Hervorming Burgerlijk Wetboek: familie- en familiaal vermogensrecht 2018-19

Geschreven door Lexalert

De beleidsbrief justitie van 24 oktober 2018 somt een aantal wijzigingen op met betrekking tot de modernisering van het burgerlijk recht. Het betreft de hervorming van het Burgerlijk Wetboek en het familie- en familiaal vermogensrecht

Grondige hervorming van het Burgerlijk Wetboek

Belangrijke delen van het burgerlijk recht zijn verouderd en onoverzichtelijk geworden.

Daarom worden er verschillende ingrijpende wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek voorbereid, die allen tot doel hebben dit wetboek modern en transparant te maken. Daartoe werden zes expertenwerkgroepen opgericht respectievelijk belast met het voorbereiden van een grondige hervorming van het verbintenissenrecht, het bewijsrecht, het aansprakelijkheidsrecht, het zakenrecht, de lening en de persoonlijke zekerheden. In een tweede fase zullen de andere dan voormelde materies worden aangepakt. Deze hervorming moet de centrale plaats van het Burgerlijk Wetboek in het privaatrecht herstellen en bijdragen aan een grotere voorspelbaarheid van juridische geschillen, wat toelaat om overbodige processen te vermijden, in het belang van zowel de rechtszoekende als van de openbare overheden.

De werkgroepen zijn reeds ver gevorderd in hun werkzaamheden. De ontwerpen in verband met het verbintenissen-, bewijs- en goederenrecht zijn reeds gefi naliseerd en zijn voorgelegd aan een publieke consultatie die tot doel had om de deelname van de burger aan die fundamentele wijziging van het burgerlijk recht te vergroten. Die publieke consultatie heeft plaatsgevonden in december 2017 en januari 2018. De drie ontwerpen zijn vervolgens opnieuw onder de loep genomen door de betrokken werkgroepen op basis van de talrijke bijdragen die de consultatie opleverde. Nadien heeft de Ministerraad de ontwerpen in eerste lezing goedgekeurd, waarop ze zijn voorgelegd aan de Raad van State. Inmiddels werden de opmerkingen van de Raad van State ontvangen en zijn de ontwerpen aangepast in het licht van deze opmerkingen. De wetsontwerpen zullen dit najaar worden ingediend in het parlement.

Het wetsontwerp dat gewijd is aan het aansprakelijkheidsrecht is eveneens voorgelegd aan een publieke consultatie die heeft plaatsgevonden in april 2018. De tekst, zoals bijgewerkt in het licht van de opmerkingen die zijn voortgekomen uit die consultatie, zal dit najaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de regering.

Familie- en familiaal vermogensrecht

a)Hervorming van het familiaal vermogensrecht en de Wettelijke samenwoning

Een wetgevend initiatief over de hervorming van de wettelijke samenwoning wordt dit najaar aan de regering voorgelegd.

De nadruk komt daarbij in eerste instantie te liggen op een duidelijk evenwicht tussen de rechten en plichten van samenwonenden, hetgeen van wezenlijk belang is bij crisismomenten in de relatie. In het kader van het plan gender mainstreaming liet het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen een studie uitvoeren over de fi nanciële gevolgen van relatiebreuken, met een vergelijking van huwelijk en samenwoonsten vanuit genderperspectief. Met dit advies werd rekening gehouden bij de besprekingen.

b) Erfrecht en huwelijksvermogensrecht

Het erfrecht werd reeds gemoderniseerd bij de wet van 31 juli 2017. Ook het huwelijksvermogensrecht werd reeds hervormd bij de wet van 22 juli 2018. Beide wetten traden in werking op 1 september 2018.

De hervorming van het erfrecht (wet van 31 juli 2017) bevat een aantal belangrijke maatregelen, in het bijzonder:

(i) de verruiming van het beschikbaar deel;

(ii) de invoering van een globale erfovereenkomst;

(iii) de afschaffing van een inbreng en inkorting in natura.

Daarenboven zullen ouders van zorgenkinderen meer mogelijkheden krijgen om patrimoniale regelingen op maat van hun kind uit te werken.

Bijkomende maatregelen voor zorgenkinderen worden voorbereid, namelijk de private stichting en de bewindsclausule.

c) Levenloos geboren kind

Een wetgevende tekst met als doel tegemoet te komen aan de behoeften van sommige ouders in hun rouwverwerking zonder dat er juridische persoonlijkheid wordt toegekend aan een levenloos kind, werd inmiddels ingediend in dit parlement.

d) Sociaal ouderschap

Meerdere denkoefeningen werden opgestart over de notie van sociaal ouderschap. In het kader van de hervorming van het erfrecht werd rekening gehouden met de erfrechtelijke gevolgen die gehecht kunnen worden aan de band die bestaat tussen een persoon die betrokken is of is geweest bij het onderhoud en de opvoeding van een kind, zonder te raken aan de afstamming, en de primaire verantwoordelijkheid van de ouders.

Op 3 mei 2018 werd er aan de UHasselt een doctoraat verdedigd over de implementatie van een statuut voor zorgouders in het Belgische recht. In het parlement werden inmiddels meerdere wetsvoorstellen met hetzelfde voorwerp ingediend (zie bv. DOC 54K114 en 54K194). Op basis van deze wetsvoorstellen kan het debat worden geopend.

e) Hervorming van het afstammingsrecht

Rekening houdend met de rechtspraak van de hoogste rechtscolleges wordt het afstammingsrecht gemoderniseerd. De bedoeling is om een evenwicht te creëren tussen het sociaal en het biologisch ouderschap. Dit kan zich uiten in een herdenking van enerzijds de rol van het bezit van staat en anderzijds de impact van medisch begeleide voortplanting op de vestiging van een afstammingsband.

Gelet op de vele fundamentele vraagstukken die zich bij een globale hervorming aandienen, zal het afstam mingsrecht in twee fasen worden gewijzigd. In een eerste fase zal het afstammingsrecht in het licht van de vele arresten van het Grondwettelijk Hof technisch worden gerepareerd. Dit moet zo spoedig mogelijk zorgen voor rechtszekerheid. Daartoe werd inmiddels een wetsontwerp ingediend in het parlement.

In een tweede fase volgt een grondige hervorming van het afstammingsrecht met het oog op de modernisering ervan voorbereid. Hiertoe werd een werkgroep van deskundigen opgericht. Deze werkgroep heeft inmiddels een eindverslag opgemaakt die de krachtlijnen voor een grondige hervorming bevat. De leden van de werkgroep zullen het eindverslag dit najaar in de Commissie voor de Justitie voorstellen.

f) Objectivering onderhoudsuitkeringen

De Commissie voor onderhoudsbijdragen die haar werkzaamheden in januari 2016 aanvatte en tot doel heeft de eenvormigheid van het beleid inzake onderhoudsuitkeringen te vergroten over de jurisdicties en diverse actoren heen, heeft intussen haar eerste jaarverslag met aanbevelingen afgewerkt.

De eerste aanbevelingen van de Commissie werden reeds omgezet in een wetsontwerp dat dit najaar nog zal worden besproken in de Commissie voor de Justitie.

g) Informatisering burgerlijke stand

De modernisering en informatisering van de burgerlijke stand wordt voortgezet. De burger moet kunnen rekenen op een toegankelijke en efficiënte burgerlijke stand. De wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing creëert de wettelijke basis van de modernisering van de burgerlijke stand. Door deze wet wordt immers een databank opgericht waarin de akten van de burgerlijke stand enkel nog in gedematerialiseerde vorm worden opgemaakt, ondertekend en bewaard.

Ondertussen wordt de technische realisatie voor de creatie van de databank verder gezet en gefi naliseerd zodat de modernisering op 1 januari 2019 in werking kan treden.

Lees ook: Onbekwaamheid - Vereenvoudiging Burgerlijk en Gerechtelijk Wetboek

h) Bijsturing en uitvoering van nieuwe wetgeving

De wet van 30 juli 2013 voerde de familie- en jeugdrechtbank in. Overeenkomstig artikel 273 van deze wet wordt de toepassing ervan geëvalueerd door de minister van Justitie in het zesde jaar na dat van de inwerkingtreding ervan. De wet trad in werking op 1 september 2014. De reeds opgerichte werkgroep zal zich buigen over de maatregelen die getroffen moeten worden ter voorbereiding van deze evaluatie en die in het bijzonder betrekking moeten hebben op de werking en werklast van de familierechtbank en de werking van de opgerichte kamers voor minnelijke schikking.

De wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid trad net als de wet op de familierechtbank in werking op 1 september 2014. Vanuit de praktijk werden een aantal suggesties geformuleerd om de werking van de wet in het licht van de geest ervan te verbeteren en de overbodige werklast te verminderen. Deze suggesties werden grondig onderzocht en opgenomen in een voorontwerp van wet dat werd besproken in een werkgroep samengesteld uit alle betrokken actoren. Op basis van de feedback werd de tekst van het voorontwerp van wet bijgestuurd. Inmiddels werd deze tekst in de vorm van een wetsontwerp ingediend in het parlement.

Voorts werd ook de procedure tot ratifi catie van het Verdrag van Den Haag van 13 januari 2000 over de internationale bescherming van volwassenen opgestart. Dit Verdrag stelt nieuwe regels van internationaal privaatrecht vast, die de erkenning en tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen voor meerderjarige wilsonbekwame personen in het buitenland vergemakkelijken en die de nadere regels inzake samenwerking tussen bevoegde statelijke autoriteiten versterken. Het Verdrag werd reeds ondertekend door België. Een voorontwerp van wet dat ertoe strekt het Verdrag te ratifi ceren en de bepalingen ervan te implementeren in het Belgische recht werd inmiddels voorgelegd aan de regering.

Verder wordt ook het wetsontwerp tot bekrachtiging van het samenwerkingsakkoord houdende tenuitvoerlegging van Verordening Brussel IIbis en van het Verdrag van ‘s Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van kinderen dit najaar nog ingediend in het parlement.

Door de vele wijzigingen van het Wetboek Belgische Nationaliteit wordt de praktijk geconfronteerd met een aantal knelpunten zoals onduidelijkheden en uiteenlopende toepassingen van bepaalde wetsartikelen. Om deze knelpunten aan te pakken, verbetert de wet van 18 juni 2018 de duidelijkheid en leesbaarheid van het Wetboek. Tegelijk werd het nationaliteitsrecht in overeenstemming gebracht met Europese en internationale verplichtingen. Ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet, zal ook het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken, worden aangepast.

De wet van 18 juni 2018 bevat ook bepalingen tot tenuitvoerlegging en aanvulling van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken. De nodige uitvoeringsbesluiten worden voorbereid zodat het geheel tegen 1 januari 2019 in werking kan treden.

Andere delen van het burgerlijk recht

Ook andere delen van het burgerlijk recht zijn verouderd en onoverzichtelijk geworden. Zo kan onder meer het kooprecht met betrekking tot de roerende goederen het voorwerp uitmaken van vereenvoudiging en uniformisering. Deze delen zullen bijgewerkt worden in het kader van de grote hervorming van de wetboeken, in het bijzonder die van het Burgerlijk Wetboek (zie hoger).

De wet van 28 maart 2014 die in boek XVII van het Wetboek economisch recht “De rechtsvordering tot collectief herstel” heeft ingevoegd, werd inmiddels geëvalueerd. Uit de evaluatie blijkt alvast dat respondenten over het algemeen voorstander zijn om de huidige wettelijke regeling te behouden, aangezien ze nog niet gedurende een voldoende relevante periode werd toegepast. Op het tijdstip van de redactie van het evaluatieverslag bleken er nog maar 5 groepsvorderingen aanhangig te zijn gemaakt. Tot heden werden drie beslissingen m.b.t. de ontvankelijkheid genomen. Het is bijgevolg nog te vroeg om reeds de mogelijkheid tot instelling van een gemeenrechtelijke procedure inzake schadeafwikkeling op basis van deze resultaten te onderzoeken.

Lees de volledige tekst van de beleidsbrief van 24 oktober 2018