoofdstukken I en Ibis van titel II van de Vreemdelingenwet onverminderd van toepassing.

Volg onze Brexit-seminaries

Onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden

Zoals hoger reeds werd aangeven, beoogt dit wetsontwerp om de rechten van onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend overeenkomstig het EU-acquis en een verblijfsrecht hebben verkregen overeenkomstig artikel 40 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de Vreemdelingenwet), maximaal te vrijwaren.

Dit geldt evenzeer voor hun familieleden die een verblijfsrecht hebben verkregen overeenkomstig artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, alsook voor andere familieleden bedoeld in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet.

Er werd dan ook geopteerd om hun verblijfsrecht te behouden na terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, doch slechts voor een bepaalde periode, namelijk tussen de terugtrekking en 31 december 2020.

Aangezien er een status quo wordt beoogd voor een beperkte periode, zullen alle op het moment van terugtrekking hangende verblijfsaanvragen van zowel de onderdanen van het Verenigd Koninkrijk en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, alsook van andere familieleden bedoeld in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet, behandeld worden volgens de voorwaarden die golden op het moment voor de terugtrekking en dus voor de Brexit.

Een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die na terugtrekking uit de Europese Unie een verblijfsaanvraag indient, zal zich niet langer kunnen beroepen op de voorwaarden die golden op het moment voor de terugtrekking en zal onderworpen zijn aan de algemene regels die gelden voor onderdanen van derde landen in de Europese Unie.

De onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend overeenkomstig het EU-acquis en een verblijfsrecht hebben verkregen overeenkomstig artikel 40 van de Vreemdelingenwet kunnen zich laten vervoegen door hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, alsook door andere familieleden bedoeld in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet.

Deze aanvragen zullen behandeld worden volgens de voorwaarden die golden op het moment voor de terugtrekking voor zover zij werden ingediend tussen de terugtrekking en 31 december 2020.

Deze bepaling is dus eveneens van toepassing op de aanvragen ingediend door (andere) familieleden van de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die zijn verblijfsrecht heeft verkregen op basis van een verblijfsaanvraag die nog hangende was op het moment van de terugtrekking en dus conform (nieuw) artikel 81/3 van de Vreemdelingenwet.

Naar analogie met het bovenstaande zullen de aanvragen ingediend na de terugtrekking door (andere) familieleden van de onderdaan van het Verenigd Koninkrijk die zelf zijn verblijfsaanvraag na de terugtrekking heeft ingediend, onderworpen zijn aan de algemene regels die gelden voor onderdanen van derde landen in de Europese Unie. Ook zij zijn evenmin onderworpen aan de voorwaarden die golden op het moment voor de terugtrekking.

In het geval dat de geldigheid van het verblijfsdocument van een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk of zijn (andere) familieleden verkregen op grond van artikel 40, 40bis of 47/1 van de Vreemdelingenwet vervalt tussen de terugtrekking en 31 december 2020, kan deze op eenvoudige wijze de vernieuwing van zijn vervallen verblijfsdocument bij de gemeente aanvragen. Op vertoon van zijn vervallen verblijfsdocument bezorgt de burgemeester hem een nieuw verblijfsdocument dat geldig is tot het einde van de overgangsfase.

Overgangsperiode

Aangezien het vooralsnog niet duidelijk is hoe de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk zich zullen ontwikkelen, hetzij op gecoördineerde wijze door de Europese Commissie, hetzij bilateraal door België, is het noodzakelijk te bepalen dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van dit hoofdstuk vóór 31 december 2020 kan beëindigen.

Het wetsontwerp voorziet in een delegatie aan de regering om het toepassingsgebied aan te passen. Deze besluiten, overlegd in Ministerraad, moeten binnen zes maanden na hun inwerkingtreding worden bevestigd.

Het is immers niet duidelijk hoe de eventuele onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk zich zullen ontwikkelen, hetzij op gecoördineerde wijze door de Europese Commissie, hetzij bilateraal door België, waardoor het noodzakelijk is te bepalen dat de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de werkingssfeer kan aanpassen.

Het parlement zal in aanloop naar de federale verkiezingen van 26 mei 2019 ontbonden worden en het is mogelijk dat de Koning onverwijld regelgevend dient op te treden naar aanleiding van een mogelijks onzekere situatie volgend op de Brexit. Deze dwingende redenen rechtvaardigen het eventuele optreden van de Koning.

Bekijk de volledige tekst van het wetsontwerp van 19 februari 2019 betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie