Bescherming van bedrijfsgeheimen

Geschreven door Lexalert
Foto: Zarko Drincic  

Het wetsontwerp van 12 juni 2018 heeft als oogmerk de omzetting van richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan.

Deze richtlijn strekt ertoe een harmonisatie tot stand te brengen van de bepalingen  betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, teneinde in eenzelfde niveau van bescherming te voorzien in de hele Europese Unie. Ze voorziet daarbij in een minimumharmonisatie, zodat de mogelijkheid bestaat voor de lidstaten om te voorzien in verder reikende bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen, op voorwaarde dat een aantal waarborgen ter bescherming van de belangen van derden tot stand worden gebracht.

De richtlijn creëert geen nieuw intellectueel eigendomsrecht of een exclusief verbodsrecht voor de houder van een bedrijfsgeheim, maar voorziet in een aantal gedragsnormen. De omzetting in het Belgische recht gebeurt via wijzigingen aan het Wetboek van economisch recht, aan het Gerechtelijk Wetboek en aan de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Het wetsontwerp dat de regering de eer heeft u ter beraadslaging voor te leggen, beoogt een regelgevend kader in te stellen voor de bescherming van bedrijfsgeheimen in België, en heeft als doelstelling tegemoet te komen aan de verplichting van de Belgische Staat om de richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (hierna “de richtlijn”) om te zetten in nationale wetgeving.

Bedrijfsgeheimen omvatten de knowhow van een onderneming, de fabrieksof zakengeheimen of bepaalde andere informatie van een onderneming, die geheim is en die daarom een commerciële waarde heeft. Het is niet altijd mogelijk of wenselijk om dergelijke bedrijfsgeheimen te beschermen door een octrooi of enig ander intellectueel eigendomsrecht. Toch kunnen zij een grote economische waarde hebben en kunnen zij even belangrijk zijn voor innovatie en voor het concurrentievermogen van bedrijven als intellectuele eigendomsrechten. Door fenomenen zoals globalisatie, een toenemende uitbesteding, langere toeleveringsketens en gebruik van ICT, is er een toename in het onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen. Dit, in combinatie met het economische belang van bedrijfsgeheimen, zorgt ervoor dat de nood aan een goede rechtsbescherming ervan zich steeds sterker laat voelen. Voorts verplicht artikel 39 van de TRIPS-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van intellectuele eigendom de lidstaten om te voorzien in een bescherming van niet openbaar gemaakte informatie via de rechtsvordering wegens oneerlijke mededinging. Door de verschillen in de rechtsbescherming van bedrijfsgeheimen in de lidstaten, genieten bedrijfsgeheimen echter niet dezelfde mate van bescherming in de Europese Unie. Dit leidt tot een versnippering van de interne markt op dit gebied.

De richtlijn strekt ertoe een harmonisatie tot stand te brengen van de bepalingen betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, teneinde in eenzelfde niveau van bescherming te voorzien in de hele Europese Unie. Zij legt de lidstaten meer bepaald op om een toereikend en consistent niveau van civiele maatregelen te voorzien die kunnen worden toegepast in het geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim. De richtlijn voorziet daarbij, overeenkomstig artikel 1, § 1, in een minimumharmonisatie, zodat de mogelijkheid bestaat voor de lidstaten om een verder reikende bescherming te organiseren tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen, zolang de waarborgen ter bescherming van de belangen van derden die uitdrukkelijk in de richtlijn zijn vastgesteld, in acht worden genomen. De richtlijn moet uiterlijk op 9 juni 2018 zijn omgezet in het Belgische recht.

De richtlijn bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bepaalt het onderwerp en het toepassingsgebied van de richtlijn. Dit hoofdstuk bepaalt onder andere het principe van minimumharmonisatie (met uitzonderingen), en het bevat ook een aantal definities die mee het toepassingsgebied van de richtlijn bepalen. Belangrijk hierbij is de definitie van “bedrijfsgeheim”, welke woordelijk werd overgenomen van de TRIPSOvereenkomst. Het tweede hoofdstuk bepaalt in welke gevallen het verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen respectievelijk rechtmatig of onrechtmatig is, alsook de uitzonderingen hierop. Het derde hoofdstuk bevat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die van toepassing zijn in het geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim. Naast voorlopige en conservatoire maatregelen enerzijds en maatregelen die in een procedure ten gronde kunnen worden opgelegd, bevat dit hoofdstuk onder meer ook een aantal waarborgen voor de vertrouwelijkheid van gerechtelijke procedures met betrekking tot bedrijfsgeheimen, en de verplichting om in een verjaringstermijn te voorzien die niet langer is dan zes jaar. Het vijfde hoofdstuk ten slotte bevat een aantal slotbepalingen.

De richtlijn is in grote mate geïnspireerd op de richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Het is evenwel niet de bedoeling van de Europese wetgever om een nieuw intellectueel eigendomsrecht te creëren. Hoewel er op procedureel vlak dus wordt voorzien in gelijkaardige maatregelen, procedures en rechtsmiddelen, mag de bescherming van bedrijfsgeheimen niet op dezelfde voet worden geplaatst als de bescherming van intellectuele eigendomsrechten. De richtlijn voorziet inderdaad in gedragsnormen, en niet in een exclusief verbodsrecht ten gunste van de houders van bedrijfsgeheimen. Dit wordt overigens bevestigd in overweging 16 van de richtlijn, waar wordt gesteld dat “gezien het belang van innovatie en om concurrentie te bevorderen, mag deze richtlijn geen exclusieve rechten vaststellen op knowhow of informatie die als bedrijfsgeheim is beschermd”.

In het Belgische recht bestaat er geen algemeen wettelijk kader voor de bescherming van bedrijfsgeheimen. Deze worden ook niet beschouwd als intellectuele eigendomsrechten. Wel zijn er een aantal wettelijke bepalingen die toelaten om in bepaalde situaties op te treden tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen:

  • in de arbeidsrelatie: artikel 17, 3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de werknemer de verplichting heeft zowel gedurende de overeenkomst als na de beëindiging ervan, zich ervan te onthouden fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitvoering van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken; artikel 309 van het Strafwetboek voorziet in een straf voor degene die geheimen van de fabriek waarin hij werkzaam geweest is of nog is, kwaadwillig of bedrieglijk aan anderen meedeelt;
  • in het kader van oneerlijke marktpraktijken: artikel VI.104 van het Wetboek van economisch recht dat elke daad van oneerlijke concurrentie sanctioneert is van toepassing;
  • algemeen kan men ook een vordering instellen op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de buitencontractuele aansprakelijkheid, en op basis van artikel 491 van het Strafwetboek betreffende het misbruik van vertrouwen.

Deze bepalingen zijn echter versnipperd en onvolledig. De meeste bepalingen van de richtlijn komen als zodanig niet voor in het Belgische recht. Zo beschikken de rechters bijvoorbeeld over weinig mogelijkheden om de vertrouwelijkheid van informatie uitgewisseld in de loop van gerechtelijke procedures te garanderen. Een aantal van de voorziene middelen bestaan momenteel reeds in het Belgische recht, maar moeten aangepast worden aan de voorwaarden van de richtlijn. Verder biedt de toepassing van klassieke mechanismen van vergoeding van de geleden schade, op basis van hetzij een tekortkoming aan een contractuele verplichting, hetzij een gedraging in strijd met de eerlijke gebruiken, hetzij van een buitencontractuele aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, niet steeds gehele voldoening wat betreft de precieze bepaling van de schade. Dit kan de houder van een bedrijfsgeheim ontraden om herstel in rechte te vragen.

Dit wetsontwerp strekt er derhalve toe om de bepalingen vereist om de maatregelen, procedures en waarborgen waarin de richtlijn voorziet , in het Belgische recht in te voeren, om zo in deze materie over een modern en duidelijk juridisch kader te beschikken.

