Overgang van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting nav nieuwe WVV

Geschreven door Lexalert

Op 22 november 2018 werd het wetsontwerp tot regeling van de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonen belasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting goedgekeurd.

De wijzigingen aan het Wetboek van Vennootschappen, dat omgedoopt werd tot het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (zie het wetsontwerp “tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen” nr. 54-3119), strekken zich even eens uit tot het regime betreffende de omvorming van een vereniging naar een vennootschap.

Door deze gewijzigde context, is het nodig om een fiscaal vaststaand kader te bepalen voor deze omvorming, waarbij duidelijke, algemene regels worden vastgelegd voor de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonenbelasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting.

Artikel 2 van het voorontwerp

In titel III, hoofdstuk II, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 184quinquies ingevoegd, luidende:

“Art. 184quinquies. Onverminderd de toepassing van artikel 17 van de wet van XXX tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van havenbedrijven, vindt de overgang van een voorheen aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersoon naar de vennootschapsbelasting plaats onder de volgende voorwaarden:

1° het deel van het kapitaal, van de uitgiftepremies of van de bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen, dat voorheen werkelijk werd gestort tijdens de boekjaren afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt aangemerkt als gestort kapitaal in de zin van artikel 184 onder de voorwaarden bedoeld in het eerste tot derde lid van dat artikel;

2° de voorheen gereserveerde winsten, al dan niet geincorporeerd in kapitaal, en de voorzieningen voor risico’s en kosten die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden als reeds belaste reserves beschouwd;

3° de herwaarderingsmeerwaarden en de kapitaalsubsidies die door de rechtspersoon zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, worden slechts vrijgesteld voor zover ze op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt blijven en niet tot grondslag dienen voor enige beloning of toekenning;

4° de kosten die werkelijk door de rechtspersoon worden gedragen tijdens een aanslagjaar dat aanvangt vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een voorziening voor risico’s en kosten in de zin van de boekhoudwetgeving die werd aangelegd tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de rechtspersonenbelasting was onderworpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar tijdens hetwelk zij werkelijk zijn gedragen voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 49;

5° definitieve verliezen op activa, die door de rechtspersoon zijn verwezenlijkt in de zin van artikel 49 tijdens een aanslag- jaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelas- ting is onderworpen en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een waardevermindering geboekt tijdens een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de rechtspersonenbelasting was onderworpen, zijn als beroepskosten aftrekbaar voor het aanslagjaar gedurende hetwelk deze werden gerealiseerd;

6° de in hoofde van de rechtspersoon in aanmerking te nemen afschrijvingen, min- of meerwaarden op activa worden bepaald alsof de rechtspersoon altijd aan de vennootschapsbelasting onderworpen is geweest;

7° de door de rechtspersoon voorheen geleden verliezen die zijn geboekt in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar afgesloten voor het boekjaar dat verbonden is aan het eerste aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, mogen niet in rekening worden gebracht voor de bepaling van de belastbare grondslag van aanslagjaren voor dewelke de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen.

Elke terugname van een in het eerste lid vermelde waardevermindering zal, in voorkomend geval, het voorwerp uitmaken van een verhoging van de begintoestand van de belaste reserves van het desbetreffende aanslagjaar ten belope van het bedrag van deze terugname.

Wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een belastbaar tijdperk voor hetwelk de rechtspersoon aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, onderwaarderin- gen van activa of overwaarderingen van passiva vermeld in artikel 24, eerste lid, 4°, worden vastgesteld, worden deze, in afwijking van artikel 361, niet als winst van dit belastbaar tijdperk aangemerkt op voorwaarde dat de rechtspersoon aantoont dat deze hun oorsprong vinden tijdens een belast- baar tijdperk voor hetwelk zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen was.”.

Artikel 3 van het voorontwerp

Het artikel 2 is van toepassing vanaf het aanslagjaar verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste afsluit vanaf 1 januari 2019.

 

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp tot regeling van de overgang van de onderwerping aan de rechtspersonen belasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting