Aanvullende gezinsbijslag als optimaliseringsinstrument

Geschreven door Mr. Willy VAN EECKHOUTTE, Van Eeckhoutte, Tacquet & Kileste, www.bellaw.be

Cass. 15 februari 2016, S.14.0071/F 

In de loop van de decennia zijn de mogelijkheden waarover werkgevers beschikken om werknemers “socialezekerheidsvriendelijke” voordelen toe te kennen, als sneeuw voor de zon (de overheid) gesmolten. Dat is ook het geval voor aanvullingen van wettelijke socialezekerheidsvoordelen, die, zoals men weet, worden geweerd uit het loonbegrip dat de RSZ hanteert als basis voor de bijdragen: op aanvullende vergoedingen-SWT, premies voor hospitalisatie- en groepsverzekeringen enzovoorts zijn wel bijdragen verschuldigd, zij het niet de gewone.

Eén aanvullend socialezekerheidsvoordeel is tot op heden buiten schot gebleven, de aanvullingen op wettelijke gezinsbijslagen.

Bovengenoemd cassatiearrest maakt nog eens duidelijk dat die zonder meer buiten het loonbegrip blijven en dus vrij zijn van socialezekerheidsbijdragen. De zaak had betrekking op aanvullende gezinsbijslagen die een werkgever betaalde aan kinderen van het gezin van de werknemers die voldoen aan bepaalde functie-en anciënniteitsvoorwaarden.

De RSZ had aangevoerd dat die aanvullende voordelen wel loon zijn, omdat de toekenningsvoorwaarden ervan (functie en anciënniteit) vreemd zijn aan die van de wettelijke gezinsbijslagen. Het Hof van Cassatie wijst het argument van de hand: opdat een toekenning als aanvulling van een wettelijk socialezekerheidsvoordeel uit het loonbegrip zou zijn gesloten (en dus vrij van RSZ-bijdragen) volstaat het dat het gaat om een vergoeding die tot doel heeft te voorzien in een compensatie voor het verlies van arbeidsinkomsten of de verhoging van kosten veroorzaakt doordat één van de risico’s zich voordoet waartegen de verschillende socialezekerheidsregelingen bescherming bieden, zelfs als de toekenning van die vergoedingen afhangt van voorwaarden die vreemd zijn aan die risico’s.

Lees ook: Alternerend leren - Invoering van de (stage-)overeenkomst alternerende opleiding

De RSZ had ook tegengeworpen dat die voorwaarden, namelijk het voorbehouden van de aanvullende gezinsbijslag aan werknemers met een bepaalde functie en anciënniteit, onwettig zijn, want neerkomen op een verboden discriminatie. Ook dat argument verwerpt het Hof van Cassatie. Zelfs als dat zo zou zijn (het Hof moest zich daarover niet uitspreken en doet dat dan ook niet), belet dit niet dat het blijft gaan om aanvullende socialezekerheidsvoordelen die geen loon zijn.

Zijn er dan geen beperkingen om aanvullende gezinsbijslag als optimalisering te gebruiken? De RSZ zelf stelt bepaalde voorwaarden en kwantitatieve beperkingen (zie www.sociaalcompendium.be). Maar dat is natuurlijk “slechts“ een administratieve praktijk, die op zich geen wettelijke of reglementaire waarde heeft.