8 krachtlijnen van de Antiwitwaswet van 18 september 2017

Geschreven door Lexalert
Foto: funca88  

De zogenaamde Antiwitwaswet van 18 september 2017 (B.S. 6 oktober 2017) voert o.a. het register van uiteindelijk begunstigden  (Ultimate Beneficial Owners Register of kortweg UBO register) van vennootschappen en andere juridische entiteiten in. Vennootschappen en andere juridische entiteiten moeten de uiteindelijke begunstigden aangeven in een centraal register. De wet treedt in werking op 16 oktober 2017.  Hieronder de 8 krachtlijnen van deze wet in detal besproken. 

1. Voorwerp, toepassingsgebied en definities

1.1.Uitbreiding van het toepassingsgebied  tot de dienstverrichters van de sector van de gelden kansspelen, alsook tot personen die handelen in goederen wanneer zij betalingen in contanten voor een bedrag  van minstens 10 000 euro verrichten of ontvangen

Het toepassingsgebied van de nieuwe richtlijn bestrijkt voortaan alle aanbieders van gokdiensten, met inbegrip van de aanbieders van deze diensten via het internet. De Richtlijn gaat verder dan wat voorzien is in de herziene FAG-Aanbevelingen, waarin enkel de casino’s worden beoogd (met inbegrip van casino’s op het internet). De waakzaamheidsverplichtingen zijn op hen van toepassing voor iedere verrichting ten belope van een bedrag van minstens 2 000 euro, ongeacht of de verrichting in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan. De lidstaten kunnen de aanbieders van bepaalde kansspeldiensten, met uitzondering van de casino’s, geheel of gedeeltelijk vrijstellen, “in strikt beperkte en gerechtvaardigde omstandigheden, en indien het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering gering zijn”.

Bovendien vallen personen die handelen in goederen onder de Richtlijn wanneer zij betalingen in contanten verrichten of ontvangen voor een bedrag van minstens 10 000 euro, ongeacht of de verrichting plaatsvindt in één verrichting dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan. De vroegere drempel van 15 000 euro werd dus verlaagd. Voorts worden voortaan niet alleen de betalingen in contanten ten gunste van deze handelaars beoogd, maar eveneens de betalingen die zijzelf verrichten in het kader van hun activiteit van verhandeling van goederen.

1.2. Definitie van “politiek prominente personen” (“PPP’s”)

Een uitputtende definitie van de begrippen “politiek prominent persoon”, “familielid” en “personen bekend als naaste geassocieerden” van PPP’s wordt verstrekt in Richtlijn 2015/849 (artikel 3, punt 9).

De nieuwe definitie van PPP’s wordt uitgebreid tot: (i) leden van wetgevende organen die vergelijkbaar zijn met parlementen, (ii) leden van bestuurslichamen van politieke partijen, en (iii) bestuurders en plaatsvervangend bestuurders en leden van de raad van bestuur of bekleders van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie. De achterliggende redenering is in elk geval dat enkel personen die een hoge positie bekleden, en geen “middelbare of lagere ambtenaren” (cf. artikel 3, punt 9), laatste alinea) worden bedoeld.

Voorts maakt de Richtlijn niet langer een onderscheid tussen PPP’s op basis van hun verblijfplaats. Derhalve dienen de verscherpte waakzaamheidsmaatregelen voortaan te worden toegepast op personen die belangrijke publieke functies uitoefenen (of hebben uitgeoefend), niet enkel in het buitenland (ongeacht of het hierbij gaat om een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte – hierna “EER” – of om een derde land), maar ook op het nationale grondgebied.

De Richtlijn breidt de verplichting tot verscherpte waakzaamheid eveneens uit tot de levensverzekeringsovereenkomsten of andere verzekeringsovereenkomsten die verbonden zijn met beleggingen waarvan de begunstigden of de uiteindelijke begunstigden van de begunstigden PPP’s zijn.

1.3. Verduidelijkingen in de definitie van uiteindelijke begunstigden

De Richtlijn verduidelijkt de definitie van uiteindelijke begunstigden. Wanneer de maatregelen die door een onderworpen entiteit worden getroffen, niet toelaten om de natuurlijke personen te identificeren die de uiteindelijke eigenaars zijn van of zeggenschap hebben over een juridische entiteit die cliënt is van de voornoemde onderworpen entiteit, duidt de Richtlijn het hoger leidinggevend personeel van deze juridische entiteit aan als uiteindelijke begunstigden. De Richtlijn verduidelijkt ook het begrip uiteindelijke begunstigden van trusts alsook van stichtingen en soortgelijke juridische constructies, door een opsomming te geven van de categorieën van betrokkenen bij dergelijke juridische constructies die onder dit begrip vallen.

1.4. Opname van fiscale misdrijven in de definitie van onderliggende criminele activiteiten van witwassen van geld

Net als de FAG neemt de Europese Unie de fiscale misdrijven uitdrukkelijk op in de opsomming van onderliggende misdrijven van witwassen van geld. Het begrip “fiscaal misdrijf” wordt niet als dusdanig gedefinieerd in de Richtlijn, die zich uitsluitend baseert op een minimale strafdrempel. De tekst voorziet aldus in de opname van “alle strafbare feiten, met inbegrip van fiscale misdrijven in verband met directe belastingen en indirecte belastingen, zoals omschreven in de wetgeving van de lidstaten, die strafbaar zijn gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan een jaar of, voor lidstaten die in hun rechtsstelsel een strafminimum voor strafbare feiten kennen, alle strafbare feiten die strafbaar zijn gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan zes maanden”.

2. Risicobeoordeling

Richtlijn 2015/849 voert een belangrijke vernieuwing in door een “cascadeprocedure” in te stellen voor de identificatie en beoordeling van de risico’s door de Europese Commissie, de lidstaten en de onderworpen entiteiten.

In het kader van deze procedure zal de Commissie een supranationale beoordeling verrichten van de WG/ FT-risico’s voor de interne markt die verband houden met grensoverschrijdende activiteiten. Deze beoordeling zal de vorm aannemen van een verslag, dat uiterlijk op 26 juni 2017 voor het eerst zal worden opgesteld en minstens om de twee jaar zal worden bijgewerkt. Dit verslag zal met name betrekking hebben op:

  • de interne marktgebieden met de grootste risicoblootstelling;
  • de risico’s van elke betrokken sector;
  • de middelen die door criminelen het meest worden gebruikt voor het witwassen van illegale opbrengsten.

Het verslag zal ter beschikking worden gesteld van de lidstaten en de onderworpen entiteiten om hen te helpen bij het identificeren, begrijpen, beheren en beperken van de WG/FT-risico’s .

Soortgelijke verplichtingen inzake identificatie en beoordeling van de risico’s worden opgelegd aan alle lidstaten, die verplicht zullen zijn hun eigen nationale risicobeoordeling uit te voeren. Enerzijds moet dit toelaten om de te implementeren nationale gedragslijnen inzake de SWG/FT concreter vast te leggen. Anderzijds zal de aldus door iedere lidstaat verzamelde en geanalyseerde informatie worden meegedeeld aan de onderworpen entiteiten om hen te helpen bij hun eigen werkzaamheden op het vlak van risico-identificatie. Daartoe dient iedere lidstaat een autoriteit aan te duiden of een mechanisme op te zetten om de nationale aanpak van de geïdentificeerde WG/FT-risico’s te coördineren.

Ten slotte moeten de onderworpen entiteiten de risico’s waaraan zij zijn blootgesteld elk afzonderlijk identificeren en beoordelen en gedragslijnen, controles en procedures invoeren die alle aspecten van het risico bestrijken (waakzaamheidsverplichtingen, meldingen, bewaring van documenten, enz.).

3. Beleid ten aanzien van derde landen

Volgens de bepalingen van de derde richtlijn die betrekking hebben op de betrekkingen met derde landen moest bepaald worden of deze derde landen beschikken over “gelijkwaardige” systemen voor de SWG/FT als die van de Europese Unie. Op grond van die informatie konden er vervolgens vrijstellingen worden verleend voor bepaalde aspecten van de waakzaamheidsverplichtingen met betrekking tot de cliënten. Gezien haar nieuwe bepalingen inzake risicoanalyse bevat Richtlijn

2015/849 geen enkele bepaling meer met betrekking tot de equivalentie van derde landen, daar de toepassing van vrijstellingen op basis van zuiver geografische criteria minder relevant wordt.

Daartegenover staat dat de Europese Commissie, met het oog op de bescherming van de goede werking van de interne markt, gemachtigd is om de derde landen te identificeren waarvan de SWG/FT-regelgeving strategische tekortkomingen vertoont die een aanzienlijke bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de Unie, de zogenaamde “derde landen met een hoog risico”. Op grond van deze machtiging heeft de Commissie voor het eerst een lijst opgesteld van de betrokken derde landen, die als bijlage is opgenomen bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van 14 juli

2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen. Ten aanzien van de relaties met cliënten gevestigd in de landen die in deze bijlage zijn opgenomen, moet een verscherpte waakzaamheid aan de dag worden gelegd.

4. Waakzaamheidsverplichtingen

De essentiële elementen van de voorkoming van WG/FT blijven ongewijzigd. Teneinde te vermijden dat geld verworven uit criminaliteit geïnjecteerd kan worden in het legale financiële circuit, blijft het dus zo dat de waakzaamheidsverplichtingen bestaan uit de identificatie van de cliënt en zijn lasthebber en de verificatie van hun identiteit, de identificatie van de uiteindelijke begunstigde van de cliënt en het treffen van redelijke maatregelen om zijn identiteit te verifiëren, alsook het verwerven van inzicht in het doel en de aard van de zakelijke relatie. Deze gegevens moeten worden gebruikt om een doorlopend toezicht uit te oefenen op de verrichtingen van de cliënt teneinde aldus de verrichtingen te kunnen identificeren die niet blijken te stroken met die gegevens.

In tegenstelling tot de derde richtlijn voorziet Richtlijn 2015/849, conform de nieuwe FAG-Aanbevelingen, evenwel in de toepassing van de risicogebaseerde benadering op alle elementen die deel uitmaken van de waakzaamheidsverplichting, met inbegrip van de verplichting tot identificatie van de cliënt, zijn lasthebber en zijn uiteindelijke begunstigden en de verificatie van hun identiteit. De onderworpen entiteiten moeten in hun risicobeoordeling minstens rekening houden met de variabelen vermeld in Bijlage I van de Richtlijn. Deze bijlage bevat een niet-uitputtende lijst van drie risicovariabelen waar de onderworpen entiteiten rekening mee moeten houden bij hun beoordeling van de toe te passen waakzaamheidsmaatregelen: (i) het doel van een rekening of relatie, (ii) het niveau van de door een cliënt gedeponeerde activa of het volume van de uitgevoerde verrichtingen, en (iii) de regelmatigheid of de duur van de zakelijke relatie.

4.1. Vereenvoudigde waakzaamheidsverplichtingen

Richtlijn 2015/849 brengt op dit vlak belangrijke ontwikkelingen teweeg. De vereenvoudigde waakzaamheidsmaatregelen toegestaan door de derde richtlijn werden als te zwak beoordeeld, in de mate dat bepaalde categorieën van cliënten of verrichtingen automatisch konden worden vrijgesteld van alle waakzaamheidsverplichtingen. Deze maatregelen werden dus geschrapt. Voortaan zal het besluitvormingsproces op basis waarvan wordt bepaald in welke gevallen en volgens welke modaliteiten er vereenvoudigde waakzaamheidsmaatregelen worden toegepast ten aanzien van de cliënten moeten worden gerechtvaardigd aan de hand van een risicoanalyse. Richtlijn 2015/849 bevat in haar Bijlage II een minimumlijst van factoren die wijzen op een potentieel lager risico, die ingedeeld zijn volgens (i) cliëntgebonden risicofactoren, (ii) product-, dienst-, transactieof leveringskanaalgebonden risicofactoren, en (iii) geografische risicofactoren .

4.2. Verscherpte waakzaamheidsverplichtingen

Zoals dit reeds het geval was in de derde richtlijn, identificeert Richtlijn 2015/849 de gevallen waarin het risico automatisch als een verhoogd risico wordt beschouwd en waarin de lidstaten verscherpte waakzaamheidsmaatregelen dienen op te leggen. Het gaat om (i) relaties met natuurlijke personen of juridische entiteiten die gevestigd zijn in derde landen die door de Europese Commissie zijn aangemerkt als derde landen met een hoog risico, (ii) gevallen van grensoverschrijdende correspondentrelaties met een respondentinstelling uit een derde land, en (iii) de PPP’s. Bovendien geldt de verplichting tot verscherpte waakzaamheid eveneens wanneer de lidstaten of de onderworpen entiteiten in het kader van hun risicobeoordelingen andere gevallen van hoger risico identificeren. Te dien einde dienen de lidstaten en de onderworpen entiteiten rekening te

houden met ten minste de factoren die wijzen op een potentieel hoger risico, die opgenomen zijn in Bijlage III van de Richtlijn.

