De Vlaamse regering bereidt zich voor op de hervorming van het vennootschapsrecht.

Geschreven door Pieter Souffriau - Eldar Mingaleyev, Tiberghien Advocaten , www.tiberghien.com
Foto: Free Images  

De federale regering stelt een hervorming van het Wetboek van vennootschappen voor in haar wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en houdende diverse bepalingen (Wetsontwerp/WVV). Het Wetsontwerp heeft al enkele stormen doorstaan: naast het feit dat de Raad van State tot tweemaal toe vernietigende kritiek heeft geuit op het voorontwerp, stromen er vandaag in de Kamer meer en meer amendementen op het Wetsontwerp binnen. Gelet op dit alles wordt op dit ogenblik verwacht dat het nieuwe vennootschapsrecht ten vroegste in mei 2019 in werking zal treden.

Onnodig gezegd dat bepaalde wijzigingen van het vennootschapsrecht ook gevolgen zullen hebben op fiscaal vlak.

In dit kader heeft de Vlaamse regering, in afwachting van een definitieve tekst van het WVV, recent een ontwerp van decreet houdende ‘diverse fiscale bepalingen’ (het Ontwerpdecreet) goedgekeurd waarin zij onder meer anticipeert op de aangekondigde hervorming van het vennootschapsrecht. Merk op dat in tussentijd ook werk wordt gemaakt van een wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het WVV, daar de diverse wijzigingen die het WVV invoert ook een belangrijke impact hebben op het vlak van de inkomstenbelastingen, registratierechten, etc.

Op dit ogenblik zijn hiervan echter nog geen officiële teksten beschikbaar.

We overlopen hierna een aantal wijzigingen aan de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) zoals voorgesteld in het Ontwerpdecreet die het gevolg zijn van de beperking van het aantal vennootschapsvormen en de afschaffing van het begrip kapitaal.

Merk op dat zowel het Ontwerpdecreet als het Wetsontwerp/WVV, beide ontwerpteksten zijn, en dus nog geen actuele wetgeving. De rode draad bij de wijzigingen aan het VCF, naar aanleiding van de hervorming van het vennootschapsrecht, is het behoud van de bestaande rechtsgevolgen voor de belastingplichtige.

Terminologische aanpassingen en nieuwe definitie van kapitaal

Op vandaag kennen we een heel arsenaal aan vennootschapsvormen, elk met hun eigen vormvereisten en dynamiek. De federale wetgever wil dit aantal sterk reduceren. Het uitgangspunt hierbij is flexibilisering en minder strikte grenzen waardoor de vennootschap zich beter kan organiseren naar haar eigen economische behoeften. Concreet stelt het WVV volgende vormen voor: (1) de personenvennootschappen (de maatschap, V.O.F. en Comm.V), (2) de besloten vennootschap (BV), (3) de naamloze vennootschap (NV) en (4) de coöperatieve vennootschap (CV). Merk op dat de minder gekende vennootschapsvormen (de Europese vennootschap en de Europese coöperatieve vennootschap) ook blijven bestaan. 
Het Ontwerpdecreet past de VCF aan om rekening te houden met de gewijzigde terminologie en de beperking van vennootschapsvormen.

Naast enkele terminologische wijzigingen waardoor het ‘doel’ van de vennootschap voortaan het ‘voorwerp’ wordt en het ‘oogmerk’ omgezet wordt in ‘doel(einde)’, is de grootste wijziging de afschaffing van het kapitaalbegrip. Vandaag heeft de meerderheid van de vennootschapsvormen een maatschappelijk kapitaal. Met de hervorming van het vennootschapsrecht zal enkel de NV nog kapitaal hebben.

Teneinde vennootschappen ook in de toekomst gelijk te behandelen (de vennootschappen met en de vennootschappen zonder kapitaal), voorziet het Ontwerpdecreet enkele aanpassingen. In het initiële Voorontwerp van decreet werd een autonome definitie van het kapitaal-begrip ingevoerd: met het kapitaal wordt zowel het kapitaal van een NV bedoeld (of in geval van een vennootschap naar buitenlands recht, het naar buitenlands recht vergelijkbaar begrip) als de inbrengen in geld of in natura en de geïncorporeerde reserves voor de vennootschapsvormen die het kapitaal niet kennen. In de goedgekeurde tekst werd dit autonoom begrip niet weerhouden en werd geopteerd om in ieder artikel van de VCF waar wordt verwezen naar “kapitaal” een verduidelijking op te nemen. 

Inbreng om niet

Reeds lang bestaat onduidelijkheid omtrent het bestaan van de techniek ‘inbreng om niet’. In het WVV wordt nu een definitie ingevoerd van een ‘inbreng om niet’, m.n. een overdracht van goederen door een persoon aan een rechtspersoon met een belangeloos doel, zonder dat de inbrenger hiervoor enige tegenprestatie ontvangt. De ‘inbreng om niet’ onderscheidt zich van een schenking wegens de afwezigheid van een animus donandi. Niettegenstaande de ‘inbreng om niet’ geen schenking veronderstelt, voorziet het Ontwerpdecreet toch in eenzelfde fiscale behandeling van dergelijke overdrachten. De tarieven van toepassing op schenkingen aan bepaalde rechtspersonen worden nu expliciet uitgebreid tot ‘inbrengen om niet’.

Impact op de verkrijging van een onroerend goed uit een vennootschap door één of meer vennoten

De voorgestelde wijziging van de vennootschapsvormen heeft de afschaffing van het onderscheid tussen personenvennootschappen en kapitaalvennootschappen tot gevolg. Dit heeft een weerslag op de regeling omtrent de verkrijging van een onroerend goed van een vennootschap door een of meer vennoten. In het Ontwerpdecreet stelt men voor om het bestaande onderscheid te vervangen door het onderscheid tussen (1) de NV en de Europese vennootschap en (2) de restcategorie die de personenvennootschappen, de BV en de CV omvatten.

Voor deze laatsten blijft de bestaande regeling van toepassing. Belangrijk hierbij te noteren is echter het feit dat in het Ontwerpdecreet de regeling voorzien voor uitkering van onroerend goed middels een kapitaalvermindering wordt vervangen door een uitbreng middels ‘gehele of gedeeltelijk vereffening’. De vraag stelt zich of deze aanpassing toch geen inhoudelijke wijziging van de bestaande regeling betreft. Een kapitaalvermindering, zoals voorgesteld in het WVV, kan immers niet volledig gelijkgesteld worden met een gedeeltelijke vereffening.

De familiale vennootschappen

Om de continuïteit van familiale vennootschappen te waarborgen bestaan er gunstregimes voor de schenking of vererving van dergelijke vennootschappen. Hierbij is onder meer vereist dat de schenker of erflater en zijn familie minstens 50% van de aandelen in volle eigendom houden (de zogenaamde ‘participatievoorwaarde’). Dit staat op vandaag gelijk met het hebben van de zeggenschap in de onderneming.

De hervorming van het vennootschapsrecht maakt het echter mogelijk om aan de aandelen meerdere stemrechten te verbinden. Dit heeft tot gevolg dat ook al houdt de erflater of schenker en zijn familie 50% van de aandelen, zij daarom niet automatisch ook het zeggenschap hebben over de vennootschap. Om het gunstregime te behouden, zoals het op vandaag bestaat, past men de participatievoorwaarde aan. In de toekomst dient de schenker of erflater, samen met zijn familie, aandelen in volle eigendom aan te houden die minstens 50% van de stemrechten, en dus opnieuw het zeggenschap, vertegenwoordigen.

Bij toekomstige planningen van familiale vennootschappen zal dan ook steeds rekening moeten gehouden worden met de regelingen betreffende het stemrecht opgenomen in de statuten (of een aandeelhoudersovereenkomst?) van de betrokken vennootschap. Bovendien is het mogelijk dat aandelen die slechts een beperkte inbrengwaarde hebben toch een stemrecht van ten minste 50% vertegenwoordigen. Deze aandelen kunnen dan ook onder toepassing van het gunstregime worden overgedragen. Het omgekeerde is uiteraard ook denkbaar, m.n. waarbij aandelen die een grote waarde vertegenwoordigen toch slechts een beperkt stemrecht impliceren. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de participatievoorwaarde niet langer voldaan is, wegens onvoldoende stemrecht, waardoor aandelen met een hoge waarde niet langer kwalificeren voor toepassing van het gunstregime.

In dit kader kan ook de vraag worden gesteld naar de waardering van aandelen met een onderscheiden stemrecht, maar die doch eenzelfde inbrengwaarde hebben. Op dit ogenblik is het onduidelijk hoe de Vlaamse belastingdienst zal omgaan met het gewicht van het stemrecht dat aan bepaalde aandelen kleeft.

Conclusie

Op basis van de eerste officiële teksten blijkt dat niettegenstaande het WVV geen impact zou mogen hebben op de fiscaliteit, bepaalde regelingen toch uw aandacht vereisen. Dit betreft slechts de impact op de VCF. De verwachting is dat de impact op de inkomstenbelastingen ingrijpender zal zijn.