Aanpassing erfbelasting aan nieuwe erfrecht: De Vlaamse regering beslist als volgt: voortgezet vruchtgebruik wel, terugval van vruchtgebruik niet (meer) belast met erfbelasting

Geschreven door Mrs. Alain Van Geel - Muriel Gijbels, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto:   Mark J. Handy

Tijdens de Ministerraad van 2 maart jl. heeft de Vlaamse regering zijn principiële goedkeuring verleend aan het Voorontwerp van Decreet tot modernisering van de erfbelasting, aangepast aan het nieuwe erfrecht.1 Vooropgesteld wordt om dit Decreet, net als het nieuwe erfrecht, in werking te laten treden op 1 september 2018. Het advies van onder meer de Raad van State wordt nog ingewonnen dus het blijft afwachten naar eventuele opmerkingen (bv. over de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest) en hieraan gekoppeld eventuele latere aanpassingen.

Naast de al veelvuldig in de pers besproken voorgenomen hervormingen zoals bijvoorbeeld de verlaging van de toepasselijke tarieven tussen broers en zussen en tussen anderen springen volgende voorgenomen wijzigingen in het oog:

1. De nieuwe rechtsfiguur van het “wettelijk voorgezet vruchtgebruik” (artikel 858bis§3 en §4 nieuw B.W.) wordt onderworpen aan de erfbelasting.

De Vlaamse decreetgever voegt hiertoe een nieuw tweede lid toe aan artikel 2.7.1.0.2 VCF. Door deze vooropgestelde wijzing wordt de verkrijging van het wettelijk voortgezet vruchtgebruik door de langstlevende echtgenoot2 of de langstlevende wettelijke samenwonende partner3, net zoals de verkrijging op grond van de wettelijke devolutie, een uiterste wilsbeschikking of een contractuele erfstelling, dus formeel binnen het toepassingsgebied van de erfbelasting gebracht.

Indien het wettelijk voortgezet vruchtgebruik betrekking heeft op de gezinswoning, geldt nog steeds de vrijstelling van erfbelasting in hoofde van de langstlevende echtgenoot/partner.4

Op de hoogte blijven over de fiscale actualiteit? Volg de maandelijkse Up-to-date Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap

2. De terugval van vruchtgebruik (of het zogenaamd “successief vruchtgebruik”) wordt niet langer belast met erfbelasting.

Hiertoe wordt een nieuw tweede lid toegevoegd aan artikel 2.7.1.0.3 VCF. De fictie van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde of termijn vervuld ingevolge het overlijden van de schenker) is hierdoor niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval dat de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden bijvoorbeeld bij een schenking van een effectenportefeuille.

Met deze aanpassing wenst de Vlaamse decreetgever de “collateral damage” die voor bedingen van terugval van vruchtgebruik was ontstaan uit de wereld te helpen.5

3. De vermelding van een eerdere niet-geregistreerde schenking in een punctuele of een globale erfovereenkomst6 wordt geacht niet tot bewijs (“tot titel”) te strekken van die schenking. Hiertoe wordt een nieuw tweede lid toegevoegd aan artikel 2.8.1.0.1 VCF. De vermelding van een eerdere niet-geregistreerde hand- of bankgift zal dus geen aanleiding geven tot de heffing van schenkbelasting.

Indien het echter wél de bedoeling is van partijen (of één of sommige van hen) om een titel van heffing te creëren, kunnen zij dat in een uitdrukkelijke fiscale verklaring in of onderaan de akte te kennen geven. In dat geval zal wél schenkbelasting geheven worden op deze schenking. Dit werd uitdrukkelijk voorzien in een nieuw derde lid van artikel 2.8.1.0.1 VCF.

Met deze nieuwe decretale bepaling wenst de Vlaamse decreetgever de hervorming van het erfrecht maximaal te faciliteren en een fiscale rem op het opmaken van erfovereenkomsten te voorkomen.7

Lees ook: Vlaamse erfbelasting - Invoering van een nieuwe flexibele erfenissprong

Wat denken wij van de voorgestelde wijzigingen? 

Dat de terugval van vruchtgebruik niet langer belast wordt met erfbelasting is uiteraard zeer positief. Ook het feit dat duidelijkheid geschapen wordt over het lot van de incidentele vermelding van eerdere niet-geregistreerde schenkingen in een erfovereenkomst is uitermate gunstig en geeft de gevraagde rechtszekerheid en gemoedsrust. Het valt evenwel te betreuren dat de Vlaamse Regering een rechtsfiguur die er op gericht is om de langstlevende echtgenoot zijn/haar levensstandaard te laten behouden, vanaf 1 september zal belasten met erfbelasting terwijl dit op heden niet het geval is. Een door de langstlevende echtgenoot door inbreng verkregen vruchtgebruik is op vandaag immers niet onderworpen aan erfbelasting. De in de memorie van toelichting gehanteerde motivering dat het “een nieuwe wettelijke terugval van vruchtgebruik” betreft, overtuigt niet en is juridisch ook niet correct.8

Gelet onder meer op de slechts eerder bescheiden verlaging van de tarieven in de erfbelasting en met de mogelijkheden die het nieuwe erfrecht en daaraan gekoppeld de nieuwe erfbelasting biedt, lijkt een eerste conclusie te zijn dat een goed doordachte vermogens- en successieplanning meer dan ooit opportuun is.

Wij komen in latere publicaties uiteraard uitgebreid terug op deze en de andere voorgenomen wijzigingen opgenomen in dit Voorontwerp van Decreet.

https://www.vlaanderen.be/nl/vlaamse-regering/beslissingenvlaamseregering
2 Artikel 858bis§3 nieuw B.W.
3 Artikel 858bis§4 nieuw B.W.
4 MvT, DOC 0159/3TER, 6.
5 MvT, DOC 0159/3TER, 7-8.
6 “Een akte die een overeenkomst vaststelt waarop artikel 1100/2 tot en met 1100/6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn”.
7 MvT, DOC 0159/3TER, 9.
8 MvT, DOC 0159/3TER, 6, zie ook M. GIJBELS en A. VAN GEEL, “Familiale vermogensplanning in het nieuwe erfrecht”, N. NOT. 2018, nrs. 1-2, 3; R. DEBLAUWE, Het nieuwe erfrecht anno 2018. Burgerrechtelijk en fiscaal, 2018, Herentals, Knops Publishing, p. 105 ev.