Arbeidscontractanten van publiekrechtelijke werkgevers worden gediscrimineerd

Geschreven door Willy Van Eeckhoutte, Van Eeckhoute, Tacquet en Kileste, www.bellaw.be
Foto: EU2016 NL  

GwH 30 juni 2016, nr. 101/2016 

Wat volgt is enkel van belang voor werkgevers uit de publieke sector die personeel met een arbeidsovereenkomst tewerkstellen (en voor dat personeel natuurlijk).

In de publieke sector is de bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag waarin de CAO nr. 109 voorziet, niet van toepassing. Echte cao’s gelden inderdaad, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, nooit voor de publieke sector. Concreet betekent dit (onder meer) dat werknemers die menen kennelijk onredelijk ontslagen te zijn, zich niet op die cao kunnen beroepen om van het bestuur of de overheid die hen op basis van een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, de forfaitaire vergoeding te vragen overeenstemmende met 3 tot 17 weken loon, waarin die cao voorziet. Volgens de CAO nr. 109 moet de werkgever die niet spontaan of op vraag de concrete ontslagreden schriftelijk heeft meegedeeld aan de werknemer, het bewijs leveren van de ontslagreden (zie www.sociaalcompendium.be).

In afwachting van een in het vooruitzicht gestelde gelijkaardige regeling, zo bepaalt de wet die het zgn. eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden invoerde, bleef voor de arbeiders onder hen de vroegere regeling van toepassing van het willekeurig ontslag voor werklieden, die voor de particuliere sector door diezelfde wet werd afgeschaft. Die regeling voorzag in een recht op een forfaitaire schadevergoeding gelijk aan zes maanden loon bij willekeurig ontslag en in een voor de werknemer nog voordeligere bewijsregeling (bij betwisting moet de werkgever altijd het bestaan van een deugdelijke reden bewijzen). Voor de bedienden die op basis van een arbeidsovereenkomst in de openbare sector worden tewerkgesteld, bestond en bestaat nog altijd geen specifieke regeling, zodat op hen een zware bewijslast rust, ook wat het bestaan en de omvang van de schade betreft, als zij een vergoeding willen vorderen omdat zij zonder of om een onaanvaardbare reden zijn ontslagen. 

In het hierboven vermelde arrest verklaart het Grondwettelijk Hof de bepaling van het willekeurig ontslag ongrondwettig in zoverre zij wordt toegepast op arbeiders in de publieke sector die worden ontslagen na 31 maart 2014. Hun voordeligere behandeling in vergelijking met die van bedienden, is discriminatie.

Volg het on demand seminarie Uitzendarbeid – Welke recente evoluties? met Mr. Luc ELIAERTS

Dat betekent dat sindsdien ook de arbeiders uit de publieke sector teruggevallen zijn tot het niveau waarop de bedienden zich al bevonden: zonder enige bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag die vergelijkbaar is met die van de werknemers van de particuliere sector.

Het Grondwettelijk Hof zegt erbij wat de arbeiders en bedienden tewerkgesteld in de publieke sector kunnen doen in afwachting van een wettelijk optreden m.b.t. de discriminatie waarvan zij nu samen het slachtoffer zijn als men hun situatie vergelijkt met die van de werknemers van de private sector: op basis van het algemene verbintenissenrecht vergoeding eisen en hopen dat de rechters zich bij hun beoordeling zullen laten leiden door de CAO nr. 109, d.w.z. bij kennelijk onredelijk ontslag een vergoeding zullen toekennen die gelijkwaardig is met de 3 tot 17 weken loon waarin die cao voorziet.

Het Grondwettelijk Hof doet aldus aan levelling down en niet aan levelling up om de gelijkheid tot stand te brengen. De bewoordingen van het arrest nr. 187/2014 van 18 december 2014 lieten eigenlijk al vermoeden dat het Grondwettelijk Hof die weg zou inslaan. In dat arrest besliste het Hof in een zaak die een werkgever uit de particuliere sector betrof, dat artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet strijdig is met de Grondwet. Om rechtsonzekerheid te voorkomen “ten nadele van de werklieden” besliste het Hof echter dat de gevolgen van die bepaling moesten worden gehandhaafd tot 1 april 2014 (zie SoCompact 51 -2014).

►Ander interessant artikel: 12 weken moederschapsverlof voor de vrouwelijke zelfstandigen en modaliteiten die beter aangepast zijn aan hun situatie