Men kan hierbij onderstrepen dat tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 9 mei 2007 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten door de Belgische wetgever overigens reeds werd gewezen op de nood aan een goede rechtsbescherming van bedrijfsgeheimen: “De bescherming van vertrouwelijke informatie moet horizontaal worden geregeld in een afzonderlijk wetsontwerp, rekening houdend met het feit dat op deze kwestie, die niet enkel de intellectuele eigendom aanbelangt, een coherent antwoord dient te worden gegeven. De naleving van het recht van verdediging van elk van de procespartijen behoort inderdaad tot de fundamentele principes van ons gerechtelijk privaatrecht. Dit recht van verdediging dringt zowel aan de rechter als aan de partijen de tegenspraak op (Fettweis, A., Manuel de procédure civile, Fac. Dr. Liège, 1985, n° 9; Laenens, J., Handboek Gerechtelijk Recht, Intersentia, 2004, n°. 76). Zo moet elke partij ontvangst krijgen van alle documenten en bewijselementen die door de tegenpartij worden ingeroepen en voorgelegd worden aan de rechter. De rechter kan zijn beslissing niet baseren op bewijselementen die niet onderworpen werden aan de tegenspraak. Het naleven van de tegenspraak is aldus moeilijk verzoenbaar met de noodzaak om vertrouwelijke gegevens te beschermen die een partij voor de rechter inroept, hetzij om zijn vordering te ondersteunen, hetzij ter verdediging. Er dient te worden gewezen op de dringendheid om de kwestie aangaande de bescherming van vertrouwelijke gegevens te regelen. Dergelijke bescherming wordt niet enkel opgelegd door richtlijn 2004/48/EG maar is ook nodig om de rechtszekerheid van de rechtzoekenden te versterken, met respect voor het fundamentele principe van de tegenspraak” (Parl. Doc. 2943/001 p. 15). In zijn advies van 5 mei 2006 had de Raad voor intellectuele eigendom eveneens de opportuniteit onderstreept om een horizontale wetgeving uit te werken om een optimale bescherming van de bedrijfsgeheimen te verzekeren.

Omzetting van de richtlijn in het Belgisch recht

Gelet op de aanwezigheid van een aantal bepalingen in het Belgische recht, het versnipperde karakter van deze bestaande bepalingen, en de groepering van de economische regelgeving in het Wetboek van economisch recht, is het niet aangewezen in een op zichzelf staande wettekst te voorzien. Dit wetsontwerp voorziet daarom in een aantal wijzigingen die worden aangebracht aan het Wetboek van economisch recht (Boeken I, XI en XVII), aan het Gerechtelijk Wetboek en aan de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Men heeft daarbij de bepalingen in de mate van het mogelijke gegroepeerd, met respect voor de indeling en structuur van de bestaande wetgeving. Daar waar het niet opportuun werd geacht om af te wijken van de formulering van de richtlijn, werd ervoor gekozen de bewoordingen van de richtlijn zo letterlijk mogelijk over te nemen. Wanneer het expliciet de bedoeling was om inhoudelijk van de richtlijn af te wijken, zal deze benadering duidelijk worden aangegeven in de artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp. In andere gevallen mag uit het gebruik van een lichtjes aangepaste bewoording ten opzichte van de richtlijn niet worden afgeleid dat er ook inhoudelijk wordt afgeweken van de richtlijn. Het betreft louter taalkundige aanpassingen, bijvoorbeeld met het oog op een consequent gebruik van termen binnen de Belgische wetgeving.

Taalkundige verschillen tussen de Nederlandstalige en de Franstalige tekst van het wetsontwerp zijn mogelijk, en vloeien voort uit de officiële vertalingen van de richtlijn, welke gebaseerd zijn op de Engelse tekst. In geval van twijfel in verband met de interpretatie dient dan ook naar de Engelstalige tekst van de richtlijn te worden verwezen.

Wijzigingen aan het Wetboek van economisch recht

In de eerste plaats brengt het wetsontwerp wijzingen aan aan het Wetboek van economisch recht, meer bepaald in de boeken I, XI en XVII. In boek I worden een aantal definities eigen aan bedrijfsgeheimen ingevoegd. In boek XI worden de inhoudelijke bepalingen inzake bedrijfsgeheimen opgenomen in titel 8/1, en een aantal procedurele bepalingen in titel 9/1 en titel 10. In boek XVII worden de bepalingen in verband met de vordering tot staking zoals in kort geding opgenomen, met betrekking tot bedrijfsgeheimen.

