48-urenregel in uitzendsector verdwijnt op 1 oktober 2016

Geschreven door Lexalert
Foto:

Op 23 februari 2016 sloten de sociale partners een akkoord in de Nationale Arbeidsraad (NAR) dat voorziet in de afschaffing van de 48-uren regel bij uitzendcontracten. De wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers voorziet dat een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid schriftelijk wordt afgesloten, en dit uiterlijk binnen de twee werkdagen nadat de uitzendkracht in dienst treedt. Die regel zou vanaf 1 oktober 2016 afgeschaft worden. 

De sociale partners sloten op 23 januari 2012 een principeakkoord in de Nationale Arbeidsraad over de modernisering van het reglementaire en het conventionele kader inzake uitzendarbeid.

Dit akkoord omvat 4 delen:

  • aanpassing van de regeling inzake informatie en controle;
  • regeling van de dagcontracten;
  • gefaseerde afschaffing van de 48-urenregel voor de vaststelling van arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid;
  • invoering en regeling van een motief van instroom.

De collectieve arbeidsovereenkomst nr. 108 van 16 juli 2013 betreffende de tijdelijke arbeid en de uitzendarbeid gaf gevolg aan de delen inzake informatie/controle, dagcontracten en motief instroom.

In het advies 1972 van 23 februari 2016 sloten de sociale partners een akkoord over gefaseerde afschaffing van de 48-urenregel voor de vaststelling van arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid.

Voorwaarden

Twee aspecten moeten worden geregeld om de afschaffing van de 48-urenregel voor alle overeenkomsten voor uitzendarbeid, te kunnen concretiseren:

  • een elektronische mededeling van de vaststelling (van het begin) van de opdracht (toepassingen Dimona Mobile en interim@work);
  • een algemeen gebruikt/toepasbaar beroep op de elektronische arbeidsovereenkomst in de uitzendsector, wat het vraagstuk van de elektronische handtekening en van het begrip "geschrift" doet rijzen.

Elektronische mededeling van de vaststelling van het begin van de opdracht

De projecten Dimona Mobile en interim@work moeten in werking treden op het ogenblik dat de elektronische overeenkomst voor uitzendarbeid algemeen gebruikt/toepasbaar is in de uitzendsector.

Elektronische arbeidsovereenkomsten (vraagstuk van de elektronische handtekening)

Elektronische handtekening

De Raad stelt voor in artikel 8 van de wet van 24 juli 1987 te bepalen dat "... de elektronische ondertekening gebeurt:

  • door een gekwalificeerde elektronische handtekening;
  • of door een andere elektronische handtekening die toelaat de identiteit van de partijen, hun instemming met de inhoud van de overeenkomst en het behoud van de integriteit van die overeenkomst te waarborgen. In geval van betwisting is het aan het uitzendbureau om aan te tonen dat die elektronische handtekening daadwerkelijk die functies verzekert.

Dat tekstvoorstel is gebaseerd op een bestaande wetgeving, waarin al wordt verwezen naar de gekwalificeerde handtekening en een alternatieve vorm van handtekening die voldoet aan bepaalde garanties. Het gaat om Boek VII van het Wetboek van economisch recht, artikel 78, derde lid, tweede streepje (zoals gewijzigd door de wet van 26 oktober 2015 houdende wijziging van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere wijzigingsbepalingen).

Door die bepaling, die betrekking heeft op het sluiten van een kredietovereenkomst, heeft de wetgever namelijk willen voorzien in soepelheid en in de bescherming van een zwakke partij, de consument, door te bepalen dat het consumentenkrediet wordt gesloten door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening of door een ander mechanisme van elektronische handtekening dat de drie voornoemde functies van de handtekening (identificatie van de ondertekenaars, uiting van hun instemming en behoud van de integriteit van het document) waarborgt. In geval van betwisting is het volgens het Wetboek van economisch recht de kredietgever die moet aantonen dat die elektronische handtekening effectief die functies waarborgt (omkering van de bewijslast, die niet op de zwakste partij rust).

Geschrift

Het  arbeidsrecht telt  tal  van  bepalingen die een "schriftelijke" arbeidsovereenkomst voorschrijven, met inbegrip van artikel 8, § 1, vierde lid van de wet van 24 juli 1987.

