Welke nieuwe fiscale maatregelen in 2018-19 ?

Geschreven door Lexalert
Foto: Mike Lawrence  

In de beleidsbrief Financiën van 29 oktober 2018 kondigt de minister een aantal nieuwe fiscale maatregelen aan. 

Eenheidsstatuut

In het kader van de invoering van het eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden werd een fiscale gunstmaatregel voorzien doordat deze gelijkschakeling in sommige gevallen een stijging van de ontslagkosten zou betekenen voor bepaalde werknemers.

De maatregel houdt in dat er toegelaten wordt in een belastbaar tijdperk om een bedrag van 3 weken bezoldiging van een werknemer vrij te stellen van de winsten en baten en dit per werknemer vanaf het zesde begonnen dienstjaar na 1 januari 2014. Vanaf het 21ste begonnen dienstjaar kan per werknemer per belastbaar tijdperk 1 week bezoldiging vrijgesteld worden.

De in aanmerking te nemen maandbezoldiging wordt voor de berekening van de vrijstelling geplafonneerd, zodat binnen de reeds bij KB expliciet voorziene enveloppe van 250 000 EUR wordt gebleven.

Er wordt nu voorzien dat de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, waarvan gebruik kan worden gemaakt voor werknemers die bij de desbetreffende belastingplichtige ten minste vijf dienstjaren hebben verworven na 1 januari 2014, gespreid wordt over vijf belastbare tijdperken.

ATAD – intrestaftrekbeperking

Op initiatief van de minister van Financiën en in overleg met de Europese Commissie wordt de inwerkingtreding van de interestaftrekbeperking vervroegd naar 2019.

Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever

Het komt voor dat een buitenlandse moedervennootschap aandelenopties of andere voordelen van alle aard toekent aan werknemers van haar Belgische dochtervennootschap.

Op basis van de bestaande wettelijke bepalingen moet er voor een dergelijke toekenning geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden. Wanneer er geen bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden en ook de verplichting om bepaalde inlichtingen te verstrekken niet wordt gerespecteerd, ontsnapt dit type  van  toekenning  via  een  verbonden  buitenlandse  vennootschap  aan  de  belastingheffing. Om misbruiken te  bestrijden  wordt  een  fictie  gecreëerd  die  de  werkgever  van  de  begunstigde  van  een  dergelijke  verrichting  ertoe  verplicht  om  niet  alleen  bedrijfsvoorheffing  in  te  houden,  maar  ook  de  ficheverplichting  te  vervullen.

CRS & fiscale regularisatie

De AAFISC en de AABBI analyseren de ontvangen informatie over rekeningen van Belgische rijksinwoners in het buitenland via de Common Reporting Standard. Er dient daarbij op gewezen te worden dat fiscaal verjaarde kapitalen, kapitalen zijn ten aanzien waarvan de fiscale administratie ingevolge het verstrijken van de verjaringstermijnen geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen. Dat impliceert dat de lopende onderzoeks- daden van de belastingadministratie enkel betrekking mogen hebben op niet-verjaarde inkomsten. De regularisatiewetgeving blijft dan onverkort van toepassing zodat de betrokken belastingplichtigen nog steeds een regularisatieaangifte kunnen indienen voor de fiscaal verjaarde kapitalen die hun normale belastingregime niet hebben ondergaan. Het dossier van wie daar geen gevolg aan geeft, wordt doorgegeven aan het parket.

Uit het meeste recente activiteitenverslag van de CFI blijkt dat dergelijke fraudedossiers aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging en veroordeling wegens de achterliggende witwasmisdrijven. Dit is volgens de CFI eveneens het geval indien de kapitalen, die op een buitenlandse rekening, een buitenlandse levensverzekering of in een buitenlandse juridische constructie werden ondergebracht, fiscaal verjaard zijn.

Aangezien dergelijke fiscaal verjaarde kapitalen enkel kunnen worden vervolgd door justitie zullen in overleg met de minister van justitie bijkomende initiatieven worden genomen om de strijd tegen fiscale fraude te verhogen bij de parketten.

Jobdeal

De federale regering heeft een pakket van maatregelen voorgesteld dat als doel heeft om meer mensen te kunnen begeleiden naar werk. Een aantal van deze maatregelen zijn fiscaal van aard.

Zo wordt onder meer een maatregel onderzocht waarbij een fiscale vrijstelling wordt verleend voor een premie die toegekend wordt door de gewesten na de succesvolle afronding van een opleiding die toegang geeft tot een knelpuntberoep en die gepaard gaat met een terugkeer naar de effectieve tewerkstelling.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmarges zullen bovendien de bedragen worden verhoogd om een gepensioneerde of een arbeidsongeschikte in staat te stellen te werken en zijn inkomen te verhogen en tegelijkertijd belastingverlagingen te genieten.

Voor de binnenscheepvaart wordt onderzocht of zij kunnen gebruik maken van de bestaande vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid.

En ten slotte wordt onderzocht of de gunstregeling voor overuren verder kan worden versoepeld.

Mobiliteitsbudget en -vergoeding

De mobiliteitsvergoeding, die werd ingevoerd door de wet van 30 maart 2018, geeft een werknemer die beschikt over een bedrijfswagen, de mogelijkheid om deze in te ruilen voor een geldbedrag (cash for car) dat fiscaal en sociaal gelijkaardig behandeld wordt als een bedrijfswagen. De werknemer kan dat geldbedrag dan naar goeddunken besteden aan andere vervoersmodi om zich te verplaatsen en zo mee bijdragen aan een oplossing voor de verkeerscongestie en de milieu- en gezondheidsproblemen die daarmee gepaard gaan.

Omdat de mobiliteitsvergoeding evenwel een alles of niets verhaal is, met name de bedrijfswagen inruilen of behouden, zal een tweede alternatief geboden worden voor de bedrijfswagen in de vorm van een mobiliteitsbudget.

Dit mobiliteitsbudget houdt in dat de werknemer een bepaald budget ter beschikking krijgt om aan zijn mobiliteitsbehoeften te voldoen en waarbij hij de keuze heeft om dat budget te spenderen in drie zgn. pijlers. De eerste pijler is deze van de milieuvriendelijke wagen, de tweede pijler bevat een heel aantal alternatieve en duurzame vervoersmodi zoals het openbaar vervoer, de fiets, de deelauto’s en -fietsen enz. De derde pijler tenslotte is het niet opgebruikte gedeelte van het mobiliteitsbudget dat in cash uitbetaald wordt.

Het is de werknemer die zelf kiest welke pijlers hij wenst te gebruiken en welke niet. Hij kan zijn mobiliteitsbudget m.a.w. volledig besteden in één bepaalde pijler maar hij kan evenzeer een combinatie maken van twee of drie pijlers.

Daar waar de mobiliteitsvergoeding vooral een modal shift beoogt en de werknemer wil aanzetten om zich volledig op een andere wijze te verplaatsen dan met de wagen, zet het mobiliteitsbudget vooral in op multimodaliteit. Het typevoorbeeld is dan de werknemer die niet langer het volledige woon-werkverkeer aflegt met zijn bedrijfswagen maar deze laatste gebruikt om naar het station te rijden, vervolgens de trein neemt en het laatste stuk van zijn traject aflegt met een plooifiets, een step, te voet enz.

Om de alternatieve vervoersmodi of m.a.w. pijler 2, zoveel mogelijk aan te moedigen, zal het deel van het mobiliteitsbudget dat daaraan wordt besteed volledig aftrekbaar zijn bij de werkgever en vrijgesteld zijn van belasting bij de werknemer. Om dezelfde reden, nl. het aanmoedigen van de werknemer om zijn mobiliteits- budget te gebruiken in pijler 2, wordt het bedrag dat in contanten wordt uitbetaald (pijler 3) onderworpen worden aan een specifieke sociale bijdrage van 38,07 %.

De milieuvriendelijke bedrijfswagen van pijler 1 ondergaat de gewone fiscale en sociale behandeling van een bedrijfswagen.

Omdat dit mobiliteitsbudget in grote lijnen een oplossing wil bieden voor dezelfde problemen als de mobiliteitsvergoeding, met name de file problematiek en de milieu- en gezondheidsproblemen die daaraan verbonden zijn, wordt het toepassingsgebied van de reeds in voege zijnde mobiliteitsvergoeding gealigneerd op dat van het mobiliteitsbudget.

Zowel de vergoeding als het budget zal m.a.w. mogelijk zijn voor werknemers die over een bedrijfswagen beschikken alsook voor deze die er volgens het bedrijfswagenbeleid van de werkgever recht op hebben. Op die manier kan worden vermeden dat werknemers eerst gedurende een bepaalde tijd een bedrijfswagen moeten krijgen om pas dan gebruik te kunnen maken van één van deze twee alternatieven.

Voordeel van alle aard gratis ter beschikking gesteld onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen

Een bedrijfsleider of een werknemer die een gratis woonst ter beschikking krijgt van zijn vennootschap of zijn werkgever, wordt daarvoor privé belast op een belastbaar voordeel dat forfaitair wordt bepaald op basis van het kadastraal inkomen. Deze forfaitaire waardering is evenwel verschillend naargelang de woonst ter beschikking wordt gesteld door een vennootschap dan wel door een werkgever-natuurlijk persoon.

Wordt de woonst ter beschikking gesteld door een vennootschap, dan is het belastbaar voordeel gelijk aan KI x index x 100/60 x 3,8. Is het KI in zo’n geval kleiner dan € 745, dan wordt de factor 3,8 verlaagd tot 1,25.

Wordt de woning evenwel door een werkgever- natuurlijk persoon ter beschikking gesteld, dan is het belastbaar voordeel, in alle gevallen, gelijk aan KI x index x 100/60.

In de rechtspraak werd nu geoordeeld dat het verschil in de berekening van dat belastbaar voordeel niet gerechtvaardigd is en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Een aanpassing van de regelgeving dringt zich dus op, temeer omdat diezelfde rechtspraak van oordeel is dat in afwachting van een aanpassing, het belastbaar voordeel gratis woonst in alle gevallen dient berekend te worden volgens de voordeligste methode, zijnde KI x index x 100/60.

Om deze redenen zal het belastbaar voordeel in die zin worden gewijzigd dat het in alle gevallen gelijk is aan KI x index x100/60 x 2 en dat er ter zake ook geen onderscheid meer wordt gemaakt naargelang het KI hoger of lager is dan € 745.

BTW-regels inzake onroerende verhuur

De btw-regels inzake onroerende verhuur worden grondig hervormd.

De basisregel blijft – conform de Europese btw- richtlijn – dat de verhuur van een onroerend goed (bv. een stuk grond, een kantoorruimte, een fabriekspand,…) in principe vrijgesteld is van btw.

Voortaan zullen de partijen er evenwel onder bepaalde voorwaarden voor kunnen opteren om de verhuur van professioneel gebruikte onroerende goederen aan btw te onderwerpen (het zogenaamde optioneel btw-stelsel).

Daarnaast wordt voor taan ook voorzien in een verplichte btw-heffing op de kortdurende verhuur van onroerende goederen.

De nieuwe regels treden in werking op 1 januari 2019, en hebben een drievoudige doelstelling:

1) In de eerste plaats betekent dit een verder vereenvoudigen van de btw-regelgeving: door een optionele btw-heffing in te voeren kan er komaf worden gemaakt met allerlei regelingen en optimalisatietechnieken die als enige doelstelling hebben om de negatieve gevolgen van de vrijstelling van onroerende verhuur (nl. het niet kunnen uitoefenen van het recht op btw-aftrek) tegen te gaan;

2) voorts worden Investeringen in nieuwbouw en vernieuwbouw gestimuleerd: doordat de verhuurder voortaan de btw op de oprichtingswerken en grondige renovatiewerken kan recupereren, worden de investeringen in ons vastgoedpatrimonium aangezwengeld;

3) tenslotte werkt dit de concurrentiehandicap met de buurlanden weg: al onze buurlanden kennen zo’n systeem van optionele btw-heffing hetgeen ons land in een nadelige concurrentiepositie plaatst bij de geografische keuze van vastgoedprojecten.

E-commerce

België hinkt, in vergelijking met de buurlanden, achterop als het gaat over elektronische handel. Zowel het aantal ondernemingen dat e-commerce activiteiten uitbaat in ons land, als het aantal werknemers die tewerkgesteld worden binnen e-commerceactiviteiten liggen in ons land significant lager.

De regering heeft daarom beslist om te voorzien in een fiscale stimulus voor bedrijven die personeel tewerkstellen in logistieke en ondersteunende diensten verbonden aan de elektronische handel van roerende goederen.

De fiscale stimulus wordt geënt op de bestaande vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor nachtarbeid, waarbij specifiek voor activiteiten in de e-commerce de regeling met betrekking tot de uren waarbinnen deze nachtarbeid dient gepresteerd te worden zal versoepeld worden.

Lees ook: E-commerce – FOD financiën publiceert circulaire over vereenvoudigde aangifteprocedure

Fiscale stimuli

  1. Spin-off

Een particuliere belegger kan fiscaal benadeeld worden indien hij aandelen in een beursgenoteerd bedrijf bezit die door een spin-off verrichting opgesplitst wordt. De belegger zou volgens de actuele wetgeving roerende voorheffing moeten betalen op de nieuwe aandelen die uit een spin-off ontstaan.

Nochtans is bij een spin-off, waarbij een deel van het bedrijf afgesplitst en verzelfstandigd wordt, in principe, op het ogenblik van de verrichting, de som van beide delen gelijk aan de oorspronkelijke waarde van het bedrijf en vindt dan ook geen verrijking plaats.

Om deze problematiek te verhelpen wordt voorgesteld om een vrijstelling in de roerende voorheffing te voorzien voor dividenden die door een beursgenoteerde vennootschap worden toegekend onder de vorm van aandelen van een beursgenoteerde vennootschap in het kader van een “spin-off” verrichting, voor zover de inbreng en de verkrijging van de aandelen het onder- werp uitmaken van een en dezelfde herstructurerings- verrichting die plaatsvindt in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en die belastingneutraal of vrijgesteld is.

  1. Vrijwillige brandweerlieden en de vrijwillige ambulanciers

Momenteel hebben vrijwilligers van de openbare brandweerkorpsen recht op een vrijgestelde vergoeding van maximum 4 460 EUR voor aanslagjaar 2018.

Om ook aanspraak te kunnen maken op dezelfde vrijstelling moet een vrijwillige hulpverlener-ambulancier van de Dienst 100 brandweerman zijn. Andere ”vrijwillige” hulpverlener-ambulanciers die geen brandweerman zijn verkrijgen deze vrijstelling in principe niet.

Dit is onbillijk aangezien kan worden gesteld dat zij, voor zover ze onder de dringende geneeskundige hulpverlening vallen, geen dienst vervullen die fundamenteel verschilt van de vrijwillige ambulanciers- brandweermannen.

Bijgevolg wordt voorgesteld deze maatregel uit te breiden tot alle vrijwillige ambulanciers voor prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening.

  1. Tweede pijler en de 80%-regel

De zgn. 80 % regel bepaalt de mate waarin de premies die worden betaald voor de opbouw van een extra aanvullend pensioen voor werknemers en bedrijfsleiders, fiscaal aftrekbaar zijn. Uitgangspunt daarbij is evenwel de laatste normale bruto jaarbezoldiging die dan wordt geëxtrapoleerd over de volledige loopbaan, zij het met een aantal correcties en beperkingen waaronder onder meer het wettelijk pensioen dat iemand reeds heeft opgebouwd.

Een aantal wijzigingen in de berekening van die 80 % dringen zich evenwel op, enerzijds om een aantal uitlopers tegen te gaan en anderzijds om de berekening te moderniseren door een aantal parameters uit die berekening aan te passen. Zo wordt het wettelijk pensioen dat één van die parameters is, ook nog bepaald aan de hand van het laatste jaarloon terwijl inmiddels een veel accuratere berekening mogelijk is via mypension.be

Om diezelfde reden dient ook rekening gehouden worden met de databank van de aanvullende pensioenen (Sigedis) die thans operationeel is en die een correct beeld geeft van het extralegaal pensioen dat iemand tijdens zijn loopbaan reeds heeft opgebouwd.

Om ook zelfstandigen die niet werken via een vennootschap, de gelegenheid te geven een aanvullend pensioen op te bouwen op een fiscaal gunstige wijze, werd reeds beslist om ook voor deze groep een tweede pijler mogelijk te maken, de zgn. POZ of pensioenovereenkomst zelfstandigen. Bovenop het reeds bestaande VAPZ of vrij aanvullend pensioen zelfstandigen, zal een zelfstandige bijkomende premies kunnen storten voor een aanvullend pensioen. Fiscaal geeft dit hem recht op een belastingvermindering van 30 % en op het einde van de rit, bij de uitkering, is een belastingtarief van10 % van toepassing.

Ook hier zal de grootte van de premie getoetst worden aan die zgn. 80 % grens, met dat verschil dat niet de laatste bruto jaarbezoldiging als referentie wordt genomen, want een zelfstandige heeft fiscaal gezien geen bezoldiging, maar wel het gemiddelde van de winst van de laatste drie jaar.

Tenslotte zal ook voor werknemers die geen aanvullende pensioenopbouw genieten via hun werkgever of via een CAO, de mogelijkheid gecreëerd worden om zelf te voorzien in zo’n extra legaal pensioen. Werknemers zullen met name het recht krijgen aan hun werkgever te vragen om een deel van hun nettoloon in te houden en te storten bij een pensioenverzekeraar. De premie zal de werknemer recht geven op een belastingvermindering van 30 % en ook hier zal het eindkapitaal belast worden tegen 10 %. Ook hier tenslotte zal de belastingvermindering slechts verleend worden in de mate dat de zgn. 80 % regel is voldaan.

Lees de volledige tekst van de beleidsbrief van 29 oktober 2018