Er werd voor gekozen om het grootste deel van de bepalingen in verband met bedrijfsgeheimen onder te brengen in boek XI van het Wetboek van economisch recht. Dit is de meest aangewezen plaats voor de bepalingen betreffende bedrijfsgeheimen, gelet op het feit dat dit boek gekenmerkt wordt door zijn ruime toepassingsgebied ratione personae en niet beperkt is tot B2B of B2C-relaties. Verder voorzien de bepalingen in verband met bedrijfsgeheimen in een beschermingsregeling die analoog is aan wat inzake intellectuele eigendom nagestreefd wordt (met de nadruk op de bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen, en niet op de oneerlijke concurrentie die daar het gevolg van is). Ten slotte heeft de Europese wetgever doelbewust een gelijkenis gewenst tussen de procedures bepaald door de richtlijn betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen en richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Omdat in procedures om de rechten van de houder van een bedrijfsgeheim na te doen leven vaak zowel intellectuele eigendomsrechten als bedrijfsgeheimen aan bod komen, aangezien beiden nauw met elkaar verbonden zijn, werd ervoor gekozen om, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de specifieke bepalingen in de richtlijn, zoveel mogelijk aan te leunen bij de bestaande regimes voor intellectuele eigendomsrechten, en dit in het bijzonder op procedureel vlak.

Zoals hoger aangegeven, is het echter niet de bedoeling om een nieuw intellectueel eigendomsrecht te creëren. Dit wordt duidelijk gemaakt door de aanpassing van de titel van Boek XI naar “Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen”. Verder wordt dit duidelijk gemaakt door steeds afzonderlijke hoofdstukken of afdelingen te voorzien binnen boek XI en boek XVII, zodat geen verwarring mogelijk is met de bepalingen inzake intellectuele eigendomsrechten.

Ondanks het feit dat ervoor gekozen werd om zoveel mogelijk aan te leunen bij de bestaande regimes voor intellectuele eigendomsrechten, in het bijzonder op procedureel vlak, voorziet het wetsontwerp niet in een beslag inzake namaak voor bedrijfsgeheimen. Er zijn immers verschillende redenen om niet in dergelijke procedure te voorzien. In de eerste plaats wordt in deze mogelijke vordering voor de houder van een bedrijfsgeheim niet voorzien in de richtlijn. Daarnaast creëert de regelgeving inzake bedrijfsgeheimen geen nieuw intellectueel eigendomsrecht, en het beslag inzake namaak is enkel voorzien voor intellectuele eigendomsrechten. Uit de richtlijn kan dan ook geen argument worden geput om het toepassingsgebied van het beslag inzake namaak hiertoe uit te breiden. Een uitbreiding van de procedure van beslag inzake namaak tot de bedrijfsgeheimen zou ook kunnen leiden tot misbruik van de procedure. Ten slotte is een eventuele herziening van de procedure van het beslag inzake namaak een afzonderlijke oefening die niet past in het kader van de omzetting van de richtlijn.

Wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek

Daarnaast brengt het wetsontwerp een aantal wijzingen aan het Gerechtelijk Wetboek aan het betreft wijzigingen die omwille van hun algemeen en/of procedureel karakter beter thuishoren in het Gerechtelijk Wetboek dan in het Wetboek van economisch recht. De wijzigingen hebben betrekking op bevoegdheidsbepalingen, om in het equivalent te voorzien van de bepalingen die in het Wetboek van economisch recht voorkomen, op de voorlopige maatregelen, op de vertrouwelijkheidsverplichting en op de dwangsom.

Wijzingen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

Verder wordt ook artikel 17 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten gewijzigd door het wetsontwerp, meer bepaald met het oog op het in overeenstemming brengen van de gebruikte termen met de nieuwe bepalingen in het Wetboek van economisch recht.

Bepalingen van de richtlijn die geen omzetting behoeven

Ten slotte bevat de richtlijn een aantal bepalingen die geen expliciete omzetting behoeven in het Belgische recht. Het betreft meer bepaald de artikelen 1, lid 1, 6, 7, 16, 17, 18, 19, lid 2, 20 en 21 van de richtlijn.

Artikel 1, lid 1, van de richtlijn bepaalt het onderwerp van de richtlijn en het niveau van harmonisatie dat de richtlijn teweegbrengt. De richtlijn voorziet in een minimumharmonisatie; dit houdt in dat de lidstaten kunnen voorzien in verder reikende bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen. Daarbij worden echter een aantal uitzonderingen bepaald: een aantal artikelen worden opgesomd welke in elk geval moeten worden nageleefd. Deze artikelen bevatten waarborgen ter bescherming van de belangen van derden. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn behoeft geen omzetting, nu de naleving van de voorgeschreven waarborgen de omzetting ervan verzekert, zonder dat hiertoe een specifieke omzettingsbepaling dient te worden voorzien. In het wetsontwerp werd op sommige plaatsen namelijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te voorzien in een verder reikende bescherming tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen, bijvoorbeeld in het kader van de vertrouwelijkheidsverplichting, zonder dat hierbij werd geraakt aan de waarborgen vervat in de in de richtlijn opgesomde artikelen.

Artikel 6 van de richtlijn voorziet in een algemene verplichting voor de lidstaten om de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast te stellen die nodig zijn om te waarborgen dat een burgerlijke vordering kan worden ingesteld tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen. De lidstaten dienen er tevens over te waken dat deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen eerlijk en billijk zijn, niet onnodig ingewikkeld of duur zijn en geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden, en dat ze doeltreffend en afschrikkend zijn. Ook hier dient niet in een expliciete omzettingsbepaling te worden voorzien, maar wordt de omzetting verzekerd door de beoogde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te voorzien in het Belgische recht en daarbij te waken over de vereisten waaraan deze overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn dienen te voldoen.

Artikel 7 van de richtlijn bepaalt dat de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen waarin de richtlijn voorziet, moeten worden toegepast op een manier die evenredig is, het ontstaan van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer binnen de interne markt vermijdt, en waarborgt dat ze niet worden misbruikt. In dit verband bepaalt artikel 7 ook dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de verweerder, passende maatregelen kunnen toepassen wanneer een vordering betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim kennelijk ongegrond is en wordt vastgesteld dat de eiser de gerechtelijke procedure met het oog op misbruik of te kwader trouw heeft ingeleid.

Ook voor dit artikel dient niet in een specifieke omzettingsbepaling te worden voorzien. Het bestaande wettelijke kader in België biedt immers reeds voldoende mogelijkheden voor de rechters om in dergelijke gevallen een aantal maatregelen te bevelen. Zo is er in de eerste plaats de mogelijkheid voor de benadeelde partij om een schadevergoeding te vorderen op basis van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is er artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het tergend en roekeloos geding, volgens hetwelk de rechter een geldboete kan opleggen van 15 euro tot 2 500 euro. Artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt bovendien dat de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld wordt in de kosten. Deze bepaling kan indirect ook enig ontradend effect hebben voor procesmisbruik. Artikel 7 van de richtlijn verwijst ten slotte ook naar het verspreiden van informatie als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn, hetgeen wordt omgezet door het wetsontwerp.

Artikel 16 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instanties sancties kunnen opleggen aan de personen die niet voldoen of weigeren te voldoen aan de maatregelen in het kader van de vertrouwelijkheidsverplichting, de voorlopige en conservatoire maatregelen en de maatregelen ten gronde. Deze sancties dienen ook de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom te omvatten. Voor de omzetting van dit artikel dient, met uitzondering van hetgeen wordt vermeld in verband met de vertrouwelijkheidsverplichting, niet te worden voorzien in een specifieke omzettingsbepaling, nu het bestaande wettelijke kader in België reeds voldoende mogelijkheden biedt op vlak van sancties voor partijen die niet voldoen aan de opgelegde maatregelen, bijvoorbeeld via artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek en volgende betreffende de dwangsom. Voor wat de vertrouwelijkheidsverplichting betreft, voorzien de artikelen 35 en 42 van het wetsontwerp in een eigen sanctieregeling, nu het bestaande wettelijke kader op dit vlak onvoldoende mogelijkheden biedt. Een wijziging van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek zorgt ook voor de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangsom in het kader van de vertrouwelijkheidsverplichting.

De artikelen 17, 18, 19, lid 2, 20 en 21 ten slotte betreffen bepalingen in verband met de verslaglegging en slotbepalingen. Deze behoeven geen specifieke omzettingsbepaling.

Bekijk de volledige tekst van het wetsontwerp van 12 juni 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen