Aanvullende pensioenen: rendementsgarantie van 1,75% en overlijdensdekking

Geschreven door Lexalert
Foto: frankieleon

Het wetsontwerp van 8 december 2015 met betrekking tot de aanvullende pensioenen voert het akkoord van 16 oktober 2015 uit dat bereikt werd tussen de sociale partners aangaande verschillende oplossingen met het oog op het garanderen van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen.

De sociale partners hebben zich zo akkoord verklaard over meer bepaald een herziening van de rendementsgarantie ten laste van de inrichters van aanvullende pensioenen (werkgevers of activiteitensectoren) zoals voorzien in artikel 24 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale ze- kerheid (WAP) en over de invoering van de mogelijkheid tot een overlijdensdekking als de werknemer de werkgever verlaat zonder zijn reserves over te dragen.

Dit wetsontwerp heeft daarnaast als doel het aanvullend karakter van de tweede pensioenpijler (extralegale pensioenen) ten opzichte van de eerste pensioenpijler (wettelijke pensioenen) te bevestigen.

Volg het on demand seminarie Temporele werkgeversflexibiliteit – Mogelijkheden en beperkingen met Sigrid DEREYMAEKER

Krachtlijnen van het nieuwe kader met betrekking tot de aanvullende pensioenen

  1. Rendementsgarantie
  2. Aanvullend karakter tweede pensioenpijler ten opzichte van de eerste
    1. Link tussen de uitbetaling van het aanvullend pensioen en het ingaan van het wettelijke pensioen
    2. Verbod op bepalingen in pensioenreglementen en -overeenkomsten die aanzetten tot vervroegd vertrek
    3. Niet-aansluiting bij een pensioenplan van een gepensioneerde die het werk hervat
    4. Maatregelen tot versterking van het aanvullende karakter van de tweede pensioenpijler ten opzichte van de eerste pensioenpijler
  3. Maatregelen tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen

 

  1. Rendementsgarantie

De sociale partners hebben zich op 16 oktober 2015 akkoord verklaard over een herziening van de rendementsgarantie ten laste van de inrichters van aanvullende pensioenen (werkgevers of activiteitensectoren) zoals voorzien in artikel 24 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (hierna de WAP).

Krachtens artikel 24 van de WAP, is de inrichter van een aanvullend pensioen, in bepaalde gevallen, gehouden een rendement te garanderen op de gestorte bijdragen om een aanvullend pensioen te financieren.

  • Wanneer de pensioentoezegging de betaling inhoudt van persoonlijke bijdragen door de aangeslotene, moet de inrichter een rendement garanderen van 3,75 % op de persoonlijke bijdragen.
  • Wanneer de pensioentoezegging van het type vaste bijdragen of van het type cash balance is, moet de inrichter een rendement garanderen van 3,25 % op de werkgeversbijdragen.

Het betreft garanties die bereikt moeten worden bij het uittreden van de aangeslotene, bij zijn pensionering, of bij de opheffing van de pensioentoezegging.

Gezien het zwakke niveau van de interestvoeten van de obligaties, vormt het niveau van de rendementsgarantie zoals vastgelegd door de WAP een uitdaging voor de pensioeninstellingen (zowel voor de verzekeraars als voor de instellingen voor bedrijfspensioenen) indien zij de rendementsgarantie ten laste van de inrichter van de pensioentoezegging willen dekken.

Het is daarom dat de minister van Pensioenen de sociale partners in maart 2015 heeft uitgenodigd om in de schoot van de Nationale Arbeidsraad hun reflectie verder te zetten over een mogelijke herziening van de rendementsgarantie die tijdens de vorige legislatuur was aangevat. Na verschillende vergaderingen bij de Nationale Arbeidsraad die toegelaten hebben om de werkzaamheden voor te bereiden, hebben de sociale partners op 16 oktober 2015 een akkoord bereikt binnen de Groep van 10.

De sociale partners hebben in de eerste plaats beslist om een rendementsgarantie te behouden. Het gaat om de bevestiging van de wens om de koopkracht van de werknemers die toelaten dat een gedeelte van hun verloning (onder de vorm van werkgeversbijdragen of persoonlijke bijdragen) gebruikt wordt voor de financiering van een aanvullend pensioen, beschermd wordt tegen het rendementsrisico.

Zij behouden dus de rendementsgarantie voor dezelfde pensioentoezeggingen als deze waarvoor zij vandaag van toepassing is en dit volgens dezelfde modaliteiten.

Zij beslissen echter om de rentevoet van deze garantie te aligneren op een percentage van het gemiddelde over de laatste 24 maanden van de Belgische Lineaire Obligaties met een duurtijd van 10 jaar. De sociale partners zijn eveneens overeengekomen dat het resultaat van deze formule geen resultaat kan geven dat lager ligt dan 1,75 %, noch hoger dan 3,75 %.

De rentevoet van de rendementsgarantie zal voortaan dezelfde zijn voor de werkgeversbijdragen als voor de persoonlijke bijdragen.

Teneinde de inrichters toe te laten zich zo goed mogelijk in te dekken bij een pensioeninstelling tegen het financiële risico dat deze rendementsgarantie voor hen inhoudt, hebben de sociale partners beslist dat bij de wijziging van de rentevoet, de nieuwe rentevoet toegepast zal worden op de bijdragen volgens de methode die zo dicht mogelijk aanleunt bij deze toegepast door de pensioeninstelling die de pensioentoezegging beheert.

Indien de pensioeninstelling een bepaald resultaat garandeert (resultaatsverbintenis) op de gestorte bijdragen tot aan de pensioenleeftijd (horizontale methode), zal zo de rentevoet van de rendementsgarantie ten laste van de inrichter eveneens gegarandeerd zijn op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst tot aan de pensionering  behalve indien de uittreding of de opheffing van de pensioentoezegging eerder plaatsvindt waarbij dan deze rentevoet van de rendementsgarantie niet meer van toepassing zal zijn. Vanaf de uittreding of de opheffing van de pensioentoezegging, gebeurt de toekomstige kapitalisatie van het gegarandeerd bedrag aan de van toepassing zijnde rentevoet tot aan de uittreding of de opheffing van de pensioentoezegging aan een rentevoet van 0 %.

Indien de pensioeninstelling een dergelijk resultaat niet garandeert, zal de rentevoet van de rendementsgarantie ten laste van de inrichter van toepassing zijn:

  • op de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst vanaf de wijziging van de rentevoet en,
  • op het bedrag resulterend uit de kapitalisatie aan de oude rentevoet van de bijdragen verschuldigd op basis van het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst tot aan de wijziging. (verticale methode of methode van de spaarrekening – methode die op dit ogenblik voorzien is door de WAP).

Het was de wens van de sociale partners dat de herziening van de rendementsgarantie van kracht wordt vanaf 1 januari 2016.

Er dient bovendien opgemerkt te worden dat de bepalingen van het huidige wetsontwerp geen afbreuk doen aan de technische grondslagen contractueel overeengekomen tussen de inrichters en de pensioeninstellingen. Deze technische grondslagen omvatten onder andere de technische interestvoet gegarandeerd door de verzekeringsmaatschappij in tak 21.

Het was tot slot de wens van de sociale partners om een antwoord de bieden op de situatie van de werknemers die hun werkgever verlaten hebben en waarbij zij hun verworven reserves aan aanvullend pensioen bij de pensioeninstelling laten van de werkgever die zij verlaten. Het betreft dus de werknemers die doorgaans omschreven worden als “slapende aangeslotenen”. Het gebeurt inderdaad dat deze slapende aangeslotenen, in dat geval, niet meer beschikken over een overlijdensdekking zodanig dat, in geval van overlijden, hun rechthebbenden niet genieten van de verworven opgebouwde reserves. Om te kunnen genieten van een overlijdensdekking, moeten deze aangeslotenen de overdracht vragen van hun verworven reserves naar een onthaalstructuur. Een dergelijke overdracht kan echter bestraffend zijn voor de aangeslotene. Deze aangeslotene verliest in dat geval de bescherming van de inrichter in geval van financiële problemen of het faillissement van de pensioeninstelling. Bij pensioentoezegging van het type vaste prestaties, van het type cash balance of van het type vaste bijdragen met rendementsgarantie van de inrichter, geniet de aangeslotene niet langer van de verworven prestaties opgenomen in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. Deze aangeslotene zou bovendien in voorkomend geval het genot van de door de pensioeninstelling gegarandeerde interestvoeten kunnen verliezen. Het was daarom de wens van de sociale partners om de mogelijkheid te voorzien voor de aangeslotene om, terwijl hij in de pensioentoezegging blijft van de inrichter die hij verlaat, een overlijdensdekking te vragen die voorziet dat bij overlijden de verworven reserves gestort worden aan de rechthebbenden van de aangeslotene. De aangeslotene beschikt over de termijn van één jaar om voor deze dekking te opteren.

Het was de wens van de sociale partners dat deze mogelijkheid zou geboden worden aan de aangeslotenen voor elke uittreding die voorkomt vanaf 1 januari 2016.

  1. Aanvullend karakter tweede pensioenpijler ten opzichte van de eerste

Huidig ontwerp heeft als doel het aanvullend karakter van de tweede pijlerpensioenen (buitenwettelijke pensioenen) ten opzichte van de eerste pijlerpensioenen (wettelijke pensioenen) te bevestigen, zoals dit reeds in artikel 3, § 1, 1°, van de WAP wordt bepaald. Dit artikel definieert het aanvullend pensioen als het rust- of overlevingspensioen dat aan de aangeslotene wordt toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke socialezekerheidsregeling vastgesteld pensioen. In dezelfde zin kan verwezen worden naar artikel 42, 1°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna WAPZ) evenals naar artikel 35, 1°, van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen (hierna WAP bedrijfsleider).

Hiertoe worden de volgende aanpassingen aangebracht aan het wettelijk kader van de aanvullende pensioenen voor werknemers (namelijk de WAP), van de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen (namelijk de WAPZ), van de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen-bedrijfsleiders (namelijk de WAP bedrijfsleider):

  1. Link tussen de uitbetaling van het aanvullend pensioen en het ingaan van het wettelijke pensioen

Ten eerste wordt er voortaan voorzien dat aanvullende pensioenprestaties pas mogen worden uitbetaald op het moment van de effectieve ingang van het wettelijke pensioen (zie Titel 3, hoofdstuk 1, sectie 1 en 2). Een uitzondering is evenwel voorzien wanneer de aangeslotene in dienst blijft na de leeftijd van 65 jaar of de leeftijd waarop hij aan de voorwaarden voldoet om zijn vervroegd pensioen te kunnen opnemen. In deze gevallen, kan de aangeslotene eveneens de uitbetaling vragen van zijn aanvullend pensioen zelfs indien hij niet met pensioen vertrekt.

Overgangsmaatregelen werden voorzien om ervoor te zorgen dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de gegronde verwachtingen van de aangeslotenen die op het punt stonden hun aanvullend pensioen aan te vragen. Het huidige wetsontwerp herneemt de overgangsmaatregelen gevraagd door de sociale partners in het kader van het akkoord bereikt op 16 oktober 2015 binnen de Groep van 10.

  1. Verbod op bepalingen in pensioenreglementen en -overeenkomsten die aanzetten tot vervroegd vertrek

Bovendien zijn de bepalingen in pensioenreglementen en pensioenovereenkomsten die aanzetten om vervroegd met pensioen te gaan, verboden (zie Titel 3, hoofdstuk 1, sectie 2). Er werden eveneens overgangsmaatregelen voorzien.

