Nieuw Burgerlijk Wetboek - Goederen

Geschreven door Lexalert
Foto: opensource.com  

Het wetsontwerp van 31 oktober 2018 houdende de invoeging van Boek 3 “Goederen” in het Burgerlijk Wetboek moderniseert het goederenrecht en heeft tot doel:

  1. De belangrijkste teksten over het goederenrecht  op  gestructureerde  wijze  in  te  passen  in  het  Burgerlijk  Wetboek,  teneinde  de  transparantie  en  de  rechtszekerheid  in  dat  domein  te  optimaliseren;
  2. het goederenrecht  te  instrumentaliseren  en  functioneler  te  maken;
  3. het goederenrecht  te  moderniseren  en  het  aan  te  passen  aan  de  behoeften  van  de  hedendaagse  maatschappij;
  4. het goederenrecht te flexibiliseren en een nieuw evenwicht te vinden tussen de contractvrijheid en de rechtszekerheid.

Het voorgestelde Boek 3 bevat acht titels:

  1. Algemene bepalingen, dat gewijd is aan het gemeenrechtelijke regime dat – behoudens uitdrukkelijke afwijking – van toepassing is op alle zakelijke rechten.
  2. Goederen, dat gewijd is aan concepten en definities in het goederenrecht 
  3. Eigendomsrecht, dat gewijd is aan de regelingen en basisstructuur van het eigendomsrecht en een aantal gemeenschappelijke bepalingen invoegt die zowel roerende als onroerende eigendom kenmerken.
  4. Mede-eigendom, dat gewijd is aan de diverse vormen van mede-eigendom en een aantal openstaande knelpunten die het gevolg zijn van recente rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake beëindiging van vrijwillige mede-eigendom.
  5. Burenrelaties, dat gewijd is aan diverse vraagstukken met betrekking tot burenhinder. Het voorziet ook nadrukkelijk in ruimte voor erfdienstbaarheden, een zakelijk gebruiksrecht dat nauw verband houdt met nabuurschap.
  6. Recht van vruchtgebruik, dat gewijd is aan de klassieke regelingen van het vruchtgebruik, maar die functioneler worden gemaakt door bepaalde principes te corrigeren.
  7. Erfpachtrecht, dat gewijd is aan de regelingen inzake erfpacht en een aantal nieuwigheden introduceert. Deze tracht eveneens het erfpachtrecht te integreren in het algemene vermogensrecht.
  8. Opstalrecht, dat gewijd is aan de regelingen inzake opstal en een aantal fundamentele wijzigingen doorvoert.
Volg op 7 december 2018 van 12 uur tot 14 uur het online seminar Up-to-date Vastgoedrecht 2018-2 met Jan DE LEYN en Ewoud WILLAERT en Rami NASSER

Deze hervorming is de vertaling van vijf krachtlijnen:

I. De geïntegreerde benadering van het goederenrecht

Het stelsel van de zakelijke rechten is thans verspreid over diverse delen van het Burgerlijk Wetboek en over bijzondere wetten buiten het Burgerlijk Wetboek. Denken we inzonderheid aan de wetten over het recht van opstal en het recht van erfpacht van 10 januari 1824; het eerste deel van de Hypotheekwet met betrekking tot (I) de maatregelen van openbaarmaking inzake onroerend goed en (II) de vermogenstheorie; de Wet van 30  december  1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, de Wet 21 februari 1983 betreffende de verkoop van sommige achtergelaten voorwerpen, sommige bepalingen uit het Veldwetboek, enz. De hervorming wil de belangrijkste teksten, op gestructureerde wijze, inpassen in het Burgerlijk Wetboek teneinde de transparantie en rechtszekerheid in dat domein te optimaliseren. Wel is het zo dat bepaalde essentiële domeinen van het goederenrecht in ruime zin, en meer bepaald de materie van de intellectuele rechten, recent grotendeels zijn ingepast in andere wetboeken (WER).

Dit streven naar integratie met het oog op een betere leesbaarheid noopt ook tot de opmaak van een algemeen gedeelte over het goederenrecht, dat – hoewel het verwijst naar de bijzondere wetten voor specifieke domeinen (intellectuele rechten,...) – alle gemeenschappelijke bepalingen voor alle zakelijke rechten omvat, ongeacht of het gaat om bijvoorbeeld de bescherming (volgrecht, zakelijke subrogatie), het voorwerp, het ontstaan of de uitdoving ervan. Het huidige Burgerlijk Wetboek voorziet in die bepalingen voor elk zakelijk recht afzonderlijk, vaak op fragmentarische en incoherente wijze.

Ook de integratie van alle thema’s die te maken hebben met burenverhoudingen in een afzonderlijke titel (burenhinder, gemene muur, erfdienstbaarheden), getuigt van dezelfde benadering.

Tot slot wijzen de opstellers van het ontwerp ter illustratie ook op de integratie van verschillende hoofdstukken die verwant zijn aan het vruchtgebruik binnen het algemene regime het vruchtgebruik. Dat is met name het geval voor de figuur van het oneigenlijk vruchtgebruik en voor het recht van bewoning.

Lees ook: Nieuw Burgerlijk Wetboek - Bewijsrecht

II. de instrumentalisering (“functionalisering”) van het goederenrecht

De term “instrumentalisering” geeft aan dat het goederenrecht een recht is dat functioneel, en niet louter conceptueel, moet zijn. De conceptuele analyse bewerkstelligt weliswaar de coherentie en de logica van een systeem en dus – vaak – de efficiëntie ervan, maar het goederenrecht is bestemd voor en moet zich lenen tot een frequent gebruik door een groot aantal personen. De bepalingen moeten dus een doorgedreven transparantie uitstralen. Een bruikbare wettekst is derhalve één van de voornaamste bekommernissen van de hervorming.

Een meer geïnstrumentaliseerde benadering van het goederenrecht zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot de invoering van de fiducie in ons recht.

Dit functionele perspectief leidt ook tot een vereenvoudiging en rationalisering van de erfdienstbaarheden, die op bepaalde punten tot controverse aanleiding geven in de rechtspraak en rechtsleer. In dat domein is de financiële inzet weliswaar vaak geringer, maar ze is wel essentieel in termen van menselijke relaties.

In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State werd het niet wenselijk geacht om het Voorontwerp aan te vatten met een hele reeks definities. Ook in de andere Voorontwerpen (verbintenissenrecht en bewijsrecht) werd dit bewust niet gedaan, evenmin als in de Wet tot hervorming van de roerende zekerheden (Wet van 11  juli  2013). Er werd integendeel voor gekozen om de essentiële definities te integreren op de plaats waar het regime van de gedefinieerde figuur is opgenomen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor elk van de beperkt zakelijke rechten. Andere definities worden in de Memorie van Toelichting opgenomen. Dat draagt bij tot het functionele perspectief op het goederenrecht.

Wat de concrete voorbeelden betreft die de Raad van State aangeeft, kan worden opgemerkt dat:

  • Gebruik en genot: de opstellers van het Voorontwerp hebben deze uitdrukkelijk willen onderscheiden, zoals al sinds twee millenia gebeurt, ook al wordt in het Frans soms “jouissance” in een ruimere betekenis wordt gebruikt. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting onder artikel 3.64.
  • Volume: de definitie van dit begrip staat in de toelichting onder artikel 3.192.
  • Feitelijke algemeenheid: een omschrijving van dit begrip staat in de toelichting onder artikel 3.8. Het gaat overigens om een begrip dat ook in andere wetgeving reeds goed gekend is (o.m. artikel 7 Pandwet).

III. de modernisering van het goederenrecht

Boek II biedt thans een enigszins archaïsch beeld van het goederenrecht, toegespitst op het landbouwbedrijven en dus ontoereikend, zelfs schadelijk, voor het gebruik van de zakelijke rechten in meer moderne contexten.

Zo zijn bijvoorbeeld, afgezien van een specifieke aanpassing van het opstalrecht in 2014, de wetten over het recht van opstal en over het recht op erfpacht niet meer gewijzigd sinds de inwerkingtreding ervan in 1825. In hun huidige staat zorgen die wetten voor een algemene rechtsonzekerheid, vanwege hun lacuneus en vaak achterhaald karakter. Zij moeten een grondige en allesomvattende hervorming ondergaan, die spoort met de ontwikkelingen van de drie-dimensionele grondeigendom van de 21ste eeuw en met de perspectieven inzake opdelingen in volumes vanuit een optiek van sociale rentabiliteit van de bouw-, woon- en bedrijfsoppervlakte. De aandacht voor bv. horizontale natrekking en flexibelere opstalrechten, in sommige gevallen zelfs zonder tijdsbeperking, is daarvan een illustratie. Het goederenrecht is op dat vlak, en op heel wat andere, tot een praetoriaans recht uitgegroeid dat zich al te vaak onttrekt aan de wettelijke regels.

Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen de roerende en onroerende goederen, de basisprincipes met betrekking tot het gebruik van het publieke domein in het kader van de publiek-private partnerschappen, of de opkomst van nieuwe (vaak onlichamelijke) goederen. Het Burgerlijk Wetboek behandelt vrijwel exclusief het stelsel van de onroerende goederen, vooral de lichamelijke. Onder voorbehoud van bijzondere regels, inzonderheid in het domein van de intellectuele rechten, gaat in dit ontwerp ook aandacht uit naar de aspecten van het zakenrechtelijke statuut van de onlichamelijke goederen, zoals binnen het domein van het vruchtgebruik.

Met name het recht van vruchtgebruik, dat in het Burgerlijk Wetboek van 1804 vooral wordt gedacht in termen van een contractueel en vaak onroerend vruchtgebruik, heeft in wezen ingrijpende wijzigingen ondergaan doorheen de hervormingen van het erfrecht, voornamelijk in de 20ste eeuw. Het wordt in dit ontwerp eveneens hervormd zodat het hedendaagse contractuele gebruik ervan in vastgoedconstructies verzekerd is en de belangrijke erfrechtelijke functie die door de wetgever daaraan is toegekend zo goed mogelijk wordt vervuld. Het gaat erom in die domeinen, en in andere, het wettelijke kader aan te passen aan de behoeften van de hedendaagse maatschappij.

IV. de flexibilisering van het goederenrecht

In 1804 ging de wetgever er volgens de klassieke gedachte van uit dat het gehele goederenrecht van openbare orde was. Nochtans is in de loop van de decennia duidelijk geworden dat – zonder afbreuk te doen aan het kader en de kenmerken van de bestaande zakelijke rechten – de wilsautonomie van de partijen ook binnen het goederenrecht een grote, en toenemende, rol speelt. Men kan hierin een duidelijke evolutie ontwaren, met name op het vlak van de modalisering van de inhoud van zakelijke rechten.

De opstellers van dit ontwerp hebben, in het kader van de huidige hervorming, veel aandacht besteed aan het bepalen van de ruimte voor contractsvrijheid in het goederenrecht, zonder daarbij afbreuk te doen aan de eigenheid van dit rechtsgebied. De moeilijkheid ligt hier in de gelijktijdige toepassing van het goederenrecht en van het verbintenissenrecht op die contracten die betrekking hebben op goederen, met aldus een vermenging van twee rechtstakken waarvan de grondbeginselen moeten worden nageleefd. Vaak houdt dit een delicate evenwichtsoefening in.

V. Een doorgedreven rechtsvergelijkende benadering van het goederenrecht.

Het goederenrecht wordt vaak beschouwd als een rechtsdomein met een wezenlijk nationale dimensie. De verschillen tussen het burgerlijk recht en de common law, maar ook de verschillen tussen de systemen van Romaanse oorsprong en van meer Germaanse oorsprong manifesteren zich vaak – soms op zelfs op te prominente wijze.

Nochtans belet die vaststelling niet dat er de afgelopen twee decennia gelijklopende tendensen in de verschillende nationale systemen inzake goederenrecht waar te nemen zijn. Dat is het geval voor het bewind, de regels inzake vruchtgebruik, enz. Daarnaast is het, met name op het vlak van roerende goederen, van belang om niet al te veel afstand te nemen van andere belangrijke systemen, mede gezien het vrije verkeer van goederen, vermits de regels van internationaal privaatrecht kunnen leiden tot een verschuiving van het ene systeem naar het andere (“conflit mobile”). Voorts nopen de zoektocht naar juridische efficiëntie en de “benchmarking”, tot een open visie op de transformaties van het goederenrecht.

Daarom vertrekt de gehanteerde methode van een vergelijkende benadering die inspiratie zoekt in met name het Nederlands Burgerlijk Wetboek, het Burgerlijk Wetboek van Québec, het Franse Avant-Projet du droit des biens. Het gaat om drie recente wetten of wetsontwerpen die vanuit diverse inspiraties zijn gekleurd: een doorgedreven Romanistische benadering in het Franse voorontwerp, meer Germaanse invloeden in de Nederlandse wetteksten en zekere common law invloeden in het Burgerlijk Wetboek van Québec.

Minder systematisch werd ook inspiratie gezocht in het Duitse BGB, het Zwitserse Burgerlijk Wetboek en het Spaanse Burgerlijk Wetboek.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp houdende invoering van boek 3 “Goederen” in het Burgerlijk Wetboek van 31 oktober 2018