5. Informatie over de uiteindelijke begunstigde(n)

Dit domein vormt één van de belangrijkste vernieuwingen van Richtlijn 2015/849.

Aan de vennootschappen en andere juridische entiteiten wordt de verplichting opgelegd om informatie over hun uiteindelijke begunstigden te verkrijgen en te bewaren en deze door te geven aan de onderworpen entiteiten. Bovendien moet deze informatie worden bewaard in een centraal register, in elk van de lidstaten, en moeten de onderworpen entiteiten er toegang toe hebben. Voor de fiducieën en trusts is in analoge bepalingen voorzien (zie ook infra bij ontwerpartikel 74).

Door deze nieuwe maatregelen inzake transparantie zal het makkelijker worden om de uiteindelijke begunstigden te identificeren. Deze maatregelen zijn echter beperkt tot de cliënten die gevestigd zijn in de EER, en houden voor de onderworpen entiteiten geen ontheffing in van hun waakzaamheidsverplichtingen door zich niet enkel te baseren op de centrale registers en een risicogebaseerde benadering toe te passen.

► Lees aansluitend: Register van uiteindelijk begunstigden (UBO register) - FAQ

6. Meldplicht

De verplichtingen inzake het melden van een vermoeden werden niet als dusdanig gewijzigd door de Richtlijn. Evenwel worden de rol, de verantwoordelijkheden en de taken inzake operationele en strategische analyse van de FIE’s meer in detail uitgewerkt. Bovendien wordt duidelijker bepaald dat de meldingen van een vermoeden moeten worden overgemaakt aan de FIE van de lidstaat waar de melder is gevestigd.

Er wordt ook duidelijker gesteld dat de FIE’s functioneel onafhankelijk en autonoom moeten zijn, wat inhoudt dat zij het gezag en de mogelijkheid moeten hebben om hun taken vrij te kunnen vervullen, ook om autonoom de beslissing te nemen om specifieke informatie te analyseren, op te vragen en te verspreiden. De FIE’s zijn belast met het inwinnen van informatie en het analyseren van de informatie die zij ontvangen teneinde verbanden te kunnen leggen tussen de verdachte verrichtingen en de onderliggende criminele activiteiten, met het oog op het voorkomen en bestrijden van WG/ FT. Het leggen van verbanden tussen verdachte verrichtingen en onderliggende criminele activiteiten is wel degelijk een verantwoordelijkheid van de FIE’s en niet van de onderworpen entiteiten.

7. Bescherming en bewaring van gegevens

Om ten volle te kunnen samenwerken in de SWG/FT en snel te kunnen ingaan op verzoeken om informatie die uitgaan van de bevoegde autoriteiten, met name de FIE’s en de autoriteiten bevoegd voor onderzoek en strafvervolging, moeten de onderworpen entiteiten de nodige informatie en bewijsstukken die zij verkrijgen in het kader van de uitvoering van hun waakzaamheidsplichten met betrekking tot hun cliënten en de verrichtingen die zij uitvoeren, gedurende een voldoende lange periode bijhouden. De FAG-Aanbevelingen leggen daartoe minimumtermijnen op voor de bewaring van deze informatie en bewijsstukken. Dit was eveneens het geval in de derde richtlijn. Daartegenover staat dat Richtlijn 2015/849 voorziet in maximumtermijnen voor de bewaring, waarna de onderworpen entiteiten de persoonsgegevens in hun bezit dienen te wissen. Deze bewaartermijn bedraagt vijf jaar, te rekenen vanaf het einde van de zakelijke relatie of de occasionele verrichting. Indien dit evenwel nodig blijkt om gevallen van WG/ FT te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken, en na beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid ervan, kunnen de lidstaten toelaten of voorschrijven dat de termijn voor de bewaring van die gegevens en bewijsstukken met ten hoogste vijf jaar wordt verlengd.

