Cassatie preciseert verboden terbeschikkingstelling

Geschreven door Instituut voor Arbeidsrecht KULeuven
Foto: Fotografia cnj  

In haar arrest van 8 oktober 2018 spreekt het Hof zich onder andere uit over de wettelijke uitzondering op het verbod op terbeschikkingstelling uit artikel 31 Uitzendarbeidswet.

Overeenkomstig artikel 32, § 1, eerste lid Uitzendarbeidswet kan een werkgever namelijk uitzonderlijk in afwijking van artikel 31, naast zijn gewone activiteiten, zijn vaste werknemers voor een beperkte tijd ter beschikking stellen van een gebruiker als hij vooraf de toestemming van de door de Koning aangewezen ambtenaar heeft verkregen. Deze uitzondering wordt echter gekoppeld aan bepaalde voorschriften inzake de toestemming of voorafgaande verwittiging van de door de Koning aangewezen ambtenaar en de voorafgaande schriftelijke vastlegging van de driepartijenovereenkomst (artikel 32, § 1 en § 2 Uitzendarbeidswet).

Het Hof herhaalt dat de niet-naleving van deze voorschriften tot gevolg heeft dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de wettelijk bepaalde afwijking op het verbod op terbeschikkingstelling uit artikel 31, § 1, zodat dit verbod onverkort toepasselijk blijft. Bovendien stelt het Hof dat de overeenkomst waarbij een werknemer in dienst werd genomen om ter beschikking te worden gesteld van een gebruiker in strijd met het verbod uit artikel 31 nietig is vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid. Verder bepaalt datzelfde artikel dat wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die ter beschikking werden gesteld in strijd met de bepalingen van § 1, die gebruiker en die werknemers worden beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid. De gebruiker en de persoon die werknemers ter beschikking stelt in strijd met de bepalingen van § 1 zijn bovendien beide hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien. 

Volg het on demand seminarie Up-to-date HR-recht 2019-1 met Annabelle TRUYERS

Volgens het Hof oordeelde het arbeidshof terecht dat deze voormelde rechtsgevolgen van toepassing zijn telkens wanneer een gebruiker in strijd met de bepalingen van paragraaf 1 arbeid laat uitvoeren door een hem ter beschikking gestelde werknemer, ongeacht of die werknemer door zijn oorspronkelijke werkgever in dienst werd genomen om ter beschikking te worden gesteld of niet. Het feit dat de nietigheidssanctie slechts van toepassing is op de overeenkomst van de werknemer die wordt aangeworven met het oog op zijn terbeschikkingstelling van een gebruiker doet hier geen afbreuk aan.

Lees de volledige tekst van het arrest Cass. 8 oktober 2018, AR S.14.0006.N-S.14.0059.N/1