5 FAQ over loopbaansparen

Geschreven door Lexalert
Foto: chintermeyer  

Lees ook: Loopbaansparen vanaf 1 februari 2018

1. Wat kan een werknemer sparen? 

De wet geeft een opsomming van de tijdselementen die kunnen worden opgespaard:

  • het nieuwe krediet aan vrijwillige overuren die niet moeten worden ingehaald;
  • de conventionele verlofdagen die via een collectieve arbeidsovereenkomst worden toegekend en vrij kunnen opgenomen worden;
  • bij toepassing van een glijdend uurrooster, de uren die boven de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur worden verricht en op het einde van de referteperiode kunnen worden overgedragen;
  • de overuren die in het kader van een onvoorziene noodzakelijkheid of een buitengewone vermeerdering van werk worden verricht en die naar keuze van de werknemer al dan niet worden ingehaald.

Het zal bijgevolg niet mogelijk zijn om wettelijke vakantiedagen op te sparen.

In de toekomst zal een koninklijk besluit kunnen bepalen dat ook premies in geld (b.v. eindejaarspremies) worden opgespaard om deze daarna om te zetten in verlof.

2. Hoe een stelsel van loopbaansparen invoeren?  

Werknemers zullen pas gebruik kunnen maken van een stelsel van loopbaansparen wanneer daarvoor eerst een kader werd uitgewerkt in een sectorcao.

Wanneer geen sectorcao werd gesloten binnen een termijn van 6 maanden vanaf het aanhangig maken bij de voorzitter van het paritair comité door een organisatie die in het paritair comité vertegenwoordigd is of door een individuele onderneming, kan het kader worden uitgewerkt in een ondernemingscao.

De sector- of ondernemingscao moet verplicht een kader uitwerken dat de volgende vermeldingen omvat:

  • de tijdsperiodes die kunnen worden opgespaard;
  • de periode waarin de betrokken tijdselementen kunnen worden opgespaard;
  • de wijze waarop de werknemer de opgespaarde tijd kan opnemen.

Dit kader zal desgevallend kunnen voorzien dat het spaartegoed overdraagbaar is tussen de verschillende juridische werkgevers binnen de sector. In dat geval voorziet de cao hoe deze overdraagbaarheid concreet wordt toegepast.

Verder houdt het kader rekening met de genderdimensie waarbij het de bedoeling moet zijn dat vrouwen evenveel spaarmogelijkheden hebben als mannen.

Naast de omkaderende vermeldingen moeten ook de volgende aspecten bij cao worden geregeld:

  • de waardering die zal worden toegepast wanneer de gespaarde tijd wordt opgenomen (of uitbetaald);
  • de manier waarop het loopbaansparen wordt beheerd en de waarborgen voor de werknemer;
  • het lot van het loopbaansparen wanneer de onderneming in vereffening zou gaan.

 

Volg het on demand seminarie Van éénmanszaak naar vennootschap (of omgekeerd) – Het fiscaal omslagpunt met Roel VAN HEMELEN

3. Hoe het ingevoerde stelsel van loopbaansparen beheren? 

Het stelsel van loopbaansparen kan op 3 verschillende manieren worden beheerd:

  • hetzij door de werkgever zelf in welk geval hij verplicht is de nodige betalingswaarborgen te voorzien;
  • hetzij door een externe instelling, bijvoorbeeld een bank of verzekeringsinstelling;
  • hetzij door het fonds voor bestaanszekerheid binnen de betrokken sector.

4. Wat gebeurt er bij uitdiensttreding? 

De werknemer heeft recht op de volledige uitbetaling van zijn opgespaarde tijd op het moment dat er een einde komt aan zijn dienstbetrekking. Dit recht op betaling blijft bestaan wanneer de sectorcao de overdraagbaarheid mogelijk zou hebben gemaakt.

5. Evaluatie   

De wet bepaalt tot slot dat deze nieuwe maatregel vanaf 1 januari 2019 geëvalueerd moet worden door de Nationale Arbeidsraad. 

Inwerkingtreding van het wettelijk kader: 1 februari 2018.

Invoering: aanhangig making van het Paritair Comité en wachttermijn van 6 maanden

Opgelet : Het wettelijk kader zal niet op voormelde datum in werking treden wanneer voor die datum een cao gesloten in de Nationale Arbeidsraad een kader voor het loopbaansparen vastlegt.   

Bron:

  • Wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, art. 33 tot 39.
  • Koninklijk besluit van 25 juni 2017 tot uitvoering van artikel 39 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk (B.S., 5 juni 2017).