De NAR stelt concreet voor dat in artikel 8 van de wet van 24 juli 1987, ter inleiding van het voorstel dat hij eerder in het vorige punt van dit advies heeft gedaan, wordt bepaald dat: "... de elektronisch ondertekende overeenkomst wordt beschouwd als een schriftelijke overeenkomst, op voorwaarde dat de ondertekening gebeurt ...".

Hoe ziet de technologische oplossing er in de praktijk uit?

Een aantal uitzendbureaus een beroep willen doen op een gezamenlijke gepaste technische oplossing, terwijl andere uitzendbureaus hun eigen gepaste technische oplossing willen ontwikkelen.

Er werd een specifiek onlineplatform gecreëerd voor alle uitzendbureaus en de uitzendkrachten kunnen via dat platform hun  overeenkomsten  voor  uitzendarbeid  elektronisch  ondertekenen  volgens een basisscenario of een alternatief scenario:

1) Basisscenario: wanneer het sluiten van een overeenkomst voor uitzendarbeid wordt overwogen, stuurt het uitzendbureau een e-mail aan de betrokken werknemer. Die mail bevat een beveiligde link die toelaat al kennis te nemen van de arbeidsovereenkomst. Er wordt informatie verstrekt aan de werknemer over hoe hij te werk moet gaan. De elektronische ondertekening van de arbeidsovereenkomst, in pdf-formaat, gebeurt door middel van de elektronische identiteitskaart via een pc en een kaartlezer. Het document zal dus juridische waarde hebben, en niet een eventuele papieren kopie.

2) Er is voorzien in een alternatief scenario van elektronische handtekening.

Dat mechanisme vereist een mandaat vooraf dat maar één keer moet worden toegekend via de elektronische identiteitskaart of een gepersonaliseerde code. Dat kan in het uitzendbureau gebeuren. Dat mandaat geldt voor de hele uitzendsector. Via dat mandaat gaat de betrokken werknemer ermee akkoord gebruik te maken van dat alternatieve scenario en bepaalt hij de manier van informatieoverdracht waarmee hem een arbeidsovereenkomst wordt voorgesteld.

Dat scenario bestaat in principe in een kennisgeving per e-mail en/of sms waarin de betrokken werknemer wordt verzocht de overeenkomst voor uitzendarbeid te ondertekenen door een pincode in te geven. De pincode blijft in het platform en is beveiligd. Alleen de werknemer kent dus die pincode. De arbeidsovereenkomst kan worden geopend en gelezen door op een link in de e-mail van de kennisgeving te klikken. De ondertekening door middel van de pincode kan gebeuren via een pc, een smartphone of een tablet.                                                                                                                                                   

De werknemer kan kiezen voor een kennisgeving via sms, waarin hem wordt meegedeeld dat een arbeidsovereenkomst wordt voorgesteld, die beschikbaar is via een beveiligd internetadres (portaalsite) met het oog op de ondertekening ervan. De overeenkomst kan dan bijvoorbeeld in het uitzendbureau worden ondertekend via een pc die ter beschikking wordt gesteld van de werknemers. De werknemer kan de nadere regels voor die sms-berichten bepalen en aanpassen op basis van de voorgestelde technische mogelijkheden.

3) Er is voorzien in een systeem van beveiligde archivering van alle al dan niet ondertekende overeenkomsten. Voor de uitzendkrachten blijft dat archief gedurende 5 jaar toegankelijk (wat overeenstemt met wat in de huidige wetgeving is bepaald) via wachtwoord/identifier (login) of de elektronische identiteitskaart.

Ander interessant artikel: Privé-e-mails van een werknemer voorleggen, is de werkgever niet per definitie verboden

Aanpassing van artikel 8 van de wet van 24 juli 1987

De NAR stelt voor dat artikel 8  wordt geherstructureerd in verschillende paragrafen en leden, ter wille van een betere structuur en leesbaarheid.

Met betrekking tot de afschaffing van de 48-urenregel stelt de NAR voor dat de huidige § 1, vierde lid ("De overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt") wordt vervangen door een nieuwe bepaling die als volgt luidt:

"De arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid moet schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de uitzendkracht in dienst treedt." In het huidige vijfde lid van diezelfde bepaling, die het voorwerp zou kunnen uitmaken van een afzonderlijke paragraaf, zou de vermelde termijn eveneens voortaan moeten verwijzen naar "de indiensttreding"

Wat betreft de voorwaarden waaronder de sanctie dat de uitzendovereenkomst gelijkgesteld wordt met een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst niet van toepassing zou zijn, stelt de NAR voor dat de nieuwe § 3 wordt aangevuld met de volgende tekst:                                                    

"Het vorige lid is evenwel niet van toepassing wanneer de volgende voorwaarden gezamenlijk vervuld zijn:

1° de bedoeling een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid te sluiten werd, in overeenstemming met de bepalingen van § 2, door beide partijen schriftelijk vastgesteld;

2° het uitzendbureau heeft voorafgaand aan de indiensttreding een ontwerp van elektronische arbeidsovereenkomst ter ondertekening toegezonden aan de uitzendkracht, doch de uitzendkracht heeft dat ontwerp van elektronische arbeidsovereenkomst niet ondertekend uiterlijk op het tijdstip waarop hij in dienst treedt;

3° de uitzendkracht heeft zijn arbeidsprestaties bij de gebruiker aangevat op het tijdstip zoals voorzien in het ontwerp van arbeidsovereenkomst als bedoeld onder punt 2°;

4° het uitzendbureau heeft de indiensttreding van de uitzendkracht aangegeven, in overeenstemming met het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, uiterlijk op het tijdstip waarop de uitzendkracht zijn arbeidsprestaties bij de gebruiker heeft aangevat."

Verder suggereert de NAR nog volgende aanpassingen:

  • Rekening houdend met zijn voorstellen voor een aanpassing van artikel 8 van de wet van 24 juli 1987, wat betreft de elektronische overeenkomst voor uitzendarbeid en de elektronische ondertekening ervan, vindt de NAR het wenselijk dat de bepalingen van dat artikel over diezelfde onderwerpen worden geschrapt (artikel 8, § 2), met uitzondering van de bepalingen over de archivering bij een verlener van de elektronische archiveringsdienst, die dus behouden moeten worden, en bij voorkeur in een nieuwe afzonderlijke paragraaf. De Raad herinnert er evenwel aan dat hij het wenselijk vindt het vraagstuk van de elektronische archivering van de overeenkomsten voor uitzendarbeid later meer in zijn geheel opnieuw te bespreken, in het licht van de wet die zal worden aangenomen ter uitvoering van de voornoemde Europese verordening nr. 910/2014.
  • De Raad is van mening dat het wenselijk zou zijn de terminologie in artikel 8 van de wet van 24 juli 1987 te uniformeren, door het woord "uitzendkracht" te gebruiken in plaats van het woord "werknemer" (zie de huidige § 1, derde en vijfde lid).
  • De Raad constateert ten slotte dat het laatste lid van artikel 8 van de wet van 24 juli 1987 betrekking heeft op de voorwaarden inzake het verlenen van diensten in verband met de elektronische archivering die worden gesteld krachtens de wet van

15 mei 2007 tot vaststelling van een juridisch kader voor sommige verleners van vertrouwensdiensten. De Raad merkt op dat de correcte verwijzing voortaan als

volgt luidt: "de voorwaarden inzake gekwalificeerde elektronische archivering die zijn vastgesteld in Boek XII, titel 2 van het Wetboek van economisch recht".

Inwerkingtreding en gedoogperiode

De NAR dringt erop aan dat het parlement de door hem voorgestelde wetswijzigingen uiterlijk eind juni 2016 zou aannemen en dat ze in werking zouden treden op 1 oktober 2016. Om de voornoemde haalbaarheidsen toepasbaarheidsaspecten en dus een goede toepassing van die nieuwe wetsbepalingen te waarborgen, zouden die wetswijzigingen volgens de Raad  gepaard moeten gaan met een gedoogperiode van drie maanden, die zou moeten lopen van 1 oktober 2016, datum van inwerkingtreding van de nieuwe wetsbepalingen, tot 31 december 2016.

Ook brengt de NAR in herinnering dat hij erop aandringt dat de toepassing "interim@work" op dezelfde datum, namelijk op 1 oktober 2016, in werking treedt.