Welke wijzigingen sociale verkiezingen 2020?

Geschreven door Lexalert
Foto: Mark Gunn

De Nationale Arbeidsraad, hierna de Raad, sprak zich in haar advies nr.2.103 op basis van de voorstellen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (WASO), uit over een aantal kwesties waarvoor hij verzoekt om aanpassingen aan de wetgeving in verband met de sociale verkiezingen. Deze aanpassingen zouden moeten worden aangebracht voor de sociale verkiezingen 2020.

  1. Onderzoek van de voorstellen van de FOD WASO om de organisatie van de sociale verkiezingen 2020 voor te bereiden

De Raad heeft de verschillende voorstellen van de FOD WASO met de grootste aandacht onderzocht. Hij stelt vast dat die gepaard gaan met een aanpassing van:

  • wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen
  • wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven
  • wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk
  • de webapplicatie van de FOD WASO, de brochure van de FOD waarin de stappen van de verkiezingsprocedure en enkele bijbehorende begrippen worden uitgelegd en van formulieren.
  1. Artikel 9 Datum verkiezingsperiode

De FOD geeft aan dat artikel 9 van de wet moet worden aangepast door de precieze datum te vermelden van de sociale verkiezingen in 2020, die wordt vastgelegd na advies van de sociale gesprekspartners.

De Raad stelt voor dat de sociale verkiezingen plaatsvinden van 11 tot en met 24 mei 2020.

2.    Artikel 14 Vermeldingen in bericht dag X en elektronisch stemmen

De FOD stelt voor om artikel 14, lid 1 van de wet betreffende de sociale verkiezingen, dat voorziet in de vermeldingen die in het bovenvermelde bericht moeten staan, aan te vullen met een 9° “desgevallend de beslissing om over te gaan tot elektronisch stemmen”.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

3.    Artikel 14 Voorlopige kiezerslijst

De FOD stelt voor om het modelformulier voor de voorlopige kiezerslijsten aan te passen.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

4.    Artikel 21 Digitale mededelingen

De FOD wijst erop dat een aantal bepalingen in de wet betreffende de sociale verkiezingen erin voorzien dat de mededelingen vervangen kunnen worden door een elektronisch document onder bepaalde voorwaarden. Omwille van de coherentie wordt voorgesteld die mogelijkheid voor alle mededelingen te voorzien.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

Hij benadrukt wel dat de elektronische mededeling facultatief moet blijven. Dit hangt samen met de toegang die alle werknemers moeten hebben tot die mededelingen tijdens hun normale werkuren. Dat is niet het geval voor alle werknemers. Hij stelt vast dat artikel 14 van de wet reeds in die regel voorziet en dat ze in dat opzicht niet gewijzigd wordt.

5.    Artikel 21 Terbeschikkingstelling kiezerslijsten

In artikel 21 van de wet moet volgens de FOD worden gepreciseerd dat de kiezerslijsten ook elektronisch ter beschikking kunnen worden gesteld aangezien ze deel uitmaken van bericht dag X.

De Raad gaat akkoord met een dergelijke wijziging. Hij wijst erop dat alle werknemers toegang moeten blijven hebben tot die elektronische lijsten tijdens hun normale werkuren.

6.    Artikel 23 Afzonderlijke vertegenwoordiging kaderleden

Omwille van de duidelijkheid stelt de FOD voor om in artikel 23 van de wet te verduidelijken wanneer er een afzonderlijke vertegenwoordiging van de kaderleden moet worden voorzien. Die mogelijkheid wordt in de wet immers pas in artikel 33, § 1 van de wet voor het eerst vermeld.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

7.    Artikelen 14 en 31 Mededeling van de voorlopige kiezerslijsten en ingevolge een bezwaar

De FOD wijst erop dat artikel 31 van de wet bepaalt dat in geval van bezwaar tegen de kiezerslijsten, de vaststelling van het aantal mandaten, de lijst van het leidinggevend personeel of de lijst van de kaderleden, de ondernemingsraad of het CPBW, of bij ontstentenis ervan, de werkgever, een bericht van rechtzetting laat aanplakken in geval van wijziging en dat bij ontstentenis van een ondernemingsraad of CPBW dat bericht wordt meegedeeld aan de betrokken representatieve werknemersorganisaties en de betrokken organisaties van kaderleden indien een ondernemingsraad moet worden opgericht.

Omwille van de coherentie met artikel 14 van diezelfde wet, dat bepaalt dat bij ontstentenis van een ondernemingsraad en CPBW, een afschrift van dit bericht van dag X wordt overgemaakt aan de vakbondsafvaardiging, stelt de FOD voor om voor de mededeling van de kiezerslijsten ook de vakbondsafvaardiging te beogen in artikel 31 van de wet.

De Raad vraagt om in artikel 14, lid 4 (in fine) van de wet te bepalen dat bij ontstentenis van een ondernemingsraad en CPBW, de kiezerslijsten uitsluitend aan de vakbondsafvaardiging moeten worden bezorgd indien die bestaat uit vertegenwoordigers van alle representatieve werknemersorganisaties. Bij ontstentenis van een ondernemingsraad of CPBW worden daarentegen indien niet alle representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd zouden zijn in de vakbondsafvaardiging, de kiezerslijsten via de webapplicatie of per post bezorgd aan de representatieve werknemersorganisaties.

Artikel 31 moet in overeenstemming worden gebracht met die wetwijziging.

8.    Artikel 31 Digitale mededeling Wijziging van de kiezerslijsten

Volgens de FOD moet in artikel 31 van de wet gepreciseerd worden dat de aanplakking van de wijziging van de kiezerslijsten vervangen kan worden door een elektronische terbeschikkingstelling.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

9.    Artikel 31 bis Upload bericht dag X na vonnis

De FOD herinnert eraan dat artikel 31 bis van de wet verband houdt met het beroep bij de arbeidsrechtbank tegen de kiezerslijsten, de vaststelling van het aantal mandaten, de  lijst van het leidinggevend personeel en de lijst van de kaderleden. De beslissing van de arbeidsrechtbank leidt indien nodig tot een rechtzetting van de aanplakking.

De FOD raadt aan dat het bericht dag X dat werd aangepast naar aanleiding van een vonnis van de arbeidsrechtbank ook op de webapplicatie wordt opgeladen en, indien het de kiezerslijsten betreft, uitsluitend indien er geen ondernemingsraad, CPBW of vakbondsafvaardiging is.

De Raad gaat akkoord wat betreft het rechtgezette bericht dag X en vraagt te bepalen dat bij ontstentenis van een ondernemingsraad en CPBW, de kiezerslijsten die zijn rechtgezet na een vonnis, aan de vakbondsafvaardiging worden meegedeeld indien die bestaat uit vertegenwoordigers van alle representatieve werknemersorganisaties en dat indien niet alle representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigd zouden zijn in de onderneming, de mededeling enkel via de webapplicatie gebeurt (zie punt C. hieronder).

10. Artikel 31 bis Wijziging na vonnis in verband met bericht dag X

De FOD vraagt in artikel 31 bis van de wet betreffende de sociale verkiezingen te preciseren dat de aanplakking van de wijziging vervangen kan worden door een elektronische terbeschikkingstelling.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

11. Artikel 33 Kandidatenlijsten en bevoegdheid van de volmachthebber

De FOD herinnert eraan dat artikel 33, § 4 van de wet bepaalt dat de volmachthebbers die de kandidatenlijsten hebben ingediend, ook voor de kiesverrichtingen gemandateerd kunnen worden, om voor alle verdere verrichtingen te handelen in naam van de organisatie in wier naam ze een lijst hebben ingediend.

Volgens de FOD lijkt dat mandaat beperkt tot de kiesverrichtingen binnen de enige wet betreffende de sociale verkiezingen.

Artikel 21, § 2, 6° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven bepaalt voor de ondernemingsraad echter het volgende:

"Het mandaat van de personeelsafgevaardigde neemt een einde: 6° indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, het behoud van het mandaat vraagt bij ter post aangetekend schrijven, gericht aan de werkgever."

Voorts bepaalt artikel 61, § 1, 6° van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, voor het CPBW:

Het mandaat van de personeelsafgevaardigde neemt een einde: 6° indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen het behoud van het mandaat vraagt bij aangetekend schrijven gericht aan de werkgever.”

Bijgevolg kan het behoud van het mandaat in geval van wijziging van categorie wettelijk dus enkel door de representatieve organisatie gevraagd worden en niet door de volmachthebber. Bij de FOD rijst de vraag of de wet betreffende de organisatie van het bedrijfsleven en de welzijnswet eventueel aangepast moeten worden. In dat geval is het volgens de FOD aangewezen om “vraagt” in beide wetgevingen te vervangen door “meedeelt”, zodat duidelijk blijkt dat het een mededeling betreft waartegen de werkgever zich niet kan kanten.

De Raad gaat akkoord met het voorstel van de FOD.

12. Artikel 36 Aanplakking van de kandidatenlijsten

De FOD wijst erop dat artikel 36 van de wet voorziet in de aanplakking van het bericht met vermelding van de namen van de kandidaten. De FOD stelt voor te verduidelijken hoe de werkgever die aanplakking concreet moet uitvoeren en eventueel in een model te voorzien.

De Raad vraagt dat de wet voorziet in een standaardmodel voor het bericht met vermelding van de namen van de kandidaten, met ruimte (bijvoorbeeld bovenaan) voor de namen van de representatieve werknemersorganisaties (ACV, ABVV, ACLVB). Dat model zou in Excel-formaat op de webapplicatie van de FOD WASO moeten worden gezet waardoor fouten worden vermeden.

13. Artikel 37 Overmaking klacht over kandidatenlijst door werkgever

a) De FOD herinnert eraan dat artikel 37 van de wet bepaalt dat de werknemers die op de kiezerslijsten voorkomen, alsmede de representatieve werknemersorganisaties klachten kunnen indienen bij de werkgever. De werkgever legt de klachten en de intrekkingen van de kandidatuur voor aan de organisatie die kandidaten heeft voorgedragen, alsook aan zijn volmachthebber, voor zover deze een adres meegedeeld heeft. Deze voorlegging gebeurt naar keuze van de werkgever hetzij per post, hetzij via een upload op de webapplicatie van de FOD.

FOD onderstreept dat de wet onduidelijk is omdat de vraag rijst of de mededeling aan de volmachthebber die een "adres" aangaf, verplicht op papier moet gebeuren, zelfs al heeft de werkgever reeds op elektronische wijze een mededeling gedaan aan de organisatie die kandidaten heeft voorgedragen. De FOD vindt dat dit in de wet of eventueel in de brochure verduidelijkt moet worden.

FOD wijst erop dat de huidige formulering van voornoemd artikel 37 zin had toen alle mededelingen op papier gebeurden. In het licht van de elektronische mededelingen vraagt de FOD zich af of het informeren van de volmachthebber op papier nog wel zin heeft aangezien die via zijn toegangscode toegang heeft tot die informatie.

FOD merkt verder op dat het modelformulier betreffende de kandidatenlijst een rubriek "Contactpersoon" bevat, maar dat dit niet noodzakelijk de volmachthebber is. De FOD stelt dus voor te voorzien in een mogelijkheid om het postadres van de volmachthebber op te geven op dat modelformulier. Zo wordt ook voor rechtszekerheid gezorgd.

b) De Raad benadrukt dat als principe een dubbele mededeling zou moeten worden vermeden.

Maakt de werkgever gebruik van de webapplicatie, dan volstaat een mededeling door middel daarvan.

Voorts vindt de Raad dat in het modelformulier een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen:

  • de papieren mededeling met toevoeging van een specifieke rubriek voor de mededeling per post (postadres van de volmachthebber) of via e-mail (emailadres van de volmachthebber);
  • de elektronische mededeling, namelijk een mededeling via de webapplicatie van de FOD WASO.
Volg het on demand seminarie Up-to-date HR-recht 2018-3 met Valerie MASTELINCK

14. Artikelen 37 en 38 Wijziging/vervanging van een kandidatenlijst en timing

De FOD wijst erop dat, in geval van wijziging van de kandidatenlijst na een klacht (artikel 37), en in geval van vervanging van een kandidaat (artikel 38), de wet niet bepaalt hoe die datum van de wijziging of vervanging wordt vastgesteld.

De FOD stelt dus voor de voornoemde artikelen 37 en 38 aan te vullen als volgt: "de datum van de wijziging/vervanging wordt bepaald door de datum van verzending per post, de datum van de onmiddellijke overhandiging of de datum die op de webapplicatie wordt toegekend."

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

15. Artikel 38 Mededeling vervangingen

De FOD herinnert eraan dat de wet bepaalt dat de vervanging van een kandidaat, aan de hand een modelformulier moet worden meegedeeld aan de werkgever. Volgens de FOD is het aangewezen te verduidelijken dat dit modelformulier kan worden opgeladen in de webapplicatie.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

16. Artikel 38 Aanplakking van de definitieve kandidatenlijsten

a) De FOD wijst erop dat artikel 38 van de wet bepaalt dat de werkgever de wijzigingen in de kandidatenlijsten aanplakt zodra de vervanging hem werd betekend. Verschillende ondernemingen hebben de FOD gevraagd of enkel de wijzigingen dan wel de definitieve lijsten moeten worden aangeplakt.

De FOD stelt voor een definitieve aanplakking te doen, zelfs indien er geen wijziging als gevolg van vervanging is gebeurd waardoor een vergelijking kan worden gemaakt met de vorige aanplakkingen. Een definitieve aanplakking zorgt er bovendien voor dat de eventuele wijzigingen als gevolg van een eventueel vonnis aangaande de kandidatenlijsten kunnen worden verwerkt.

b) 1) De Raad gaat akkoord met dit voorstel. Volgens hem moet immers worden overgegaan tot een definitieve aanplakking van alle lijsten, zelfs als er geen wijziging is gebeurd ingevolge een bezwaar of beroep. Zo weten alle betrokken partijen dat de lijsten definitief en volledig zijn. 

2) De Raad stelt bovendien vast dat het laatste lid van artikel 38 bepaalt dat de wijzigingen door de werkgever worden aangeplakt, op dezelfde plaatsen als het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, zodra de vervanging hem wordt betekend.

Hij merkt op dat als één of meerdere representatieve werknemersorganisaties de werkgever op de hoogte brengen van wijzigingen (upload in de webapplicatie van de FOD WASO) op een zondag of een gewone inactiviteitsdag in de onderneming, de werkgever praktisch gezien slechts pas op de maandag of de dag na de gewone inactiviteitsdag kan overgaan tot de vereiste aanplakking.

De werkgever kan artikel 13, § 2 van de wet dus niet in acht nemen; dat artikel luidt als volgt: “Indien de data van de verkiezingsprocedure samenvallen met een zondag of een gewone inactiviteitsdag in de onderneming, moet de verrichting ten laatste aan de vooravond van die zondag of die gewone inactiviteitsdag uitgevoerd zijn”.

Met het oog op rechtszekerheid vraagt de Raad dus in artikel 38, laatste lid, te vermelden dat de werkgever, in afwijking van artikel 13, § 2, de definitieve lijsten op de maandag of de dag na de gewone inactiviteitsdag mag aanplakken indien hij op een zondag of een gewone inactiviteitsdag op de hoogte wordt gebracht van de vervanging. Zo heeft hij dus een werkdag de tijd om aan zijn verplichting te voldoen.

Dit komt de werkgever ten goede, in het bijzonder wat betreft de verplichting in artikel 38 van de wet, maar heeft geen invloed op de termijn van de verkiezingsprocedure, met name wat betreft de indiening van de kiezerslijsten, noch op de beroepstermijn.

17. Artikel 38 Digitale mededeling Wijziging van de kandidatenlijsten en definitieve kandidatenlijsten

Volgens de nota van de FOD moet in artikel 38 worden vermeld dat de aanplakkingen vervangen kunnen worden door een elektronische terbeschikkingstelling.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

18. Artikel 40 Gebruikelijke voornamen en kandidatenlijsten

De FOD merkt op dat de kandidaten kunnen vragen dat hun gebruikelijke voornaam  (roepnaam)  op  de  kandidatenlijst,  naast  hun  voornaam wordt gezet. De kandidaten moeten dit aan de werkgever vragen zodat die dan de correctie kan aanbrengen.

De FOD stelt voor dat de indieners van de kandidatenlijsten zelf reeds de gebruikelijke voornaam zouden kunnen aanvullen op die lijsten. Dat beginsel kan in het 1e lid van artikel 40 van de wet opgenomen worden.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

19. Artikel 43 Mededeling over de samenstelling van stembureaus

Volgens de FOD moet in artikel 43 gepreciseerd worden dat de samenstelling van de stembureaus ook elektronisch kenbaar kan worden gemaakt.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

20. Artikel 44 Getuigen en verwittiging werkgever

De FOD zal zorgen voor een nieuwe digitale mogelijkheid waarmee de getuigenlijsten ter attentie van de werkgever opgeladen kunnen worden. Volgens de FOD moet artikel 44 van de wet dus worden aangevuld met de mogelijkheid tot digitaal toezenden van de getuigenlijst aan de werkgever. Hiervoor zal een nieuw, niet verplicht modelformulier ter beschikking van de representatieve werknemersen kaderledenorganisaties worden gesteld.

De Raad gaat akkoord met die voorstellen.

21. Artikel 45 Duurtijd van de aanplakkingen

  1. 1) De FOD herinnert eraan dat het eerste lid van artikel 45 van de wet het volgende bepaalt: “Het bericht met de aankondiging van de verkiezingsuitslagen blijft aangeplakt tot de vierentachtigste dag na de aanplakking ervan”. Het volgende lid betreft de aanplakking en de bewaring van de andere berichten. Dat lid beoogt zo onder meer “de aankondiging van de indiening van de kiezerslijsten”. Maar er is geen echte “aankondiging van de indiening van de kiezerslijsten”. Volgens de FOD betekent dat dat die kiezerslijsten moeten worden bewaard. De FOD stelt bijgevolg voor het tweede lid van artikel 45 van de wet op dat vlak te herformuleren.
  2. De Raad vraagt om de duurtijd van de aanplakking en terbeschikkingstelling van de berichten te verkorten. Zo:
  • zou de duurtijd van de aanplakking doorgaans Y+15 bedragen;
  • in geval van een hangend beroep blijft een bericht aangeplakt waarop de plek is aangegeven waar de berichten geraadpleegd kunnen worden tot: Y+84.

Artikel 45 van de wet zou dus op basis van dat voorstel moeten worden geherformuleerd. Er moet ook worden vermeld dat het aldus aangepaste artikel 45 van toepassing is onverminderd artikel 68, laatste lid, laatste zin van de wet (het bericht met de uitslag der stemming en de samenstelling van de ondernemingsraad of het CPBW moet aangeplakt blijven tot de vierentachtigste dag na de aanplakking van de uitslag van de stemming).

22. Artikel 47 Digitale mededeling Oproeping van de kiezers

Volgens de FOD moet in artikel 47 van de wet betreffende de sociale verkiezingen worden verduidelijkt dat het feit dat de oproeping heeft plaatsgehad ook elektronisch kenbaar kan worden gemaakt.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

23. Artikel 47 Wijze van oproeping en termijnen Aangetekende verzending van de oproepingsbrieven

a) De FOD werpt op dat er onduidelijkheid heerst over de uiterste termijn voor oproeping van de kiezers, indien de oproeping aangetekend wordt verstuurd zonder dat de werkgever eerst een ander middel voor oproeping heeft geprobeerd. In dat geval bedraagt de uiterste termijn X+80. De verlenging van de termijn met 2 dagen geldt enkel indien de werkgever eerst een op andere wijze probeerde om de kiezer op te roepen. Dat zou in artikel 47 van de wet verduidelijkt moeten worden.

Verder wordt in het tweede lid van dat artikel het volgende bepaald: “De kiezer die op de dagen waarop de oproepingsbrief wordt overhandigd niet in de onderneming aanwezig is, wordt opgeroepen bij een aangetekende brief of door eender welk middel voor zover de werkgever een bewijs kan leveren van verzending van deze oproepingsbrief en van ontvangst door de bestemmeling. Bij ontstentenis van een bewijs van ontvangst door de bestemmeling, wordt de oproepingsbrief bij aangetekende brief verzonden ten laatste 8 dagen voor de dag van de verkiezingen”.

De FOD geeft aan dat die formulering voor praktische problemen lijkt te zorgen, omdat tal van ondernemingen denken dat zelfs in geval van een aangetekende zending een bericht van ontvangst door de bestemmeling is vereist, wat niet het geval is. De FOD stelt dus voor die bepaling te herschrijven en de zin op te splitsen.

b) 1) De Raad kan akkoord gaan met het voorstel van de FOD. Hij stelt evenwel vast dat het grootste probleem waarmee de ondernemingen te maken hebben, de werknemers betreft die de werkgever niet heeft kunnen bereiken omdat ondanks het feit dat ze aangetekend worden verstuurd, een groot aantal van de oproepingen nooit in ontvangst worden genomen door de bestemmelingen, die ze niet bij de post gaan ophalen.

Hij wijst erop dat als de werkgever de oproepingen via aangetekende brieven wenst te doen, hij aan zijn wettelijke verplichtingen voldoet.

2) De Raad herinnert er evenwel aan dat indien voor een andere wijze van oproeping wordt gekozen, de werkgever dan evenwel het risico loopt dat de oproeping niet wordt overhandigd. Hij moet dus het bewijs leveren van de overhandiging en ontvangst van de oproepingen. Het risico en de bewijslast liggen bij hem. Hij heeft er dus alle belang bij transparant te zijn wat betreft de ingevoerde afwijkende regeling en het goede verloop ervan.

  1. De  Raad  vraagt  dat  bij  ontstentenis  van  een  ondernemingsraad  of CPBW in de onderneming de oproeping bij aangetekende brief het enige middel blijft om kiezers op te roepen die hun oproeping niet op een andere manier konden ontvangen.
  2. Indien een ondernemingsraad of een CPBW aanwezig is in de onderneming, kan een unaniem akkoord worden gesloten binnen die organen om “alle (andere) middelen” van oproeping en de modaliteiten ervan vast te leggen. De werkgever deelt die beslissing mee via de webapplicatie van de FOD Werkgelegenheid.

Alle betrokken werknemers moeten duidelijk worden geïdentificeerd en ingeval voor een (gewone) zending per post wordt gekozen, moet hun postadres juist zijn. Het betreft het laatste adres dat de werknemers hebben meegedeeld aan hun werkgever. Diezelfde modaliteiten moeten in acht worden genomen voor alle andere wijzen van oproeping. De werkgever moet een vertrouwelijke lijst van de betrokken werknemers opstellen met hun postadres of andere nuttige persoonlijke gegevens, die dient te worden bezorgd aan het bevoegde orgaan.

De getuigen kunnen die procedure in alle transparantie opvolgen. Dit behoort tot de huidige bevoegdheid en rol van de getuigen, die erin bestaat alle verkiezingshandelingen op te volgen zonder dat die bevoegdheden en rol hierdoor worden uitgebreid. De wet hoeft in dat opzicht dus niet te worden gewijzigd.

  1. De Raad vraagt om artikel 47, lid 2, te herformuleren zodat enerzijds die bepaling wordt verduidelijkt, zoals de FOD oppert in zijn voornoemde voorstellen, en anderzijds om gevolg te geven aan zijn eigen voorstellen in punt 23, b.2). 

24. Artikel 55 Nederlandse versie

De FOD signaleert dat “leiden” vervangen moet worden door “begeleiden” in de Nederlandse versie van het voornoemd artikel.

De Raad neemt nota van die opmerking.

25. Artikel 58, laatste lid Speciaal pv

De FOD herinnert eraan dat tijdens de sociale verkiezingen van 2016 het speciaal pv voor de stemming per brief (ongeldige stemmingen) afgeschaft werd. In het laatste lid van artikel 58 van de wet wordt echter nog bepaald dat het stembureau hiervoor moet samenkomen. Volgens de FOD is dat overbodig aangezien het bureau dan enkel het pv zou kunnen aanpassen om het aantal te laat toegekomen stembiljetten te verhogen op basis van de ongeldige stemmingen per brief. De FOD stelt bijgevolg voor de eerste zin van het laatste lid van artikel 58 van de wet op te heffen.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel.

26. Artikel 68, lid 2, 2°  Verlenging van de plicht tot bewaring

a) De FOD merkt op dat de werkgever krachtens artikel 68, lid 2, 2° van de wet de pv’s dient te bewaren “tijdens de gehele legislatuur voor de toepassing van artikel 79”, namelijk de vervanging van de effectieve leden van de werknemersafvaardiging (een legislatuur).

Volgens de FOD zou die bewaartermijn het best verlengd worden en in overeenstemming worden gebracht met de termijn inzake ontslagbescherming.

De FOD voegt eraan toe dat de werkgever er baat bij heeft de pv's systematisch bij te houden om alle mogelijke risico’s op fouten in geval van ontslag van een beschermde werknemer te vermijden. Aldus zou ofwel geen enkele termijn voor de bewaring worden vastgesteld omdat die verantwoordelijkheid sowieso bij de werkgever ligt, ofwel een minimale termijn.

De FOD wijst erop dat dat punt verband houdt met de algemene kwestie van de gegevensbescherming en er aandacht aan besteed moet worden (zie ook punt B.2. hieronder).

b) De Raad stemt in principe in met het voorstel van de FOD om de termijn voor de bewaring van de pv’s te verlengen.

Hij stelt voor de brochure aan te vullen met de bovenstaande uitleg van de FOD, omdat die verlenging van de bewaartermijn geen verplichting, maar een aanbeveling (een mogelijkheid) zou moeten zijn voor de werkgever, onder andere voor het bijhouden van zijn registers en het vervullen van zijn verplichtingen ten aanzien van de GDPR en wat betreft de periode van bescherming voor de betrokken werknemers in geval van ontslag (aanvoeren van het bewijs door de werkgever dat de ontslagen werknemer al dan niet (nog) een bescherming geniet). Dat laatste bewijs wordt aangevoerd door het pv van de verkiezingen, maar volgens de FOD zou het te omslachtig zijn een dergelijke verplichting tot bewaring in de wet op te nemen. Bijgevolg is het beter om in de brochure een aanbeveling tot bewaring voor meerdere legislaturen op te nemen. De Raad merkt op dat de FOD zelf de pv’s van twee legislaturen bijhoudt. 

27. Artikel 78 Digitale mededeling Verschillende hypothesen van stopzetting van de verkiezingsprocedure Elektronische aanplakking

De FOD merkt op dat in artikel 78 van de wet verschillende hypothesen van stopzetting van de verkiezingsprocedure worden bepaald. In die gevallen voorziet de wet in de plicht tot aanplakking. De FOD stelt voor elke keer te preciseren dat de aanplakking kan vervangen worden door een elektronische terbeschikkingstelling.

De Raad gaat hiermee akkoord, in zoverre alle werknemers tijdens hun normale werkuren toegang hebben tot die elektronische terbeschikkingstelling.

28. Artikel 79 Vervanging van de effectieve leden

De FOD wijst erop dat de vervanging van de effectieve leden zowel wordt geregeld in artikel 79 van de wet als in artikel 21, § 3 van de wet houdende organisatie van het bedrijfsleven betreffende de ondernemingsraad en in artikel 62 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat het CPBW betreft.

In voornoemd artikel 79 wordt nergens melding gemaakt van de vervanging van de plaatsvervangers door niet-verkozenen die een ontslagbescherming van 4 jaar genieten, en wordt evenmin aangegeven dat nietverkozenen die een ontslagbescherming van 2 jaar genieten, enkel effectieve leden kunnen vervangen indien de andere mogelijkheden uitgeput zijn, d.w.z. indien er gedurende 4 jaar geen plaatsvervangers en beschermde niet-verkozenen zijn.

De FOD stelt dus voor artikel 79 van de wet volledig te herschrijven overeenkomstig de bovengenoemde vervangingsregeling als bepaald in artikel 21, § 3 van de wet betreffende de organisatie van het bedrijfsleven en artikel 62 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers op het werk.

De Raad gaat akkoord met dat voorstel en vraagt om hem een voorstel tot formulering van een nieuw artikel 79 van de wet voor te leggen.

29. Vervroeging van de referentieperiode voor de berekening van de drempel

a) De FOD herinnert eraan dat hij bij de sociale verkiezingen 2016 had voorgesteld om de aanvang van de referentieperiode die van toepassing is voor de berekening van de tewerkstellingsdrempel (artikel 7, §1, lid 1 en 2 van de wet) aan te passen zodat die berekeningsperiode ten einde is voordat de voorverkiezingsprocedure aanvat (X-60). Het gaat er immers om situaties te vermijden waarin een werkgever die begin december een procedure voor sociale verkiezingen opstart, bij het einde van de referentieperiode (momenteel 31 december) dient vast te stellen dat hij de drempel niet haalt of vice versa.

De FOD wijst er ook op dat dat voorstel uiteindelijk niet opgenomen werd in de wetgeving betreffende de sociale verkiezingen 2016. In zijn advies nr. 1.919 van 25 november 2014 stelt de Raad immers vast dat in het voorontwerp van wet waarover hij zich uitspreekt, wordt voorgesteld om de referentieperiode met een trimester te vervroegen. Onverminderd hetgeen hij zal beslissen voor 2020 geeft de Raad aan geen voorstander te zijn van die vervroeging voor de sociale verkiezingen 2016, aangezien die periode in dat geval al zou ingaan op 1 oktober 2014. De Raad geeft ook aan dat die vervroeging problemen oplevert voor een aantal van zijn leden.

b) De Raad stelt vast dat de referentieperiode momenteel overeenstemt met vier trimesters voorafgaand aan het trimester waarin het bericht met de aankondiging van de verkiezingsdatum wordt aangeplakt.

Om te voldoen aan de bezorgdheden van de FOD zou volgens hem de referentieperiode voor de sociale verkiezingen 2020 moeten worden vervroegd. Hij stelt dus voor die vast te leggen van 1 oktober 2018 tot 30 september 2019 (het laatste trimester van 2018 en de eerste drie trimesters 2019) en artikel 7, §1, lid 1 en 2 van de wet in die zin te herformuleren.

De Raad stelt voor dat ook de periode voor het berekenen van het aantal uitzendkrachten wordt vervroegd ten gevolge van bovenstaande aanpassingen, en in het tweede trimester van het kalenderjaar 2019 plaatsvindt.

 

B. Standpunten van de Raad

De Raad wenst voorstellen te formuleren met het oog op de verduidelijking van enerzijds de kiesvoorwaarden en anderzijds wat betreft de impact van de GDPR op de wetgeving betreffende de sociale verkiezingen.

1.   Artikel 16 Kiesvoorwaarden -Uitzendkrachten

De Raad stelt vast dat artikel 16 van de wet voorziet in de kiesvoorwaarden. Zo bepaalt het met name dat alle werknemers van de onderneming die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst, die sedert ten minste drie maanden tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit of in de technische bedrijfseenheid gevormd door meerdere juridische entiteiten, deelnemen aan de sociale verkiezingen.

De Raad vraagt om bij de berekening van die periode van 3 maanden anciënniteit rekening te houden met de periodes van tewerkstelling als uitzendkracht in de voornoemde juridische entiteit of technische bedrijfseenheid, die onmiddellijk voorafgaan aan de afsluiting van de arbeidsovereenkomst met die gebruiker met inachtneming van artikel 13 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.

2.    Terbeschikkingstelling van de gegevens / gegevensbescherming / GDPR

De Raad heeft vernomen dat er in een begeleidingscomité een protocol besproken wordt aangaande de impact van de GDPR op de wetgeving betreffende de sociale verkiezingen. Hij vraagt dat de representatieve werkgeversen werknemersorganisaties betrokken worden bij die besprekingen. De Raad vraagt dat dat protocol het goede verloop van de sociale verkiezingen niet ondermijnt.

De Raad vraagt om een aanpassing van de brochure van de FOD WASO zodat er richtlijnen in worden opgenomen, met name voor het bijhouden van het register van de uitzendkrachten, het pv van de sociale verkiezingen, de kiezerslijsten, de kandidatenlijsten en de bewaring van de documenten en mededelingen van de representatieve werknemersorganisaties aan hun leden en de niet-leden. Hij verzoekt de FOD die kwesties na te gaan met het oog op de voor-noemde bespreking in het begeleidingscomité.