  1. Niet-aansluiting bij een pensioenplan van een gepensioneerde die het werk hervat

Er wordt daarnaast verduidelijkt dat de gepensioneerden die een beroepsactiviteit uitoefenen niet meer van een aanvullend pensioen kunnen genieten (zie Titel 3, hoofdstuk 1, sectie 3). Overgangsmaatregelen worden voorzien voor gepensioneerden die, op de datum van inwerkingtreding van de maatregel, een aanvullend pensioen aan het opbouwen zijn in het kader van hun beroepsactiviteit.

  1. Pensioenleeftijd van pensioenreglementen of -overeenkomsten mag niet lager zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd

Tenslotte werd voorzien dat voor de nieuwe pensioentoezeggingen, de pensioenleeftijd voorzien door het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niet lager mag zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd die op dit ogenblik 65 jaar bedraagt.

Ingeval van een wijziging van de pensioenleeftijd voorzien door het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst van een bestaande pensioentoezegging, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd (zie Titel 3, hoofdstuk 2).

Bovendien mag, voor wat betreft de bestaande pensioenstelsels, de pensioenleeftijd van het pensioenreglement niet lager zijn dan 65 jaar voor de werknemers die in dienst treden vanaf 1 januari 2019.

In zijn advies nr. 58 564/1 van 7 december 2015, lijkt de Raad van State van mening te zijn dat indien de wijzigingen aangebracht door het huidige wetsontwerp het niveau van bescherming geboden door de van toepassing zijnde wetgeving gevoelig verlagen, deze verlaging overeenkomstig artikel 23 van de Grondwet gerechtvaardigd moet zijn door redenen van algemeen belang.

Er dient eerst en vooral verduidelijkt te worden dat artikel 23 van de Grondwet betrekking heeft op het recht op sociale zekerheid. De aanvullende pensioenen maken echter geen deel uit van de sociale zekerheid in strikte zin, zelfs als de doelstelling van dit wetsontwerp erin bestaat het aanvullende karakter van de tweede pijler te versterken ten aanzien van de eerste pensioenpijler.

Indien men echter ondanks alles het respecteren van artikel 23 van de Grondwet door het huidige wetsontwerp zou moeten nagaan, zou men moeten concluderen dat de door het ontwerp aangebrachte wijzigingen het door de van toepassing zijnde wetgeving geboden niveau van bescherming niet gevoelig verlagen.

  1. Maatregelen tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen

Wat betreft de rendementsgarantie is het correct dat de formule om de rentevoet te bepalen, wordt herzien maar de huidige wetgeving voorzag reeds de mogelijkheid tot aanpassing van de rentevoet van de rendementsgarantie. Indien de sociale partners bovendien de rendementsgarantie hebben willen herzien, is dit om de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen te waarborgen. Zonder deze herziening, hadden de inrichters ontmoedigd kunnen worden om nog langer aanvullende pensioenen aan te bieden aan de werknemers, wat zich voor de werknemers zou vertaald hebben in een verlies van sociale bescherming. Er wordt bovendien een rendementsgarantie behouden om de koopkracht van de werknemers te beschermen.

Wat betreft de invoering van de mogelijkheid tot een overlijdensdekking in geval van uittreding zonder andere wijziging van de pensioentoezegging, gaat het duidelijk om een verbetering van de bescherming eerder dan een verlaging.

  1. Maatregelen tot versterking van het aanvullende karakter van de tweede pensioenpijler ten opzichte van de eerste pensioenpijler

Wat betreft de maatregel aangaande de link tussen de uitbetaling van het aanvullende pensioen en het ingaan van het wettelijke pensioen, doet men niets anders dan het moment van de uitbetaling van de aanvullende pensioenprestaties uitstellen teneinde er zich van te vergewissen dat de aanvullende pensioenen op correcte wijze hun rol spelen van aanvulling op het wettelijke pensioen en aan de gepensioneerde werknemers toelaten een levensstandaard te behouden die meer in lijn ligt met hun levensstandaard als actieven. Het uitstel wordt dus gerechtvaardigd door een doelstelling van betere sociale bescherming. Het uitstellen van de uitbetaling van het aanvullende pensioen zal bovendien in principe aan de werknemer toelaten te genieten van een voordeligere fiscale behandeling van de aanvullende pensioenprestaties.

Wat betreft het verbod op clausules in pensioenreglementen en -overeenkomsten die vervroegde vertrekken aanmoedigen, gaat het ook niet om een gevoelige verlaging van de bescherming daar door dit type clausules te verbieden de werknemers aangemoedigd worden om langer in dienst te blijven, wat hun toelaat meer wettelijke en extralegale pensioenrechten op te bouwen en dus hun inkomsten als gepensioneerde verbetert.

Wat betreft de niet-aansluiting bij een pensioenplan van een gepensioneerde die het werk hervat, aligneert deze maatregel zich op de sociale bescherming die op dit moment wordt toegekend in het kader van de wettelijke pensioenen. Een gepensioneerde werknemer die het werk hervat, bouwt geen wettelijke pensioenrechten op in het pensioenstelsel waarin hij gepensioneerd is.

Wat tenslotte de maatregel betreft met betrekking tot de pensioenleeftijd, gaat het erom de eindleeftijd van de pensioenreglementen en -overeenkomsten beter te aligneren op het feit dat de burgers langer zullen werken. Het heeft immers geen zin een eindleeftijd te voorzien waarvan men op voorhand weet dat hij grotendeels overschreden zal worden door de werknemers die hun activiteit na die leeftijd zullen voortzetten.

Wat er ook van zij, het geheel aan maatregelen van het wetsontwerp worden bovendien gerechtvaardigd door de doelstelling van de regering om ervoor te zorgen dat elke burger een aanvullend pensioen opbouwt en dat dit aanvullend pensioen een voldoende significant bedrag vertegenwoordigt dat het wettelijk pensioen aanvult. Deze doelstelling is noodzakelijk rekening houdend met de uitdagingen waaraan onze wettelijke pensioenen het hoofd moeten bieden gezien de stijging van de levensduurte, de nakende pensionering van de naoorlogse babyboomers en de te lage gemiddelde leeftijd waarop de arbeidsmarkt verlaten wordt. Om het hoofd te kunnen bieden aan deze uitdagingen, zijn de hervormingen van de eerste pensioenpijler niet voldoende. Zij moeten gepaard gaan met de voortzetting van de ontwikkeling van de aanvullende pensioenen.

Wat betreft de opgenomen overgangsmaatregelen aangaande het moment van de uitbetaling van het aanvullende pensioen of aangaande het verbod op clausules in pensioenreglementen en -overeenkomsten die vervroegde vertrekken aanmoedigen, refereren zij aan het leeftijdscriterium daar dit het meest aangewezen criterium is om de door deze maatregelen beoogde doelstelling te bereiken, namelijk geen afbreuk doen aan de legitieme verwachtingen van de werknemers die aan de vooravond of bijna aan de vooravond staan van de leeftijd die hen zou toegelaten hebben de uitbetaling van het aanvullende pensioen te bekomen of te genieten van een clausule die het vervroegde vertrek aanmoedigt. Net zoals in het kader van de hervorming van de eerste pensioenpijler en het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd en de toegangsvoorwaarden voor het vervroegd pensioen, heeft men de leeftijd van 55 jaar beschouwd als een scharnierleeftijd. De overgangsmaatregelen voorzien dus voor de werknemers die in 2016 ten minste 55 jaar oud zijn, een geleidelijke verhoging van de leeftijd vanaf dewelke de aanvullende pensioenprestatie kan uitgekeerd worden zonder dat dit samenvalt met de pensionering. Wat betreft de overgangsmaatregel aangaande de clausules die vervroegde vertrekken aanmoedigen, voorziet deze geen geleidelijke verhoging, maar dit wordt indirect voorzien door het gecumuleerde effect van deze maatregel met de overgangsmaatregelen aangaande de uitbetaling van het aanvullend pensioen bij het ingaan van het wettelijk pensioen.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 8 december 2015 tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen