Taks op effectenrekeningen - bekendmaking modaliteiten aangifte en erkenning van aansprakelijk vertegenwoordiger – grijze zone voor buitenlandse banken die vrijwillig betaalagent zijn

Geschreven door Dirk Coveliers - Yannick Cools, Tiberghien advocaten , www.tiberghien.com
Foto: Images Money  

Beter laat dan nooit, werd in het Belgisch Staatsblad van 9 november 2018 het koninklijk besluit van 4 november 2018 gepubliceerd dat handelt over de aangifte, de betaling en enkele bijkomende maatregelen met betrekking tot de taks op de effectenrekeningen (TER). 

Momenteel zijn de meeste Belgische banken bezig met het inzamelen van antwoorden van klanten die al dan niet willen kiezen voor de opt-in van hun effectenrekening voor de betaling van deze taks.

De taks voor de eerste normale referentieperiode van 10 maart tot en met 30 september 2018 dient door de Belgische financiële instellingen uiterlijk op 20 december van dit jaar betaald te worden aan de schatkist.

Aangifte

Opmerkelijk is dat het koninklijk besluit geen model bevat van aangifteformulieren, maar enkel de gegevens die er minstens moeten in voorkomen. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen de gegevens die vermeld moeten worden naargelang de aangifte ingediend wordt door:

  • Belgische tussenpersonen (banken, vermogensbeheerders,…),
  • buitenlandse tussenpersonen of hun erkende aansprakelijke vertegenwoordiger, of
  • titularissen van de effectenrekening.

De aangifte moet minstens de volgende gegevens bevatten:

  • de referentieperiode van de taks,
  • het totale aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten waarvoor de taks verschuldigd is,
  • het verschuldigde bedrag van de TER.

Tussenpersonen dienen hun maatschappelijke benaming, alsook hun ondernemingsnummer (KBO nr.) of voor buitenlandse financiële instellingen een analoog nummer gelijkaardig aan het ondernemingsnummer te vermelden. Particulieren die als titularis de aangifte indienen dienen hun naam, voornaam, woonplaats alsook hun identificatienummer in het rijksregister of van het BIS-register te vermelden.

Het is niet uitgesloten dat er nog modellen zullen uitgewerkt worden in een administratieve circulaire.

Voor de eerste twee categorieën van belastingschuldigen moeten de aangifte en betaling uiterlijk tegen 20 december van dit jaar gebeuren, althans voor referentieperioden die normaal op 30 september 2018 beëindigd zijn.

Deze aangifte dient ingediend te worden bij het Inningscentrum – sectie diverse taksen, Koning Albert II-laan 33 bus 431 te 1030 Brussel. Dit is het kantoor dat eveneens belast is met de inning en invordering van bv. de taks op de beursverrichtingen, de taks op het langetermijnsparen, de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, enz.

De aangifte van of voor de titularis, mag ingediend worden tot uiterlijk de laatste dag voor de indiening van de aangifte in de personenbelasting (doorgaans midden juli). In principe dient deze elektronisch te gebeuren via het elektronisch platform MyMinfin, tenzij men niet over de noodzakelijke informaticatools beschikt. Het KB voegt nu ook nog drie andere situaties toe waarin het mogelijk is om gebruik te maken van een papieren aangifte, namelijk:

  • wanneer de belastingplichtige gebruik maakt van een vereenvoudigde aangifte voor de personenbelasting;
  • wanneer de belastingplichtige ervoor kiest om een gezamenlijke aangifte in te dienen voor situaties van onverdeeldheid van een rekening of voor een rekening opgesplitst in blote eigendom vruchtgebruik.

Ook een persoon die gemachtigd is om de aangifte in te dienen namens een titularis, kan die aangifte op papier indienen bij het bevoegde kantoor.

Aanvragen tot teruggave

Omwille van de forfaitaire berekeningsregels die vooral de Belgische financiële instellingen zullen toepassen, alsook de lichte overbelasting die zich zal voordoen wanneer tegoeden worden overgeboekt binnen of buiten de financiële instelling waar ze aangehouden worden, kunnen belastingplichtigen het teveel betaalde eventueel terugvragen aan de administratie.

Het KB preciseert dat de vraag tot teruggave uiterlijk de laatste werkdag na het jaar volgend op het jaar waarin de referentieperiode een einde neemt ingediend moet worden bij het bevoegde kantoor. Concreet wil dit zeggen dat voor de normale referentieperiode die afgelopen is op 30 september 2018 en waarvan de taks betaald werd tegen uiterlijk 20 december 2018, de vraag tot teruggave uiterlijk op 31 december 2019 ingediend moet worden. Deze datum geldt ook voor alle referentieperioden die vroegtijdig verstreken in 2018, ongeacht de datum van betaling.

Wanneer een vraag tot teruggave aanleiding geeft tot bijbetaling van belasting door andere medegerechtigde(n)of blote eigenaars/vruchtgebruikers, dan dient hiervoor een gezamenlijke aangifte te worden ingediend.

Een model van vraag tot teruggave kan worden verkregen op het hiervoor vermelde bevoegde kantoor. Verantwoordingsstukken die de oorzaak van teruggave vaststellen dienen bijgevoegd te worden bij de vraag tot teruggave.

Het KB lijkt evenwel de termijn waarbinnen deze vraag tot teruggave gesteld kan worden, in te korten. Het Wetboek Diverse Rechten en Taksen voorziet immers dat men twee jaar heeft om deze teruggave te vragen, te berekenen vanaf de dag dat de vordering ontstaan is, dit wil zeggen vanaf de dag dat de taks ten onrechte betaald werd. (Art. 202/8 W.DRT.). In dit KB vertrekt men niet van de betaaldatum maar van het einde van de belastbare referentieperiode en is de termijn ten onrechte korter dan twee jaar.

Aanvraag tot erkenning van een aansprakelijk vertegenwoordiger

Het KB bevat eveneens de praktische regels om voor niet in België opgerichte of gevestigde tussenpersonen een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.

Zo’n erkenning heeft tot gevolg dat de vertegenwoordiger door de Belgische fiscus kan aangesproken worden mocht de buitenlandse bank of vermogensbeheerder in gebreke blijven. De vertegenwoordiger zal er ook mee over waken dat er door de buitenlandse tussenpersoon interne staten opgesteld worden bij elk ‘referentiepunt’, een externe staat van berekening die na de referentieperiode bezorgd wordt aan de titularis en dat aan die laatste de mogelijkheid geboden wordt om te kiezen voor een ‘opt-in’.

Deze regels voor erkenning komen dan ook schromelijk te laat, gelet op het feit dat we nu al voor de eerste referentieperiode in het stadium van de berekening van de belasting zitten en dat daarbij de voorafgaande formaliteiten tot informatie van de belastingplichtigen en de vraag of hij een opt-in wil toepassen bijna verstreken zijn.

Voor de erkenning moet een verzoek worden gericht aan het hiervoor vermelde kantoor van de administratie.

Het verzoek vermeldt de volledige identiteit van zowel tussenpersoon, als aan te stellen aansprakelijk vertegenwoordiger met als verplichte bijlage een verklaring van de aansprakelijk vertegenwoordiger waarbij deze zich verbindt alle gestelde verplichtingen na te zullen komen.

Voorwaarden om te worden erkend als aansprakelijk vertegenwoordiger zijn o.a.: bekwaam zijn om contracten aan te gaan, in België gevestigd zijn en voldoende solvabel zijn om vanaf de erkenning gedurende de normale referentieperiode de verplichtingen na te kunnen komen.

Een erkenning wordt al dan niet bekomen binnen een tijdspanne van 8 dagen na de bevestiging van de ontvangst van het verzoek, waarbij de erkenning uitwerking heeft vanaf de derde werkdag volgend op de datum van kennisgeving van de erkenning.

De aanstelling van een aansprakelijk vertegenwoordiger in België heeft tot gevolg dat de buitenlandse tussenpersoon geacht wordt een Belgische te zijn voor de toepassing van deze taks en dat er bijgevolg een collectieve aangifte mogelijk is alsook een collectieve betaling van de taks voor alle Belgische titularissen samen.

De toestand van een buitenlandse bank zonder zo’n vertegenwoordiger die vrijwillig betaalagent is, is momenteel niet echt duidelijk. Momenteel is de administratie de mening toegedaan dat de buitenlandse instelling in dat geval enkel als mandataris van de individuele titularis kan optreden en bijgevolg enkel een individuele aangifte en betaling kan doen. Deze stellingname is nog niet op papier bevestigd en gaat in feite in tegen haar zienswijze opgenomen in de circulaire 2018/C/65 van 25 mei 2018, waarin onder randnummer 19 gezegd wordt dat buitenlandse tussenpersonen ook zonder de erkenning van een vertegenwoordiger, de verplichtingen kunnen voldoen zoals bedoeld in artikel 157 van het WDRT.

“Buitenlandse tussenpersonen kunnen, zonder een vertegenwoordiger te laten erkennen, de verplichtingen voldoen zoals bedoeld in artikel 157 van het WDRT. Wanneer de taks ingehouden en betaald wordt door de buitenlandse tussenpersoon, wordt de titularis uiteraard ontslagen van zijn verplichtingen met betrekking tot de aangifte en betaling van de taks (art. 158/1, eerste lid, in fine, van het WDRT), op voorwaarde dat de nodige bewijsstukken kunnen voorgelegd worden. De buitenlandse tussenpersoon moet dus, indien hij de taks heeft afgehouden en doorgestort, de titularis een bewijs daarvan bezorgen, opdat die laatste van de vrijstelling kan genieten.”

Volgens dit artikel 157 gaat een Belgische tussenpersoon over tot bevrijdende inhouding, aangifte en betaling van de taks en dit betreft per definitie een collectieve aangifte en betaling.

Buitenlandse banken die discussies hierover met de fiscus willen vermijden en de gemoedsrust voor hun klanten willen veiligstellen indien zij willen werken met een collectieve aangifte en betaling, doen er dus beter aan om in de mate van het mogelijke een aansprakelijk vertegenwoordiger aan te stellen.

Niettemin is deze optie niet mogelijk voor o.m. Zwitserse banken. Deze kunnen immers geen derde als hoofdelijk schuldenaar van een buitenlandse belasting aanstellen, omdat zij volgens het Zwitsers strafrecht geen buitenlandse belasting mogen inhouden voor een buitenlandse overheid. Doen zij dit wel dan begaan zij een strafrechtelijke inbreuk.

Zij handelen dan ook meestal op basis van een individuele volmacht van de klant, ook al organiseren sommigen zich bovendien procesmatig als betaalagent om een collectieve aangifte in te dienen en een collectieve betaling te doen. Men kan hier minstens stellen dat zij mochten vertrouwen op deze tekst van randnummer 19 van de circulaire en misleid geweest zijn, indien de administratie nu tot een ander standpunt zou komen en voor elke titularis een individuele aangifte en betaling zou moeten doen.