Richtlijn 2015/849 bepaalt uitdrukkelijk dat de verwerking van persoonsgegevens op basis van de Richtlijn wordt beschouwd als een taak van algemeen belang in de zin van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. De verwerking van persoonsgegevens is dus toegestaan voor de doeleinden bepaald in Richtlijn 2015/849, alsook voor de activiteiten die uit hoofde van deze laatste noodzakelijk zijn, zoals voor de toepassing van waakzaamheidsmaatregelen ten aanzien van de cliënten, inclusief de identificatie van de cliënten, hun lasthebbers en hun uiteindelijke begunstigden, de identificatie van de PPP’s, doorlopende monitoring van de zakelijke relaties, onderzoek en melding aan de FIE van ongebruikelijke en verdachte verrichtingen, en het delen van informatie door de bevoegde autoriteiten en door de kredietinstellingen, financiële instellingen en de andere onderworpen entiteiten. Daartegenover staat dat de verwerking van deze persoonsgegevens voor met name commerciële doeleinden, strikt verboden is.

Richtlijn 2015/849 bepaalt tevens de voorwaarden voor het recht op toegang van de betrokkene tot de persoonsgegevens die op hem/haar betrekking hebben en die worden verwerkt met het oog op de naleving van de voornoemde richtlijn.

Het ontwerp van wet werd ter advies voorgelegd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna “de Commissie”) (advies nr 24/2017 van 24 mei 2017). De Regering neemt er kennis van dat de Commissie er de aandacht op vestigt dat er recent nieuwe Europese regelgeving inzake de bescherming persoonsgegevens uitgevaardigd werd: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

De voornoemde verordening zal automatisch van toepassing zijn op 25 mei 2018. De voornoemde richtlijn moet door de Belgische wetgever omgezet worden tegen uiterlijk 6 mei 2018. De Commissie beveelt aan om nu reeds in dit ontwerp van wet te anticiperen op deze teksten. De Regering neemt akte van het advies en de aanbevelingen van de Commissie. Echter, gezien het feit dat de voornoemde richtlijn pas in 2018 zal zijn omgezet in de Belgische rechtsorde is het momenteel niet aangewezen het voorliggende ontwerp van wet op te stellen in functie van toekomstige bepalingen. Dit zou namelijk een voorafname zijn op het nog op te stellen ontwerp van wet ter omzetting van de voornoemde richtlijn alsook het opstellen van wettelijke bepalingen die zich conformeren naar een nog niet-bestaand rechtskader. De Regering zal bijgevolg de nodige aanpassingen doorvoeren aan dit ontwerp van wet wanneer de voornoemde richtlijn in het Belgisch recht wordt omgezet.

8.  Samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden en de Europese Commissie

Rekening houdend met het internationale karakter van WG/FT zijn de coördinatie en de samenwerking tussen de FIE’s uiterst belangrijk. Om deze coördinatie en samenwerking te verbeteren, en met name om te garanderen dat meldingen van verdachte verrichtingen de FIE bereiken van de lidstaat waar de melding het meeste nut heeft, worden in de Richtlijn gedetailleerde regels vastgesteld.

9. Sancties

Gelet op het belang van de SWG/FT, moeten de lidstaten in hun nationaal recht voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties en maatregelen voor de niet-naleving van de ter omzetting van de Richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. De lidstaten beschikken momenteel over een grote verscheidenheid aan administratieve sancties en maatregelen die worden toegepast in geval van inbreuken op de preventieve bepalingen. Daar deze diversiteit de inspanningen die worden geleverd in de strijd tegen WG/FT ondermijnt, voorziet de Richtlijn in een geheel van administratieve sancties en maatregelen die moeten worden getroffen bij ten minste ernstige, herhaalde of systematische inbreuken op de waakzaamheidsverplichtingen die zij aan de onderworpen entiteiten oplegt met betrekking tot de cliënten, het bewaren van informatie, het melden van verdachte verrichtingen en interne controles. Dit geheel van sancties en maatregelen is voldoende breed om rekening te kunnen houden met verschillen tussen de onderworpen entiteiten, met name tussen kredietinstellingen en financiële instellingen enerzijds, en de andere onderworpen entiteiten anderzijds, rekening houdend met hun omvang, hun kenmerken en hun werkterrein.

Tot slot verplicht de Richtlijn tot het instellen van “effectieve en betrouwbare mechanismen (…) om het melden van mogelijke of werkelijke inbreuken op de nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn aan de bevoegde autoriteiten aan te moedigen “en het organiseren van “een passende bescherming van werknemers (...) die inbreuken melden welke binnen de onderworpen entiteit hebben plaatsgevonden”.

Lees de volledige tekst van de wet van 18 september 2018 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten