Akkoord over de hervorming van de spaar- en beleggingsfiscaliteit

Geschreven door Mrs. Gerd D. Goyvaerts, Koen Van Duyse, Ben Van Vlierden en Yannick Cools, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: Ken Teegardin  

Naast het akkoord over de hervorming van de vennootschapsbelasting, heeft de federale regering eveneens consensus gevonden over de wijzigingen in de spaar- en beleggingsfiscaliteit.

Hieronder een overzicht in hoofdlijnen van de wijzigingen die het zomerakkoord met zich meebrengen voor spaarders en beleggers.

Taks op de effectenrekeningen - TER

Vanaf 2018 wordt een taks op effectenrekeningen (TER) geïntroduceerd voor beleggers natuurlijke personen, die verschuldigd is indien de waarde van de effecten op de effectenrekening meer dan 500.000,00 EUR per persoon bedraagt. 

De TER is van toepassing op aandelen, obligaties en beleggingsfondsen, aangehouden via een effectenrekening. Pensioenspaarfondsen en levensverzekeringen zouden daarentegen vrijgesteld zijn. Effecten die gehouden zijn op naam die in een register zijn ingeschreven zijn uiteraard van TER uitgezonderd.

Het tarief bedraagt 0,15% en wordt naar verluidt geheven over de totale waarde van de effectenportefeuille van zodra deze de waarde overstijgt van 500.000,00 EUR per persoon. Evenwel vermelden bepaalde bronnen dat de heffing van 0,15% slechts toepasbaar zou zijn op het bedrag dat de 500.000,00 EUR overschrijdt. De correcte heffingsmaatstaf zal nog moeten blijken, maar het staat vast dat dit een wezenlijk verschil uitmaakt op het uiteindelijk verschuldigd bedrag.

De precieze modaliteiten van deze TER dienen nog nader te worden bepaald maar het openen van verschillende effectenrekeningen bij verschillende financiële instellingen om de overschrijding van de drempel te voorkomen, zal wellicht niet baten aangezien er een antimisbruikbepaling zou worden ingevoerd. Tevens wordt ten titel van vergelijking gerefereerd naar de regeling zoals die geldt voor de gereglementeerde spaardeposito’s waar de vrijstelling ook slechts geldt voor één maximaal bedrag. Daarnaast gelden ook aangifteverplichtingen met betrekking tot effectenrekeningen in binnen- en buitenland.

De belasting wordt ingehouden door de financiële instelling en die moet daartoe maandelijks een waardebepaling van de effectenrekening doorvoeren. Het tarief zou dan worden toegepast op een gemiddelde per kalenderjaar. De vraag is hoe deze gemiddelden zullen worden berekend indien meerdere effectenrekeningen betrokken zijn bij meerdere financiële instellingen. Vraag is verder hoe dit zal worden toegepast op buitenlandse effectenrekeningen.

Ten slotte zouden enkel objectief waardeerbare effecten in aanmerking komen. Niet-beursgenoteerde effecten zouden bijgevolg niet mee in aanmerking worden genomen.

Ter illustratie: de jaarlijkse belasting tegen een tarief van 0,15% berekend op een bedrag van 500.000,00 EUR zou 750,00 EUR bedragen. Dit lijkt weinig maar het zal vooral zaak zijn om de stijging van dit tarief de komende jaren goed in de gaten te houden. Eens een belasting is ingevoerd is het immers vrij gemakkelijk om aan het tarief te gaan sleutelen. Dit stellen we ook vast bij de taks op de beursverrichtingen (TOB, zie hieronder).

Vrijstelling gereglementeerde spaardeposito’s

De huidige vrijstelling op de gereglementeerde spaardeposito’s ten belope van de eerste schijf van 1.880,00 EUR aan interesten wordt gehalveerd tot 940,00 EUR.

Ter illustratie: een spaarbedrag van 855.000,00 EUR aangehouden op een gereglementeerde spaardeposito aan een rentetarief van 0,11% zal voortaan tot gevolg hebben dat voormelde drempel wordt bereikt (940,00 EUR). De impact van deze maatregel lijkt op heden, wegens extreem lage rentestand op gereglementeerde spaardeposito’s, dan ook vrij verwaarloosbaar.

Officiële bronnen luiden dat men een investering van de spaargelden in de reële economie wil stimuleren (zie hierna de vrijstelling op de eerste schijf van dividenden).

Vrijstelling op eerste schijf van dividenden

Beleggen in aandelen wordt aangemoedigd aangezien voortaan de eerste schijf van 627 EUR aan dividenden recht zal geven op een vrijstelling van de roerende voorheffing (30%) in hoofde van de private investeerder. Concreet levert dit de belastingplichtige een belastingvoordeel op van 188,10 EUR. Het bedrag van 627 EUR beloopt 2/3 van 940 EUR, en naar verluidt is hier verder geen bijzondere fiscaal gemotiveerde redenering achter te zoeken.

De vrijstelling zou echter slechts bekomen worden na reguliere aangifte in de aangifte personenbelasting van de betreffende dividenden. De belastingplichtige moet hierdoor in eerste instantie de inhouding door de financiële instelling van 30% roerende voorheffing dulden om vervolgens, na verloop van tijd, dit bedrag te recupereren via de aangifte. Onwillekeurig roept dit de herinnering op naar de “rijkentaks” die anno 2012 gold (21% + 4%) waar ook een combinatie werd gemaakt tussen bevrijdende roerende voorheffing enerzijds en een aangifteplicht anderzijds.

 Lees ook: Akkoord over de hervorming van de vennootschapsbelasting

Vrijstelling pensioensparen

Ten slotte wordt ook het pensioensparen gestimuleerd door de fiscale voordelen beperkt te verhogen.

Nu heeft de pensioenspaarder de mogelijkheid om tot 940,00 EUR op jaarbasis te sparen en hiervoor een fiscaal voordeel van 30% of maximaal 282,00 EUR te verkrijgen. De belastingplichtige zal nu de mogelijkheid krijgen om tot 1.200,00 EUR te sparen, maar hierop is slechts een belastingvoordeel toepasbaar van 25% of 300,00 EUR.

De belastingplichtige kan dus onder werking van de nieuwe regeling een bijkomend bedrag van 260,00 EUR opzijzetten via het pensioensparen en verkrijgt op dit bedrag een bijkomend fiscaal voordeel van 18,00 EUR.

Taks op de beursverrichtingen - TOB

De taks op de beursverrichtingen zou wederom fors stijgen:

  • op de aan- en verkoop van aandelen stijgt het tarief van 0,27% naar 0,35% (een stijging van 30%);
  • op de aan- en verkoop van obligaties stijgt het tarief van 0,09% naar 0,12% (een stijging van 33%).

RV bij uitkering door GBF

Uitkeringen verkregen uit gemeenschappelijke beleggingsfondsen (GBF) zullen voortaan onderworpen worden aan de roerende voorheffing (30%). Wellicht wordt hierbij de bepaling geschrapt dat geen roerende voorheffing verschuldigd is indien het fonds voldoet aan de ventilatieverplichtingen vervat in artikel 321bis W.I.B. 1992.

Op dit moment is echter nog weinig bekend over wie zal onderworpen worden aan de roerende voorheffing (enkel natuurlijke personen of ook rechtspersonen?) en of de taks enkel betrekking zal hebben op periodieke dividenden of ook bij verkoop van de belegging, …

Artikel 19bis WIB – RV obligatiemeerwaarden van fondsen

Op dit moment zijn enkel de inkomsten uit instellingen voor collectieve beleggingen (ICB) die méér dan 25% beleggen in schuldvorderingen onderworpen aan roerende voorheffing (te beoordelen per compartiment van de bevek - artikel 19bis W.I.B. 1992). Deze drempel van 25% zou vervallen. Voortaan zullen dus alle kapitalisatie-beveks onder deze bepaling vallen, waarbij de belastbare materie natuurlijk beperkt wordt tot de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit schuldvorderingen.

Ook pure aandeelfondsen zullen door de schrapping van de 25% drempel strikt genomen onder deze bepaling vallen. Aan de hand van de “TIS-methode” (Taxable Income per Share) zal dan immers moeten blijken of de belastbare basis inderdaad nul is. Het beheer van deze fondsen en de daarmee gerelateerde ventilatieverplichtingen wordt er voor de beheerders alleszins niet eenvoudiger op.